2/04/2010

IPCC

Het was mijn vaste voornemen om voorlopig niet meer over het IPCC en/of climagate te schrijven, maar de afgelopen dagen verschenen er zoveel berichten over (al dan niet opzettelijke) fouten van het IPCC in de media, dat ik het toch maar doe.
Voor de volledigheid zet ik het nog even op een rijtje:
1 Het IPCC meldt dat de gletsjers van de Himalaya in 2035 verdwenen zijn. Dat moet zijn: 2350.
2 Het IPCC schrijft dat de hoeveelheid landijs in de Himalaya af zou nemen van 500.000 km2 tot 100.000 km2. Dat is onjuist, de aangehaalde 500.000 km2 betreft het totale landijsoppervlak op aarde.
3 Bovenstaande informatie komt uit een WWF rapport en is niet wetenschappelijk.
4 Het IPCC meldt dat 55% van Nederland onder zeeniveau ligt. Dat moet zijn 26%.
5 Het aantal meetstations waarmee de temperatuur op aarde gemeten wordt daalde van zesduizend naar vijftienhonderd. De weergegevens van plattelandsgebieden, hoger gelegen plaatsen en plekken dicht bij de Noordpool worden niet langer meegeteld voor het wereldgemiddelde. Sinds 1990, toen duizenden stations niet meer werden gebruikt om gegevens over temperaturen te meten, schoot de gemiddelde temperatuur van de aarde plotseling omhoog. Metingen verricht door satellieten laten een lichte daling van de temperatuur op aarde zien in de afgelopen tien jaar.
Minister Cramer schrijft op haar weblog dat ze zich de fouten van het IPCC zeer aantrekt en dat ze ‘pissig’ is over dit slordige werk. Maar direct daarna schrijft ze dat de conclusies van het IPCC wel degelijk overeind blijven.
Die mening deel ik niet, maar ik begrijp het wel. Het kost tijd voordat je van je geloof valt. Net zoals de leden van de sekte die een aantal jaren geleden in een bungalow park op de Veluwe het eind der wereld afwachtten, ook even moeite hadden met het feit dat er gewoon een nieuwe dag aanbrak.
Hoe kan je nog langer conclusies van een onderzoeksinstituut onderschrijven als er zulke enorme fouten worden gemaakt?
Het begint allemaal steeds meer te lijken op de aanloop naar de Irak oorlog: onjuiste informatie; verzonnen wapendepots; politici die blijven beweren dat ze juist gehandeld hebben.
We zijn gewoon een klimaatoorlog ingerommeld.

1/06/2010

Versterplein

Het Versterplein in Vught is een doodgewoon plein met grijze stoeptegels, een klimrek en een rechthoekige rand van struiken en bomen die het scheiden van de straat.
Aan twee kanten staan huizen, aan de kopse kant staat mijn oude lagere school, daartegenover ligt het station.
Het was koud toen ik mijn auto parkeerde en uitstapte.
Mijn oude school zag er vervallen uit. Toen ik door de hoge ramen naar binnen keek zag ik tot mijn stomme verbazing dat er geen stoelen en tafels meer in stonden. Ik liep naar de hoofdingang en zag dat de school een verzameling ateliers geworden was.
Gelukkig zag het plein er nog precies zo uit als ik het mij herinnerde.
Ik was daar omdat Jeroen van den Eijnde, directeur van Nationaal monument kamp Vught, mij had gevraagd of ik er een lied over wilde schrijven voor een CD met bijdragen van verschillende (van origine) Brabantse zangers.
Het Versterplein is namelijk niet alleen het plein waar ik vroeger Star Trek speelde tijdens het speelkwartier, maar ook het plein van waar in juni 1944 honderden kinderen uit kamp Vught werden afgevoerd naar de vernietigingskampen.
In de archieven vond ik een foto van zo’n deportatie. Hij was genomen vanuit een dakraam van een van de omliggende huizen. Je ziet een aantal moeders en kinderen met tassen en koffers in een rij op het plein staan. Even verderop staat de bus waarmee ze uit het kamp naar het station zijn gebracht.
Een macabere foto.
Ineens realiseerde ik me dat ik maar negentien jaar na het einde van de oorlog geboren ben. Dat is eigenlijk helemaal niet lang. Ik bedoel, negentien jaar geleden woonde ik op de Overtoom in Amsterdam en zette ik met Comedytrain mijn eerste wankele schreden op het gammele podium van een of ander rokerig cafe. Ik herinner het mij als de dag van gisteren.
Ik liep naar het station en zag een vrouw op een bankje zitten. Ze stak een sigaret op en gooide het lege pakje op de grond. Ik moest er eigenlijk wat van zeggen, maar ik durfde het niet. Stom, want je moet hufterig gedrag in de kiem smoren. Anders staat ze binnen de kortste keren mensen in veewagons te duwen.
Ineens moest ik denken aan ons jaarlijkse schoolreisje, tegen het eind van het jaar. In juni? Ik zag mijzelf staan als jochie van tien: rugzakje om met een pakje Sinas, een Milkey Way, wat boterhammen. Even verderop de bus die ons naar de Efteling zou brengen en op het plein de moeders die ons uitzwaaiden.
1974, maar dertig jaar na die foto.

12/18/2009

Boos

Ik was boos op mijn zoon. Dat gebeurt wel eens vaker en – gelukkig – gaat het nooit ergens over. Dit keer was het omdat ik hem tien keer had gevraagd uit bad te komen en hij het maar niet deed. Hij was te druk met het afvuren van playmobilpoppetjes door middel van een uit een oude shampoofles afkomstige waterstraal.
Toen ik uiteindelijk SCHIET OP brulde keek hij me in opperste verbazing aan. Dat doet hij meestal als hij weet dat hij te ver is gegaan.
‘Ik wist niet dat ik eruit moest’, zei hij.
HOEZO NIET, IK HEB HET TIEN KEER GEZEGD, riep ik.
‘Ja maar ik versta je niet’, zei hij. En daarna mompelde hij: ‘Abuboja, retsi kon’ (of zoiets), om duidelijk te maken dat hij een andere taal sprak en mij dus niet kon verstaan.
Ook die truc kende ik al.
‘Geen grapjes nou’, zei ik, iets rustiger.
‘Retsi rakka poempa.’
‘Jacob, kom uit bad.’
‘...’
‘KOM NU UIT BAD’.
Toen hij nog geen aanstalten maakte om eruit te komen begon ik aan mijn riedel die hij inmiddels ook wel uit zijn hoofd zal kennen:
‘Waarom moet ik alles tien keer vragen? Je begrijpt toch wel dat ik daar boos om word. Doe nou toch eens wat ik je zeg. Dat is makkelijker voor ons allemaal.’
‘Bieba kletsi wok’, zei hij.
‘OK’, zei ik, ‘ik tel tot drie. Een, twEE, DRIE.’
Maar ook dat maakte geen indruk en dus besloot ik hem aan zijn armen uit bad te trekken. Na twee mislukte pogingen van hem om terug in bad te stappen, lukte het mij om hem af te drogen en hem zijn pyjama aan te doen.
‘En nu zelf je tanden poetsen’, zei ik in de wetenschap dat dit op dit moment van de strijd een onmogelijke missie was.
En inderdaad, hij ging demonstratief met zijn armen over elkaar op de rand van het bad zitten.
Omdat ik geen zin had in weer een scene liep ik de badkamer uit, sloeg de deur dicht, riep: ‘ZOEK HET ZELF MAAR UIT en ging beneden voor de TV zitten.
Ik had meteen spijt van mijn actie, maar vond dat ik niet meteen naar boven moest gaan omdat hij toch ook iets moest leren.
Na enige tijd hoorde ik hem boven zijn tanden poetsen en zijn bed in klimmen.
Ik liep de trap op naar zijn kamer en zag dat hij met zijn hoofd onder de dekens lag.
‘Slaap je al?’, vroeg ik.
Hij zei niets.
Ik sloeg het dekbed een stukje terug. Hij trok het meteen weer naar zich toe.
‘Sorry dat ik boos werd’, zei ik, ‘maar je moet echt beter luisteren.’
Weer zei hij niets.
Ik trok het dekbed weer weg, gaf hem een kus en zei dat ik van hem hield.
Toen ik bij zijn deur was gekomen viel mijn oog op het zwarte tafeltje. Er lag een briefje op. Daarnaast lag zijn horloge dat hij voor Sinterklaas had gekregen.
Ik pakte het briefje en las: ‘Liefe Papa, je mag mijn horloosje leenen.’
Ik liep terug naar zijn bed en aaide over zijn hoofd.
‘Wat fijn dat ik je horloge mag lenen’, zei ik.
Hij pakte mijn arm.
‘Ja’, zei hij, ‘maar je mag hem maar een dag lenen.’

11/27/2009

Klimaat demagogie

Er is beroering ontstaan over duizend emails die door hackers uit de computer van een toonaangevende Brits onderzoeksinstituut zijn gestolen. Ze geven een beeld van klimaatwetenschappers die niet welgevallige cijfers – namelijk dat de aarde helemaal niet opwarmt - uit onderzoeken proberen te houden.
Ik moet onmiddelijk toegeven dat ik er maar een paar gelezen heb, maar wat ik las zag er niet goed uit. Een van de belangrijkste citaten is dit: "The fact is that we can’t account for the lack of warming at the moment and it is a travesty that we can’t. The CERES data published in the August BAMS 09 supplement on 2008 shows there should be even more warming: but the data are surely wrong. Our observing system is inadequate."
Het zou mij overigens niet verbazen als er gemanipuleerd wordt met cijfers. Het gebeurt namelijk altijd als er grote belangen op het spel staan.
Zo hebben sigarettenfabrikanten in de jaren vijftig jarenlang geprobeerd cijfers tegen te houden die bewezen dat er verband bestond tussen roken en longkanker. En zo probeerde de olie-industrie in de jaren zeventig onderzoeken tegen te werken die aantoonden dat lood in benzine slecht is voor de gezondheid.
De belangen zijn enorm: regeringen hebben hun hele beleid afgestemd op het scenario dat de aarde opwarmt en de zeespiegel stijgt; bedrijven hebben miljarden geinvesteerd in groen ondernemen en in groene producten. De aarde moet gewoon opwarmen.
Het is jammer dat er de afgelopen jaren zo weinig aandacht geweest is voor de ‘Al Gore’ sceptici, vooral omdat zij zinnige argumenten naar voren brachten. Maar zoals zo vaak moet je mensen niet storen met feiten als ze al een mening hebben.
Hier toch nog even een paar interessante punten:
- Tachtig tot negentig procent van de CO2 uitstoot heeft een natuurlijke oorzaak. Vooral de tienduizenden kilometers lange vulkanenrij op de oceaanbodem zorgt daarvoor.
- Tienduizend jaar geleden was er een ijstijd en over tienduizend jaar is er weer een. Met andere woorden het klimaat kent cycli die verschillende oorzaken hebben. Een ervan is dat de zonnewarmte elke twintigduizend jaar sterkt varieert.
- In de drie kilometer dikke ijslaag van Antarctica kunnen geologen als het ware periodes aflezen. Het blijkt dat er al vaker periodes waren waarin de CO2 waarde veel hoger was dan nu. Alleen waren er toen nog geen mensen op aarde.
- De aarde is 4,5 miljard jaar oud. De metingen die verricht worden zijn hoogstens een paar honderd jaar oud. Het getuigt van enige hoogmoed om te veronderstellen dat wij invloed zouden kunnen uitoefenen op het klimaat.
Ik denk dat het beste wat we erover kunnen zeggen is dat we het niet weten. Of zoals de voormalig directeur van het KNMI in een interview zei: “We begrijpen nog geen 10 % van het klimaat.”
Dat neemt niet weg dat we op zoek moeten naar andere dan fossiele brandstoffen, al was het maar omdat die op raken. Maar eenzijdige berichtgeving en manipulatie hebben uiteindelijk altijd een tegenovergesteld effect; ‘Roken is dodelijk’ staat er tegenwoordig op pakjes sigaretten. En het lood is uit de benzine verdwenen.

11/26/2009

Gesprek in de biowinkel

Er kwam een vrouw de biowinkel binnen. Ze had een lange rok aan met gekleurde strepen en ze leek een beetje op Wieteke van Dort.
‘Ik zoek zongedroogde tomaten’, zei ze tegen de eigenaar, ‘maar ze moeten absoluut zonder pesticiden zijn.’
De man liep naar een schap voor in de winkel toe en pakte een potje.
‘Deze’, zei hij.
‘Is het echt zonder pesticiden?’, vroeg de vrouw.
‘Ja hoor, helemaal’, antwoordde hij.
De vrouw keek nog eens in het schap, haalde er een ander potje uit en bekeek de etiketten.
‘De bijen gaan er ook dood van’, zei ze terwijl ze zich omdraaide en het potje dat de eigenaar haar had gegeven op de toonbank zette.
‘Dat is niet helemaal zeker’, zei de man.
‘Jawel’, zei ze, ‘mijn vriendin heeft er net op de Franse radio een hele uitzending over gehoord en daar zeiden ze dat het door de pesticiden komt.’
‘Ja maar dat is toch niet helemaal zeker, hoor.’
‘Nou’, zei de vrouw, ‘er was deze week een uitzending over op de Franse radio, dus...’
‘Ja maar ik ken een imker hier in het dorp...’, zei de eigenaar.
‘Ja, die ken ik ook...’, zei de vrouw.
‘...en zijn bijen sterven ook uit, terwijl er hier in de duinen geen pesticiden worden gebruikt.’
De vrouw trok haar schouders en haar wenkbrauwen tegelijk op en zei: ‘Het was op de Franse radio, deze week nog, een hele uitzending.’
Daarna draaide ze zich weer om en keek in het schap waar de sappen stonden.
Ik legde mijn afbakbrood op de toonbank.
‘Ze weten het niet’, zei eigenaar tegen mij, ‘ze begrijpen er niks van.’
‘Misschien zijn ze suicidaal’, probeerde ik.
‘Tja’, zei de eigenaar terwijl hij zijn voorhoofd fronste, ‘ze weten het niet’.
‘Het was een grapje’, zei ik.
De vrouw zette een fles op de toonbank.
‘Zitten hier echt geen pesticiden in?’, vroeg ze.
De eigenaar hield z’n hoofd scheef en zei: ‘Dit is een biologische winkel mevrouw, er zitten nergens pesticiden in.’
‘Jawel hoor’, zei de dame, ‘ik zag daar laatst een programma over op televisie: er worden heel vaak producten als biologisch verkocht zonder dat ze het zijn.’
De man zuchtte en zei: ‘Hier niet.’
Hij pakte de fles en het potje en sloeg de bedragen aan op zijn kassa.
‘Ik zal eens navragen welke uitzending dat was’, ging de vrouw verder terwijl ze haar portemonnee pakte, ‘ze zijn er absoluut zeker van dat het door die pesticiden komt.’
Het was even stil, de vrouw betaalde en de eigenaar stopte het geld in de lade.
‘Ze weten het niet’, zei de eigenaar, ‘wisten ze het maar.’

11/16/2009

Kunstwerk

Mijn vriendin en ik hadden voor onze verjaardag geld gevraagd voor een kunstwerk en dit weekend gingen we op pad. We troffen het, want het was ‘Kunstlijn’ in Haarlem en omstreken wat inhield dat allerlei kunstenaars hun atelier openstelden voor bezoekers.
Al in het eerste atelier zagen we een schilderij dat we allebei mooi vonden. Nou, schilderij is niet helemaal het goede woord. Maar het zat in een lijst. De kunstenares had op stukken doorzichtig plastic met verschillende kleuren olieverf naakte mensen getekend en die stukken deels over elkaar gelegd en dat geheel weer op wit linnen bevestigd en in een lijst gedaan. Door de verschillende lagen ontstond er een zekere diepte die wij spannend vonden. We bekeken het werk van alle kanten, liepen er langs, gingen even weg en kwamen weer terug; we bleven het mooi vinden.
Maar we besloten het nog niet te kopen omdat je per slot van rekening nooit kon weten of we ergens anders nog iets mooiers zouden vinden.
Zo gaat het ook altijd als ik naar ‘een leuk restaurantje’ zoek. Ik neem nooit het eerste – hoe leuk het er ook uitziet; hoe goed de menukaart ook is; hoe vriendelijk de bediening; ik moet minstens drie restaurants gezien hebben voor ik zeker weet dat de eerste de beste was. Het heeft iets calvinistisch; je moet eerst moeite gedaan hebben om te mogen genieten.
Dus liepen we nog vier ateliers af en zagen o.a. een halve BH van gedroogde spaghetti met als titel ‘Breastfeelings’; een geheel rood schilderij van een man dat ‘green man’ heette; het olieschilderij ‘Duet’ waarop twee enorme borsten geschilderd waren; een bronzen vis met als titel ‘vis’ en in de lichtfabriek hing een onthoofde vogel van gips en linnen met de naam ‘Come back’. In die ruimte overheerste overigens een penetrante stank maar ik durfde er niets van te zeggen omdat ik er niet zeker van was of die lucht onderdeel was van het kunstwerk.
Hoe dan ook, het schilderij uit het eerste atelier kon de concurentie met het andere werk met gemak aan. Sterker nog, we begonnen er al over te spreken in termen van ‘ons’ schilderij en we maakten ons op de terugweg al zorgen of het in de tussentijd niet verkocht was.
Dat bleek niet het geval.
Dus besloten we het te kopen, alhoewel het iets boven het budget was.
Die avond hingen we het op boven het groene dressoir en de volgende morgen lieten we het trots aan de kinderen zien.
‘Eehh’, zei mijn dochter Laura (10) tien terwijl ze een vies gezicht trok.
‘Wat is er?’, vroeg ik.
‘Dat is toch vies’, zei ze.
‘Wat dan?’ vroeg mijn vriendin.
‘Ja, dat zie je toch wel’, viel mijn andere dochter Lena haar zusje bij.
‘Nee’, antwoordde ik verbaasd.
‘Die mensen zijn bloot’, zei ze op een toon die verried dat ze er niets van snapte dat wij dat niet zagen.
‘Ooh’, lachte ik, ‘maar het is toch mooi.’
Het viel even stil. Ze keken allebei vol afschuw naar het schilderij.
‘Is dit kunst?’, vroeg Laura.
‘Ja’, zei ik.
‘Kostte het dan geld?’, vroeg Lena.
‘Ja’, antwoordde ik.
‘Hoeveel?’ vroeg ze.
‘Zeg ik niet.’
‘Meer dan twintig euro?’
‘Ja.’
‘Meer dan vijftig euro?’, vroeg Lena.
‘Ja’, antwoordde ik.
‘Echt?’, vroeg Laura.
Het viel weer stil. Toen begonnen ze te lachen, draaiden ze zich om en liepen naar boven om het aan hun broer te vertellen.

11/07/2009

Kinderen voor kinderen

Waarom ergerden we ons nou zo aan het dertigjarig jubileum van Kinderen voor kinderen, vroeg ik me af toen ik de TV uitzette?
Mijn vriendin wist het meteen; het kwam door al die brutale kindertjes die en kunnen zingen en kunnen dansen en die heel geroutineerd de camera in kijken en die het allemaal maar durven.
Ik ergerde me vooral aan de collectieve blijdschap op de gezichten van al die VARA coryfeeen en hun (klein) kinderen die in het publiek zaten, waardoor er geen plaats meer was voor het ‘gewone’ publiek.
Ik ergerde me aan de politiek correcte teksten over onderwerpen die alleen de (volwassen) tekstschrijvers interesseren. En aan de welhaast perfecte mix van etnische achtergronden in het koor. Ik ergerde me aan de keurig ingestudeerde dansjes en aan het schijnbaar spontane feestje toen de aftiteling al liep.
Het had iets weg van een partijdag op het plein van de Hemelse Vrede: de strak geregisseerde parade; de partijbonzen op de eerste rij; de verplichte, unanieme vrolijkheid van de aanwezigen.
De omroep die zo graag te boek staat als kritisch en verschillig gaf zich bij dit jubileum over aan een devotie die je zelfs op de EO jongerendag zelden meer aantreft.
Ik denk dat ik daar zo’n last van had. Niets zo treurig als geregisseerde blijheid.
Mijn kinderen vonden het mooi. Ze willen misschien ook wel zanger worden, maar ze zijn lang niet brutaal genoeg voor Kinderen voor kinderen.
Gelukkig is er een troost: uit dertig jaar Kinderen voor kinderen is nog nooit een talent voortgekomen. Of je zou Frizzle Sizzle talentvol moeten noemen, maar dat is een definitiekwestie.
Ik begrijp wel waardoor dat komt. Autenthiek talent laat zich niet kneden. Het gaat geen oubollige liedjes zingen die geschreven zijn door oude mannen; het wil zelf schrijven. Het krijgt geen zang en dans en camera les, maar zoekt het zelf wel uit. Echt talent rommelt en valt en schaaft tot het uiteindelijk iets is. Zoals zo mooi bleek uit ‘Het uur van de wolf’ dat een uur daarna werd uitgezonden. Het ging over Roosbeef. Voor wie haar niet kent, een zangeres van twintig jaar die debuteerde met de prachtige CD: ‘Ze Willen Wel Je Hond Aaien, Maar Niet Met Je Praten’. Alleen die titel al verraadt meer echtheid en talent dan dertig jaar Kinderen voor kinderen bij elkaar.

10/30/2009

Paul Rosenmoller

Paul Rosenmoller ging in de eerste aflevering van zijn nieuwe serie ‘Paul Rosenmoller en ...’ op zoek naar de stand van zaken in voormalig Oost Duitsland. Op 9 november is het twintig jaar geleden dat de Berlijnse muur openging. Nog steeds een onvoorstelbare gebeurtenis die mij vooral leerde dat alles mogelijk is. Dat was onmogelijk lijkt kan zich zomaar realiseren: je let even niet op en alles is anders, zoals zo prachtig is verfilmd in ‘Goodbye Lenin’. Dat is eng, maar in sommige gevallen zoals in 1989, ook prachtig.
Rosenmoller vroeg zich af of de eurorie die er destijds was, vooral onder de Oost Duitse bevolking, niet in teleurstelling was omgeslagen.
Je kon het antwoord al vanaf de eerste minuut zien aankomen.
Paul behoorde namelijk in de jaren tachtig tot de linkse voorhoede die vond dat het in Oost Duitsland allemaal wel meeviel; die vond dat Honecker weliswaar een eigenaardige, maar eigenlijk best vriendelijke man was; die vond dat het communisme toch ook veel goeds bracht.
Het is in dat verband ook wel aardig om de tekst van ‘Over de muur’ van Het Klein Orkest – een hit uit de jaren tachtig - er nog eens bij te pakken. Het eerste couplet gaat over Oost Berlijn; het tweede over West Berlijn. Over beiden zingt Harrie Jekkers: ‘Er is in die tijd veel bereikt’. Eigenlijk, zegt hij, hebben ze allebei hun voor en hun nadelen.
Dat is precies de gedachte die Rosenmoller nog steeds schijnt aan te hangen: Goed, het was niet ideaal, maar het communisme bracht toch ook gelijkheid en zekerheid. En iedereen had werk.
Het feit dat hij die mening nu nog – na alles wat we inmiddels weten – durft uit te dragen is verbijsterend. Ze moet haast wel voortkomen uit onvermogen om zijn ongelijk van toen toe te geven. Anders is het domheid of een vorm van opzettelijke geschiedvervalsing.
Oost Duitsland was namelijk een hel; een model politiestaat; een land waarin niemand elkaar vertrouwde omdat de ander -zelfs je man of vrouw - voor de inlichtendienst kon werken. In de documentaire ‘De val van de muur’ van de ZDF zegt iemand: ‘De stasi is waarschijnlijk de beste binnenlandse inlichtingendienst die er ooit in de wereld bestaan heeft’. Dan weet je genoeg.
Desondanks is de hele aflevering doordrongen van nostalgie naar de DDR tijd. ‘Mensen zeggen mij dat er vroeger werk was voor iedereen’, zegt Rosenmoller bijvoorbeeld, ‘nu is er werkeloosheid.’ En: ‘Veel Oost Duitsers hebben heimwee naar die tijd’. En: ‘Oost Duitsers zeggen mij dat ze solidariteit missen’. En: ‘Mensen die ik sprak vertellen me stuk voor stuk wat ze goed vonden aan het socialistische systeem.’
Nergens in de uitzending gaat het over de drie miljoen Oost Duitsers die tussen 1949 en 1961 hun land ontvluchtten; nergens gaat het over de veertigduizend mensen die een poging deden om door het ijzeren gordijn te breken; nergens gaat het over de betonnen platen, de automatische mitrailleurs; de honden; de mijnen; de prikkeldraden; de chemische wapens die de Oost Duitsers ervan moesten weerhouden om hun land te verlaten.
Nee, Rosenmoller zegt doodleuk dat de DDR geen onrechtstaat was. Of nee, zo zegt hij het niet. Hij zegt: ‘Mensen zeggen mij dat het geen onrechtstaat was.’ Kennelijk voelt hij ook wel aan dat je zoiets eigenlijk niet kan zeggen.

10/18/2009

Het goede doel en de DSB bank

Mijn kinderen stonden vandaag voor de deur spullen te verkopen ‘voor het goede doel en de DSB bank’.
Mijn dochters gingen op hun fiets de straat rond met borden waar het op stond en mijn zoontje zat mijn zijn vriend achter een omgedraaide verhuisdoos met daarop een pen; twee briefkaarten; een armband van paperclips en een lolly. En een geldbakje.
Het was mooi, koud weer, maar ze wilden absoluut niet naar binnen. Pas na een uur wachten, toen de buurvrouw voor 20 cent de armband had gekocht, kwamen ze thuis.
Ik vroeg ze waarom ze geld inzamelden en mijn dochter vertelde dat ze het zo zielig vond voor die mensen.
Dat is waar.
Zelf vond ik Dirk Scheringa het aandoenlijkst: die grote man die stad en land afreist om zijn bank te redden. Niemand geloofde er nog in; de minister niet; zijn voormalig concurenten niet (die lachten zich een kriek toen ze hem zagen rennen); de Nederlandse pers niet, maar hij bleef ‘60% kans zien’ om zijn bedrijf te redden. Prachtig. Het laatste nieuws is dat ook Lone Star is afgehaakt, maar nu is er altijd nog ‘plan B’.
Het is een soort Houdini act, maar waarschijnlijk zijn laatste, de fatale.
Misschien dat ik hem daarom ondanks alles toch sympathiek vind. Dat hij schofterige methodes gebruikte om aan zijn geld te komen is verkeerd, maar de overgave waarmee hij voor zijn bedrijf vecht is – althans voor mijn oordeel over hem - een verzachtende omstandigheid. Daarbij, ze deden het allemaal: Aegon, Delta Loyd, Nationale Nederlanden, Fortis, Centraal Beheer, etc.
Het mocht, dus deden ze het. Het zijn net kinderen.
Sinds bij ons het jeugdjournaal wordt gekeken, sijpelt deactualiteit door de kieren van het huis naar binnen. Waar het vroeger alleen maar ging over de cavia of ‘Buurman en buurman’, gaat het nu af en toe ook over Afghanistan, de nobelprijs voor Obama of over de kredietcrisis.
En over Michael Jackson.
Sinds deze zomer hoor ik weinig anders meer dan ‘Thriller’ en ‘Off the wall’.
‘Geptediepartissomti’ zingt mijn zoon (‘If you wanne be starting somethin’) en hij doet hem na, met zijn ene hand in zijn kruis en de andere in de lucht. Hij maakt ritmische danspasjes, zet zijn ene voet voor zijn andere, draait zijn hoofd met korte knikjes van links naar rechts en eindigt steevast met armen wijd, hoofd naar achteren.
Laatst heeft hij zelfs een show gegeven in de klas.
Vorige week ging het mis, toen hij iets te fanatiek ‘de draaikolk’ op de bank deed, zijn evenwicht verloor en naar beneden stortte.
De tandarts is nu bang dat de zenuw van zijn linkervoortand is afgestorven.
Maar ja, Michael Jackson had ook geen gemakkelijk leven.

10/07/2009

Jan Valks

Vanuit mijn raam heb ik uitzicht op Tweedehands goederen en antiek zaak “Jan Valks”. Het is een slecht onderhouden, klein zaakje waar ik de eerste maand die ik hier nu zit nog nooit iemand binnen heb zien gaan.
‘Hier’ is mijn nieuwe kantoor dat zich bevindt in de Zijlstraat in Haarlem, een soort provinciale variant van de PC Hooftstraat. Je vindt er kledingzaken als Stefanel, Vittorio Marchesi, Riverwoods, Geddes & Gillmore en the Society Shop. En Jan Valks dus.
Ik wilde eigenlijk iets schrijven over de DSB bank. En over al die mannetjes die ‘legale diefstal’ plegen (zoals Ewout Irrgang van de SP terecht stelt) en over mijn eigen woekerpolis die ik zestien jaar geleden afsloot en waarvoor ik, zo bleek, nog steeds ieder jaar bijna tweeduizend euro afsluitprovisie betaal. Niet bij de DSB overigens, maar bij ASR, een verzekeringsmaatschappij die momenteel zo’n leuke reclame heeft met twee jonge meiden die met een twintig jaar oude Volkswagenbus met vakantie gaan. De slogan is: “Wij zijn benieuwd naar jou”. Dat zou ik ook zijn als ik in zestien jaar tijd al tweeendertig duizend euro aan je had verdiend voor niet meer dan het jaarlijks opsturen van een polisblad.
Maar ja, wat levert zo’n stukje, creatief gezien, op?
Jan Valks is inspirerender.
Dus ik loop naar beneden, steek de straat over en kijk in de etalage. Er liggen zilveren lepeltjes; kettingen met stenen en parels; armbanden en een paar zilveren theeserviezen. Bij de voorwerpen liggen handgeschreven kaartjes: “Nu geen 450 euro maar 375 euro”. Ik geloof niet dat het veel heeft geholpen.
Als ik de winkel wil binnengaan zie ik dat er ook een kaartje voor de deur hangt: “Tijdelijk alleen op afspraak geopend”. Aan de gele kleur van het kaartje te zien is ‘tijdelijk’ een rekkelijk begrip voor Jan.
Ik druk mijn gezicht tegen de ruit. Het is donker in de winkel. Alleen achterin de zaak schijnt wat licht door een half openstaande deur. Zou hij hier wonen?
Op de deur staat een telefoonnummer dat je kan bellen als je een afspraak wil. Even twijfel ik of ik hem zal bellen, maar ik wil hem niet teleurstellen: komt er na maanden eindelijk een klant, blijkt ie niks te kopen.
Ik draai me om en loop terug. Het is rustig in de Zijlstraat; een moeder en haar dochter staan voor een etalage en wijzen naar een jurk; twee dames met kinderwagens gaan Stefanel in; een oudere dame vraagt iets aan de verkoopster van Vittorio Marchesi.
En Jan Valks? Zou er nog iemand benieuwd zijn naar hem?

9/24/2009

God's code

Mijn zoontje (zeven) is de laatste tijd nogal bezig met God.
Gisteren ging hij voor het slapen gaan op zijn bed in de Lotushouding zitten (geen idee van wie hij dat heeft), deed zijn ogen dicht en verzon een verhaaltje ‘speciaal voor God’.
En voor mij, want ik zat nou eenmaal ook in de kamer.
‘Dolfje Weerwolfje en Nora liepen in het bos’ begon hij, ‘en ze hoorden een raar geluid.’ Ik ben de plot vergeten -hij was het spoor binnen een paar minuten zelf trouwens ook bijster- maar ik weet wel dat het een spannend verhaal was waarin veel bliksem, geritsel in het donker en geschiet met pistolen in voor kwam. Enig religieus element ontbrak.
Toen hij klaar was zei hij: ‘Zo, nou ga ik nog even bellen.’
Hij belt elke avond met God.
‘Wat bespreek je dan met hem?’ vroeg ik.
‘Oh, even hoe het gaat enzo’ antwoordde hij en hij toetste de geheime code op de houten rand van zijn bed, hield zijn vuist naast zijn oor en zei:
‘Hallo God, met Jacob.....ja....ja...goed...dan moet je een kopje thee maken...ja...OK, tot morgen.’
Toen hing hij op.
‘Thee?’ vroeg ik.
‘Ja’, antwoordde hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was, ‘hij was verkouden.’
Ik weet niet van wie hij het heeft; niet van mij in ieder geval. En ook niet van mijn dochters. Misschien van mijn vriendin, want die wil nog wel eens beweren dat de aarde door God geschapen is, vooral als ze vindt dat ik iets te stellig beweer dat de aarde vierenhalf miljard jaar geleden door een geweldige implosie is ontstaan.
Dit weekend vertelde Jacob ook dat hij voor zijn geboorte al bij God was.
‘Ik zat naast hem’, vertelde hij.
‘Wat deed je dan de hele dag?’ vroeg ik.
‘Oh, potje schaken.’
Zijn god is in ieder geval heel aards.
‘En toen’ vervolgde hij, ‘werd ik ineens naar beneden geschoten in het hoofd van mamma.’
‘Oh?’ zei mijn vriendin.
‘Ja’, zei hij, ‘door een heel klein gaatje waar ik precies doorheen paste. Want er zitten namelijk nog meer kinderen boven, wel honderd, en die passen allemaal precies door een gaatje. Daarom weten ze waar ze naartoe moeten.’
‘Dus elk kind past maar door een gaatje?’ vroeg ik.
Hij knikte bevestigend.
Vanavond riep hij me. Hij stond in pyjama voor het raam en wees naar een prachtige wolk die beschenen werd door de avondzon.
‘Daar woont hij’ zei hij.
‘Ik zie hem niet’, zei ik.
‘Dat klopt’, antwoordde hij, ‘jij kent de code niet.’

5/20/2009

Caravelle

Het begint weer te kriebelen: de ‘nieuwe’ T5 komt eraan. Dat wil zeggen de gefacelifte versie van het huidige model, met een nieuw front en met nieuwe zuinige en stille motoren.
T5 is de officiele naam voor een Volkswagenbusje. De T staat voor ‘Transporter’, de 5 geeft aan dat het gaat om de vijfde generatie van het beroemde, door Ben Pon op een bierviltje getekende, hippiebusje. Ik kocht er vijf jaar geleden een en ik zou niet meer in een ‘gewone’ auto willen rijden.
De hoge zit, het stoere uiterlijk, de enorme binnenruimte plus het idee dat je er, als het nodig is in zou kunnen slapen (ik heb altijd een deken achterin liggen) maken het rijden in een T5 tot iets bijzonders. Het is iedere keer alsof je met vakantie gaat. Of in ieder geval, je hebt het gevoel dat je zo zou kunnen doorrijden naar Zuid Frankrijk. Niet dat we dat ooit gedaan hebben, maar het is prettig dat het kan.
Mijn bus is overigens geen gewone Transporter maar de overtreffende trap daarvan: een Caravelle. Prachtige naam.
Het is bij mijn weten de enige Duitse auto die een Franse naam heeft. Ik heb geen idee waarom, maar wat doet het ertoe: het klinkt als een klok. Heel wat anders dan een Ford Transit of een Mercedes Vito of een Nissan Primastar. Het heeft iets elegants; iets Parijs’. Een Caravelle hoort thuis op de Champs Elysee; het hoort bij een rode loper voor de premiere van een Franse film; het hoort bij avondjurken en glimmende neuzen van schoenen.
Maar het blijft natuurlijk een bus met de bijbehorende minder subtiele rijeigenschappen. Zo is de vering niet zo heel soepel en hoor je de motor nogal, vooral bij hoge toerentallen. Als ik over een gat in de weg rijdt lijkt het alsof de achteras afbreekt en overigens is mijn bus ook niet vrij van kraakjes.
In het begin ergerde ik me daar nogal aan en probeerde ik obsessief uit te zoeken waar het geluid vandaan kwam. ‘Wat doe je nou?’, vroeg mijn vriendin als zij achter het stuur zat en ik met mijn hoofd onder het dashboard hing. ‘Kraakje’, zei ik.
Maar kraakjes zijn lastig: net als je denkt te weten waar het zit, lijkt het geluid ergens anders vandaan te komen.
Het gekke is dat ik er na vier jaar ineens geen last meer van had. Alsof een auto van die leeftijd kraakjes mag hebben.
Lang geleden had ik een tweedehands T4. Slechte koop. Hij was van een bouwbedrijf geweest en er stond 170.000 kilometer op de teller. ‘Hij heeft wat kilometerervaring’, zei de handelaar. Ik had toen al nattigheid moeten voelen. Op zich hoeft een hoge kilometstand trouwens niet uit te maken, maar dit exemplaar was van een bouwbedrijf geweest dat er met volle belading (er zat ook nog een enorm imperiaal op het dak) kennelijk op volle snelheid honderdzeventigduizend kilometers mee gereden had. Alles ging in het eerste half jaar stuk: de cilinderkop; de voorgloeiers; de waterpomp. De bijrijdersstoel kon na enige tijd niet meer voor of achteruit. De handelaar verleende geen garantie, behalve dat hij een loshangende afwerkingsstrip in het plafond vastschroefde. Pas een week later zag ik dat hij een te grote schroef had gebruikt waarvan de punt door het dak naar buiten stak.
Ik verkocht de auto na drie jaar voor een schijntje, maar liefde maakt blind en zeven jaar en twee ‘gewone’ auto’s later kocht ik dus een Caravelle.
Het is geen verstandige keuze: een Renault Espace is bijna even groot, rijdt beter en kost een stuk minder. Maar ja, het busgevoel is onbetaalbaar.
Vanaf september staat de nieuwe versie in de showroom. Ik vrees dat ik iets doms ga doen.

5/11/2009

Pers

De journalist van de regionale krant begon het interview zo:
‘Jij komt uit een kakmilieu, he?’
Enigszins overrompeld mompelde ik: ‘Nou ja, ehm’.
‘Jawel’, ging hij door, ‘jij was echt zo’n kakker uit Vught. Hoe heette die buurt waar jij woonde ook al weer?’
‘Wat bedoel je?’ probeerde ik.
‘Die buurt waar jij woonde, hoe heette die?’
Ik wist het wel, maar zei het niet.
‘Wat was het nou ook al weer?’ bleef hij aanhouden.
‘Het villapark’, zei ik uiteindelijk maar om er vanaf te zijn.
‘Ja, haha’ lachte hij, ‘het villapark. Die naam alleen al. Tsjonge.’
De afgelopen week had ik een heel aantal interviews vanwege de release van onze vijfde CD ‘Stilte Opname’. Ik doe graag interviews al lijkt een interview soms meer op een invuloefening van de journalist.
Het begon vorig weekend bij ‘Radio Noord Holland’ en ‘Spijkers met koppen’. Fijne programma’s waar zinnige vragen worden gesteld door interviewers die de CD ook daadwerkelijk beluisterd hadden.
Afgelopen woensdag volgde de officiele presentatie, waarbij nogal wat pers aanwezig was. Alberto, Birgit, de band en ik, deden een mini concert in de centrale hal van het AMC waar op de achtste verdieping het Emma kinderziekenhuis gevestigd is. Peter Faber bood het eerste exemplaar aan en de directeur hield een praatje.
Ik moet zeggen dat ik nogal verbaasd was toen ik hoorde dat er uberhaupt pers zou komen – ik had nog nooit een journalist bij een CD of boekpresentatie langs gehad -, maar toen we het podium betraden zag ik dat er inderdaad een hele batterij fotografen en een paar televisiecamera’s stonden. Ze waren onder andere van de ‘Weekend’, de ‘Story’, ‘SBS shownieuws’ en ‘AT 5’ en ze waren – zo bleek al snel - voor Birgit gekomen. Dat maakte ik althans op uit het feit dat er voortdurend foto’s van haar gemaakt werden, ook als ze helemaal niet zong en op de rand van het podium naar mij zat te luisteren. Ik vond dat overigens geen probleem, want elke aandacht voor dit project -waarvan de opbrengst naar het Emma kinderziekenhuis gaat- is goed.
Na afloop werden we geinterviewd door SBS shownieuws.
‘Waarom heb je voor Birgit gekozen?’, vroeg de verslaggeefster aan mij. Ik legde uit dat ik haar had gezien in een musical en erg onder de indruk van haar zangkwaliteiten was. Ik wilde net vertellen dat ik zo prettig met haar had samengwerkt toen de verslaggeefster zich om draaide en aan Birgit vroeg: ‘Was het voor jou niet zwaar om die liedjes te zingen nu je zelf zwanger bent?’
Goeie vraag, vond ik, maar het bleek alleen maar een bruggetje te zijn naar het onderwerp waarvoor ze eigenlijk gekomen was: de zwangerschap van Birgit. ‘Is de babykamer al ingericht’, wilde ze weten en ‘kan je nog lopen op die hakken?’ en:‘Ben je veel misselijk?’ en ‘Weet je al of het jongetje of een meisje wordt?’
Zo ging het vijf minuten door waarna ze ons hartelijk dankte voor het interview. Die avond zag ik dat de showflits als titel had: ‘Birgit Schuurman presenteert haar nieuwe CD’.
AT 5 deed het beter, behalve dat Frank Awick mijn naam uitsprak als ‘Umbgroeff’, maar hij is de enige niet.
Donderdag had ik een leuk interview met het Parool en twee radio-interviews, waarbij een journalist mij ’s avonds laat thuis bezocht en het steeds had over mijn CD met kinderliedjes. ‘Maar het zijn helemaal geen kinderliedjes’, zei ik tussen twee blokken interview door als er een nummer werd gedraaid. ‘Oh’, zei hij, ‘geeft niet’, om het nummer vervolgens af te kondigen met: ‘Van de CD met kinderliedjes van Arthur Umbgrove’.
Ben benieuwd wat er deze week in de Weekend staat.

4/10/2009

Quiz

Gisteren waren de opnames van de Grote Geschiedenis Quiz (NPS).
Omdat ik niet door het ijs wilde zakken had ik vorige week nog het ‘Klein Cultureel woordenboek van de Nederlandse geschiedenis’ aangeschaft en in de avonduren gelezen. Dus wist ik weer dat in 15 68 de Tachtigjarige oorlog was begonnen; dat in 1648 de Vrede van Munster werd gesloten: ik wist weer dat de Republiek in 1795 ophield te bestaan omdat toen Napoleon langs kwam en dat in 1813 het koninkrijk begon.
Het werd allemaal (uiteraard) niet gevraagd.
Het stomme is dat ik me tijdens het inlezen ook wel realiseerde dat ze niet naar dit soort grote gebeurtenissen vragen, maar altijd naar ‘kleine’ feitjes. En juist die feitjes kan ik niet onthouden.
Ik zat in het team der ‘prominenten’ naast ‘Goedemorgen Nederland’ presentatrice Mireille van Markus; achter mij zat thrillerschrijver Rene Appel; daarnaast zat ‘Meid van Haram’ Soundos el Ahmadi . In het geheel waren we met z’n tienen en we namen het op tegen tien ‘gewone’ Nederlanders die zich middels een voorronde hadden weten te kwalificeren. Met andere woorden: zij wisten veel meer dan wij.
Ik begon goed. Van de eerste vier vragen wist ik er drie. Het viel eigenlijk best mee, vond ik. Heel even flitste door mijn hoofd dat ik misschien de tweede ronde wel zou kunnen bereiken. Maar toen ging het mis. Van vraag vijf, zes en zeven had ik geen flauw idee. Ik gokte drie keer antwoord c maar omdat het alledrie de keren fout was, besloot ik bij vraag acht toch maar eens antwoord b te proberen. Uiteraard was het goede antwoord toen c. Daarna verloor ik mijn zelfvertrouwen en ging het verder bergafwaarts.
Omdat vraag acht een soort strikvraag was (het minst voor de hand liggende antwoord was goed) besloot ik bij vraag negen ook voor het bizarste antwoord te kiezen, wat (uiteraard) fout was. Bij vraag tien hoorde ik al nauwelijks meer wat Joost Karhof zei; bij vraag elf dansten de letters op het scherm voor mijn ogen en bij vraag twaalf was ik dolblij dat het was afgelopen.
Ik realiseerde me dat ik van de negen vragen die ik niet wist er niet een goed had gegokt, wat statistisch gezien erg onwaarschijnlijk is. Knap werk dus eigenlijk.
Na de eerste ronde gingen de drie besten van elk team door naar de tweede ronde en dienden wij als levend decor. Het frustrerende was dat ik bijna alle vragen uit de tweede ronde wel wist, maar omdat ik daar dus niet meer in zat moest ik mijn mond houden. Ik fluisterde de antwoorden wel steeds in het oor van mijn buurvrouw (inmiddels ook decorstuk) wat ik een beetje zielig vond van mezelf, maar mijn zelfbeeld was inmiddels zo laag dat het allemaal niet meer uitmaakte.
Na afloop kregen alle deelnemers een jaarabonnement op het Historisch Nieuwsblad, dat ongetwijfeld weer vol staat met feitjes die ik toch niet kan onthouden.

3/30/2009

Ziekenhuis

Ik moet er niet teveel over nadenken: dat ik een CD aan het maken was over het leven in het Emma kinderziekenhuis en dat mijn dochtertje ineens ziek werd.
Het moet toeval geweest zijn -ik geloof in toeval- maar toch voelde het alsof ik het over onszelf had afgeroepen. Ineens waren wij zelf het onderwerp van mijn liedjes geworden.
Plotseling zaten wij aan de telefoon met doktersdiensten (omdat een kind altijd ’s avonds of ’s nachts ziek wordt als je niet naar de huisarts kan); ineens belden wij vrienden die arts waren om te overleggen; voor we het wisten zaten wij in de auto met een doodziek kind op de achterbank op weg naar het ziekenhuis; plotseling werden er infusen aangebracht en probeerden wij uit de woorden van de verpleegsters en artsen te begrijpen wat er aan de hand was. Maar we snapten er niets van. Achteraf niet zo raar: ze hadden zelf ook geen idee.
De dagen erna leerden we veel nieuwe woorden. Elk nieuw woord had iets onheilspellend. We probeerden het enge eraf te halen door er zoveel mogelijk over op te zoeken op internet. We leerden snel, maar werden er niet vrolijk van.
Na drie dagen kwamen er geen nieuwe woorden meer bij, maar vielen er juist woorden af: het was in ieder geval niet dit en niet dat. Zus kon nog wel, maar was weer raar omdat ze zo niet had.
Uiteindelijk bleven er nog twee woorden over die, hoe vaker we ze uitspraken, steeds vertrouwder begonnen te klinken.
Zoals ook de ziekenhuiskamer waar ze lag en waar ik elke nacht in een opklapbed naast haar sliep, begon te wennen. Ik ging er overdag zelfs naar verlangen. Ik werd rustig van die kamer. Ik hoefde niets anders te doen dan er te zijn; mijn taak was het over haar te waken en toe te zien dat de zusters op tijd de zakjes vervingen en de monitors in de gaten hielden. Heel overzichtelijk.
Ondertussen werd ons steeds duidelijker dat ook de twee woorden waar we inmiddels vertrouwd mee waren geraakt de lading niet dekten. Wat onze dochter had zat in een ‘grijs gebied’. Het had geen zin dat op te zoeken. Er was geen zinnige definitie te geven van ‘grijs gebied’, of het moest zijn dat daar geen definitie van te geven was. Een doos in een doos. Dus daar moesten we het mee doen.
Gelukkig begonnen de vloeistoffen; slangen en pompen hun werk te doen en op de vijfde dag zette ze voor het eerst een voet buiten haar bed. Twijfelend nog, als iemand die met een teen voelt hoe koud het water is, maar toch een geweldige stap.
Of, zoals haar tweelingzusje op een tekening van de maan met daarop een konijn had geschreven: ‘Een kleine stap voor een konijn, maar een enorme sprong voor de konijnenheid.’

3/19/2009

Erik's studio (deel 2)

We zijn terug in Erik’s studio, waarover ik twee jaar geleden een van mijn eerste weblogs schreef. Erik heeft zijn studio gemoderniseerd, d.w.z. dat er nu een nieuwe, volledig geautomatiseerde mengtafel staat; dat iedere muzikant nu zijn eigen koptelefoonversterker heeft en er in de afluisterruimte nog wat meer stukken noppenschuim en ‘diffusers’ (van piepschuim gemakkte richeltjes) tegen de muur zijn geplakt. Dit alles om ervoor te zorgen dat niets het geluidsbeeld verstoort.
Eerst dacht ik dat dit onzin was, maar het moet gezegd: werkelijk alles heeft invloed op het geluid. Tenminste als je zulke goede monitors hebt als Erik: het viel me op dat zelfs een gevuld broodzakje dat tussen de box en de luisteraar staat het geluid anders maakt.
Maar verder is alles gelukkig hetzelfde gebleven: de lichtbruine, skyleren bank waarop wij zitten als we een track afluisteren; de vloerkleden in de opnameruimte ; de kabels aan haakjes tegen de wanden; het Hammond orgel dat nog gereviseerd moet worden; de microfoon met de deuk erin; de lichtgroen geschilderde muren waar stukken uit zijn; de relaxruimte met zeil op de grond; het witte aanrechtmeubel. Nou goed, er is een Senseo-apparaat bijgekomen, maar gelukkig staat het gewone koffiezetapparaat er ook nog.
De studio zit in een oud fabrieksgebouw aan een grote parkeerplaats op een industrieterrein in Utrecht aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Het overslagbedrijf dat ernaast ligt is failliet gegaan en dat is te zien: het gras groeit tussen de tegels en een aantal deuren hangt scheef. Het maakt het plaatje nog fotogenieker. Niets zo desolaat als een groot, leeg parkeerterrein voor een vervallen loods.
Overigens kom ik niet veel buiten op dagen als deze. En dat wil ik ook helemaal niet. Ik wil alleen maar binnen zitten en aan liedjes ‘bouwen’, zoals ik vroeger op zomerse dagen niet naar buiten te slaan was als ik een Lego stad aan het maken was.
Daarbij is het geweldig om met (goeie) muzikanten te werken.
Het rare van samen muziek maken is namelijk dat je ‘dichtbij’ elkaar komt, zonder dat je elkaar daarvoor heel goed hoeft te kennen. Muziek maken is eigenlijk een veel prettiger vorm van communicatie dan praten. Of misschien moet ik het zo zeggen: muziek maken is hechte vriendschap sluiten zolang het liedje duurt.
Toen na twee dagen de muzikanten weer weg gingen omdat de basistracks opgenomen waren, voelde ik dan ook een soort ‘post vakantiekamp kater’: we hadden samen vanalles beleefd maar nu was het voorbij. Ik was weer alleen.
Nou ja, niet echt: Alberto en Erik bleven gelukkig, omdat ik alle nummers nog moest inzingen en de derde dag kwam Birgit (Schuurman) met wie ik deze CD maak.
Vandaag hebben we weer nummers ingezongen en hier en daar een gitaarpartij overgedaan en volgende week zit het er alweer op. Ik moet er nog niet aan denken.
Toen ik vanavond terug reed terwijl de eerste ondergaande voorjaarszon door mijn voorruit scheen, realiseerde ik me weer eens dat je mooie momenten niet vast kan houden. Je kan proberen ze op te slaan in je geheugen, maar na een tijd gaan ze scheef hangen en groeit er gras tussen.

2/24/2009

Ziek

Ik had voor het eerst sinds tijden weer eens ouderwets de griep. Ik weet niet welke variant, maar als ik mijn huisarts goed begrepen heb, leed ik aan een Aziatische (de hardnekkigste), want gedurende tien dagen begon ik elke ochtend met 39.1 waarna ik de rest van de dag niet meer durfde te meten, wat overigens ook geen zin had omdat ik me volstopte met paracetamol die de temperatuur drukt.
Die tien dagen hebben hun sporen nagelatent: ik viel vier kilo af (wat, gezien mijn normale gewicht, als een Sonja Bakker prestatie van formaat gezien kan worden) en zelfs nu, twee weken later, ben ik nog niet helemaal de oude.
Ik moest veel aan vroeger denken toen ik, voor mijn gevoel, ieder jaar wel een keer echt ziek was. Ik bewaar er goede herinneringen aan; natuurlijk omdat ik niet naar school hoefde maar vooral omdat ik overdag in het bed van mijn ouders mocht liggen. Dan keek ik uit het raam naar de sering in de tuin, die in mijn herinnering altijd in bloei stond, wat niet waarschijnlijk is want griep krijg je doorgaans in de winter.
Ik herinner mij de kadootjes, de gepelde druiven, de beschuitjes met kaas, de Donald Ducks en de Kijks.
Ik herinner mij niets van koorts of hoofdpijn of misselijkheid. Kennelijk heb ik een optimistisch geheugen: het filtert de rotdingen weg. Sterker, het maakt het mooier dan het was.
Maar wat ik me nog het meest herinner is de stilte in huis. De stilte die ik normaal gesproken saai vond, maar die weldadig is als je ziek bent. Urenlang hoor je niets anders dan een auto die voorbij rijdt; de wasmachine in de bijkeuken; het aanslaan van de verwarming. Af en toe hoor je beneden een deur open en dicht gaan, maar meer niet. Pas ver in de middag hoor je je broer thuiskomen van school en weer later hoor je je moeder je vader begroeten als hij thuis komt van z’n werk; je hoort ze met elkaar praten, maar je weet niet wat ze zeggen; je hoort iemand aanbellen; je hoort de TV. Je volgt het allemaal, maar je bent er niet bij. De geluiden zijn vertrouwd, je hoort erbij, maar je neemt er niet aan deel.
Zo was het nu ook: tot drie uur hoorde ik niks, daarna kwamen de kinderen thuis. Ik hoorde ze spelen; ik hoorde ze ruzie maken; ik hoorde het jeugdjournaal; ik rook de Spaghetti Bolognese.
Misschien is het fijne van ziek zijn wel het feit dat je een goede reden hebt om niks te doen: je bent ziek. Fijn.
‘Volgend jaar neem je maar een griepprik’ zei mijn vriendin, die de hele periode een stuk minder romantisch heeft ervaren dan ik.
‘Ja' zei ik, maar ik twijfel.

1/23/2009

Sint-Gillis

Vaak is het goed om er bovenop te zitten. Soms is het beter om op afstand te blijven.
Vanochtend werden er twee peuters en een peuterleidster vermoord in een kinderdagverblijf in Sint-Gillis door een man met een wit geschminkt gezicht.
Uit betrouwbare bron weet ik dat de halve wereldpers was uitgelopen om beelden te schieten en om gasten te regelen voor actualiteitenprogramma’s. Sint-Gillis was vandaag even het centrum van de wereld.
Iedereen is terecht geschokt dat kleine kinderen, de allerzwaksten, vermoord zijn. Maar waarom is niemand geschokt dat mensen, op hun allerzwakste moment, namelijk vlak nadat ze hebben gehoord dat hun kind of het vriendje van hun kind is vermoord, worden gefilmd?
Waarom vinden journalisten dat ze het recht hebben om mensen in het diepst van hun verdriet lastig te vallen en te filmen?
En welk doel dient het eigenlijk?
Waarheidsvinding, schijnt het doel van de journalistiek te zijn. Natuurlijk, als het een politiek schandaal betreft, als de journalist een doofpot vermoedt, als er zaken van algemeen belang op het spel staan, moet een journalist proberen de onderste steen boven te krijgen. Maar wat is er aan waarheidsvinding te doen in Sint-Gillis?
De enige waarheid is dat het afschuwelijk is. Er is geen complot, er is geen doofpot, er is geen verborgen waarheid. En als die er is, dan kan die wachten: de dader is gepakt, de kinderen zijn dood, de politie is aan het werk.
Er is echt geen waarheid te vinden in beelden van huilende moeders; er is echt niets te winnen in een gesprek met een inderhaast opgetrommelde forensisch psycholoog die net als wij slechts weet dat de dader een wit geschminkt gezicht had (NOVA).
De enige reden voor de gretigheid van de pers is, vrees ik, dat ze uit is op sensatie en, vooral, dat de collega's van de andere programma's het ook doen.
Het is jammer dat niet een redactie zich verzet heeft en zich heeft beperkt tot een enkele mededeling. Ik ben heus in staat de gruwelijke werkelijkheid er bij te denken.
Het is jammer dat er niet een programma zo ‘conservatief’ was om de mensen daar met rust te laten? Conservatief is niet altijd slecht, kijk maar naar de Rabobank.
Op 13 maart 1996 zat ik in het congresgebouw in Den Haag bij een optreden van Tori Amos. Die dag waren er in Dunblade, Schotland, 16 leerlingen vermoord door een psychopaat. Ze begon het optreden met de volgende woorden: ‘Ik geloof dat zieltjes van overleden kinderen een plek op aarde nodig hebben om te dansen. Dus ik speel vanavond voor hun in de hoop dat ze komen dansen.’
Dat was meer dan genoeg, ik dacht de hele avond aan die kinderen.

1/15/2009

Boekenclub

Ik stel me bij boekenclubs altijd een stel dames voor die in een groot huis bij een knapperend haardvuur, onder het genot van een paar flessen rode wijn en toastjes met kaas een uur lang over een boek praten om de rest van de avond het drama in hun eigen leven te bespreken. En zo hoort het ook, want goede literatuur zet aan tot introspectie.
Af en toe word ik, via via, gevraagd om aanwezig te zijn en meestal doe ik dat met veel plezier, omdat ik nou eenmaal graag over mijn werk praat een een zekere ijdelheid mij niet vreemd is. En omdat ik de illusie heb dat de revolutie onderop begint. Een beetje zoals een politicus die op een zeepkist op de markt gaat staan om zijn boodschap te verkondigen. Of zoals een Jehovagetuige redeneert: elke gewonnen zieltje is er een.
Gisteren was ik te gast bij een boekenclub die geheel aan mijn verwachtingen voldeed. Toen ik binnen kwam zaten de negen dames, die een een uur voor mijn komst bij elkaar gekomen waren om DHVDA eerst zonder mij te bespreken en om vragen te bedenken, klaar in een grote kring rond de haard.
Het werd een leuke avond waarbij ik mezelf af en toe iets te koket vond (zo kwalificeerde een collega schrijver mijn optreden een keer toen ik een lezing hield en sindsdien ben ik steeds bang dat ik te ‘koket’ ben) en waarbij het me weer eens opviel dat de interpretatie van een boek toch vooral iets zegt over de lezer.
Overigens heeft de situatie altijd iets raars omdat je weet dat niemand in zo’n club helemaal eerlijk tegen de schrijver durft te zijn. In mijn bijzijn benoemt men de positieve kanten van het boek nou eenmaal makkelijker dan de negatieve.
Behalve die ene keer anderhalve maand geleden.
Achteraf had ik het kunnen weten toen ik uit mijn auto stapte, de winderige parkeerplaats overliep naar de ingang van een jaren zeventig flat en de lift nam naar de achtste verdieping waar ik ontvangen werd door twee vrouwen en twee MANNEN die met een kopje rooibosthee aan de keukentafel op mij zaten te wachten. Geen haard, geen wijn, geen huiskamer.
‘Je zult wel zenuwachtig zijn om te horen wat we van je boek vinden, he’, begon een van de twee vrouwen nog voor ik goed en wel zat.
‘Er zaten best mooie stukken in, hoor’, zei de andere vrouw die een rode bril droeg ‘maar ik vind dat je ook recht hebt op kritiek.’
Ik ging zitten en kreeg een kopje zure thee voorgeschoteld waarna de bijeenkomst begon.
‘Laten we maar beginnen met wat we mooi vonden’, stelde de vrouw met het rode brilletje voor.
‘Ah, een slecht nieuws gesprek’, lachte ik in een poging mijn irritatie te verbergen.
Het viel even stil aan tafel.
‘Goed’, ging de andere vrouw verder, ‘iedereen heeft een lijstje gemaakt met wat hij goed vond...
‘... en met wat ie niet goed vond’, vulde de vrouw met de bril, aan wie ik inmiddels een hekel begon te krijgen, aan.
‘Rob, wil jij beginnen?’
Rob begon te vertellen wat hij mooi vond.
Daarna waren de anderen aan de beurt.
Toen ze door de positieve punten heen waren begon het deel van de bijeenkomst dat nog het meeste weg had van een verhoor.
‘Waarom heb je ervoor gekozen om aan het einde een derde persoon in te voeren?’ vroeg een van de twee mannen.
Nog voor ik antwoord kon geven tetterde het rode monster er al doorheen: ‘Ja, dat vond ik zo jammer. Echt vreselijk zonde.’
‘Waarom heeft het meisje een zusje dat heel extrovert is?’, wilde Rob weten.
‘Als reactie op haar introverte zusje’, antwoordde ik.
‘Dat kan natuurlijk nooit’, kwetterde de gastvrouw die psychologie bleek te hebben gestudeerd en nu aan de hoogeschool werkte. ‘Daar moet een andere oorzaak voor zijn en die miste ik in je boek.’
De anderen wilden ook allemaal wat weten. Of eigenlijk wilden ze niets weten, maar beweerden ze iets waarop ik geacht werd verweer te geven.
Toen ze door hun vragen heen waren, zette het rode nijlpaard haar bril af en zuchtte: 'Tja, ik denk dus dat we ons af kunnen vragen of dit wel literatuur is of niet.'
De anderen knikten instemmen, waarna de gastvrouw op stond, de kopjes van tafel pakte en ze op het namaak stenen keukenblad zette, ten teken dat de bijeenkomst was afgelopen.
'Welk boek doen we volgende keer?', vroeg Rob.
'Ik heb een prachtig boek gelezen', antwoordde de gastvrouw, 'ik weet zeker dat jullie het ook mooi vinden. Echt schitterend.'
'Heerlijk', verzuchtte de rode olifant, 'daar zijn we wel aan toe.'
Toen ik op de parkeerplaats stond realiseerde ik me dat ik niks gekregen had. Niet eens een pakje rooibosthee.

1/06/2009

Zeuren

Nu lees ik in de NCRV gids dat Mieke van der Wey vindt dat ik zeur. Ze zegt dit naar aanleiding van mijn eervorige blog over het uitblijven van recensies over DHVDA. (overigens werd ik de afgelopen weken op mijn wenken bediend want ineens schreven HD, de Morgen en het Parool over mijn boek).
Dus begon ik te twijfelen of de overdrijving (en daardoor de zelfrelativering) wel over waren gekomen, maar ook bij hernieuwde lezing kon ik er nog wel om glimlachen. Goed, er zit natuurlijk wel een serieuze ondertoon in mijn geklaag, maar om dat nou zeuren te noemen...
Mijn vriendin was het echter roerend met Mieke eens; ze vindt al maanden dat ik teveel klaag. ‘Hoeveel schrijvers zitten er nou bij de ‘TROS nieuwsshow’ en bij ‘Met het oog op morgen’ en bij ‘OBA live’?’ heeft ze mij de laatste tijd al een paar keer retorisch gevraagd. ‘En’, voegde ze er vandaag aan toe, ‘Jan Siebelink brak pas bij zijn 33-ste boek door, dus wat wil je nou’.
Dat vond ik wel weer een geestige opmerking, maar volgens mij meende ze het serieus. Het blijft een lastige combinatie: (mijn) humor en vrouwen.
Veel belangrijker dan mijn vermeende gezeur is het project dat ik momenteel in het AMC/Emma kinderziekenhuis doe. Er is mij namelijk gevraagd een CD te maken waarvan de teksten van de liedjes gebaseerd zijn op de verhalen van de kinderen die daar liggen. De afgelopen maanden ben ik daarom regelmatig in het ziekenhuis om te praten met met kinderen die vier keer per week gedialiseerd moeten worden; met graatmagere meisjes die elke dag zes ‘eetmomenten’ hebben; met stoere jochies uit de Bijlmer die elke nacht in hun broek plassen en met dappere kinderen met kale koppies die ‘kanjerkralenkettingen’ aan hun infuus hebben hangen (voor elke ‘gebeurtenis’ krijgen ze een kraal: voor de eerste bestraling; de eerste chemo; de tweede chemo; de eerste haaruitval; de derde lumbaalpunctie). En ik spreek er natuurlijk ook met verontruste of gelaten of berustende ouders. Of, in een geval, met ouders van een overleden kind.
Vrienden vragen me of het zwaar is, zeker omdat ik zelf jonge kinderen heb. Het valt mee. Het is intens, maar niet zwaar. Eerst vond ik dat raar: ik zou toch helemaal kapot moeten zijn van de aanblik van een meisje van elf met veertig kralen aan haar ketting? Waarom voelde ik zo weinig?
Pas later begreep ik dat het kwam omdat juist kinderen die erg ziek zijn, niet zeuren. Natuurlijk, als het pijn heeft klaagt een kind wel, maar zodra het zich weer redelijk voelt gaat het verder met spelen. Hoe groter het probleem, hoe minder er gezeurd wordt, lijkt het wel.
In die zin moet ik Mieke gelijk geven: ik heb geen enkele reden tot klagen.

12/16/2008

Enge mevrouw

Vandaag was er een brandoefening op de school van mijn kinderen en nu kan mijn dochtertje van negen niet slapen. Niet omdat ze bang is voor brand maar omdat ‘de enge mevrouw’ aan kwam lopen toen ze buiten stonden te wachten tot ze weer naar binnen konden. Ik geloof dat de schoolleiding even vergeten was dat er nog een klas buiten stond, want uit het verhaal van mijn dochtertje maak ik op dat ze daar zeker een half uur hebben staan blauwbekken. Maar ze overdrijft wel vaker een beetje.
In ons dorp woont een ‘enge mevrouw’. Mijn dochter is haar al een keer eerder tegengekomen toen ze voor het eerst alleen van school naar bijles liep en ze niet verder durfde omdat de enge mevrouw op de stoep tegen een boom stond te trappen terwijl ze riep: ‘HET IS ALLEMAAL JULLIE SCHULD, GODSAMME’.
Ik kom haar regelmatig tegen; ze is broodmager, heeft altijd een roze winterjas aan (ook in de zomer) en loopt met haar fiets aan de hand in slakkentempo door het dorp. Beetje voorovergebogen, als een zielig vogeltje dat geen vlieg kwaad doet. Maar toen ik haar een keer bij de zebra wilde helpen oversteken, begon ze te schreeuwen: ‘KLOOTZAKKEN’, riep ze, ‘VUILE KLOOTZAKKEN. GODVERDOMME, GODVERDOMME’.
De meeste winkeliers zijn niet zo blij met haar omdat ze de gewoonte heeft om een zaak binnen te lopen om vervolgens een willekeurige klant uit te schelden.
‘HOERENJONG, JE WEET HET WEL, JE WEET HET WEL. VUIL, GOOR HOERENJONG’, hoorde ik haar een keer uitvallen tegen een kalende heer van een jaar of zestig die net een pak aan het passen was.
Het is grappig hoe verschillend mensen op haar reageren. Sommigen beginnen terug te schelden; anderen doen of ze haar niet horen. Ik glimlach tegenwoordig vriendelijk tegen haar en tegen omstanders om duidelijk te maken dat ik geheel relaxed ben en wel weet hoe ik met psychische gevallen als dit om moet gaan (wat niet zo is).
De heer die het pak aan het passen was keek verontwaardigd naar de verkoper, die, zo bleek, vaker met dit bijltje gehakt had. ‘Kom Cato’, zei hij, ‘je weet dat je hier niet mag komen’. Ze draaide zich gedwee om, pakte haar fiets en droop af, maar niet nadat ze de kalende heer nog een keer ‘HOERENJONG’ had toegevoegd.
‘Ze is alleen een beetje zielig’, probeer ik mijn dochter gerust te stellen als ik op de rand van haar bed zit, ‘ze is ziek in haar hoofd, maar ze doet niks.’
‘Ik vind haar gewoon eng’, snikt ze.
‘Probeer maar aan leuke dingen te denken’, zeg ik.
‘Dat kan ik niet’, zegt mijn dochtertje.
‘Jawel’ zeg ik.
‘Aan wat dan?’ vraagt ze.
Terwijl ik nadenk over iets leuks, flitst door mijn hoofd dat ‘de enge mevrouw’ ook negen is geweest. Was ze toen nog ‘normaal’? Was ze toen ook gewoon een meisje dat niet kon slapen omdat ze bang was voor onweer of voor monsters onder het bed? Waar is het misgegaan?
‘Denk maar aan de paardenmanege’, zeg ik. Mijn dochtertje wil later, samen met haar zusje, een paardenmanege beginnen.
‘Mmmm’, zegt ze.

12/10/2008

De hartslag van de aarde (2)

Ondertussen ben ik eniszins in verwarring over DE HARTSLAG VAN DE AARDE.
De reacties op het boek zijn boven al mijn verwachtingen. Niet alleen van familie en vrienden, ook van wildvreemden; van boekhandelaren; van collega-schrijvers; van radiomakers en zelfs van een enkele wetenschapper hoor/lees ik dat ze het een prachtig boek vinden. Dat is fijn, dat is heerlijk.
Maar het rare is: het boek is nu 7 weken uit en er is niet een recensie verschenen in een landelijke krant.
Nou kan het zijn dat ik lijd aan chronische zelfoverschatting (als dat zo is lijd ik trouwens ook aan chronische zelfonderschatting; het is bij mij het een of het ander) en het is waarschijnlijk waar dat ik nogal verwend ben met de aandacht bij het verschijnen van mijn eerste roman, maar ik kan niet ontkennen dat ik teleurgesteld ben. Een beetje verongelijkt zelfs. Hoezo geen recensie? Het is toch een geweldig boek.
Ik merk dat het ook overslaat op mijn priveleven. Dingen die eerst vanzelfsprekend waren vind ik ineens onrechtvaardig: het feit dat ik de hele dag maar in m’n eentje zit te schrijven (ik ben inmiddels met een CD project bezig waarover later meer) terwijl iedereen koffie drinkt met zijn collega's; het feit dat ik ’s middags en ’s avonds de kinderen ‘doe’, terwijl mijn vriendin de hele dag leuke, interessante mensen ontmoet omdat ze voor Pauw en Witteman werkt (hoezo wilden die me trouwens niet in hun programma?): ik vind het nogal oneerlijk allemaal.
Ik vind elk boek van een Nederlandse auteur waaraan wel aandacht wordt besteed ineens ook bij voorbaat waardeloos. Ik raak geirriteerd als ik lees dat Beau van Erven Dorens is opgepakt door de politie omdat hij van de magere brug sprong ter introductie van zijn nieuwe (eerste?) roman. Goeie publiciteitsstunt. Maar waarom pakken ze mij nou nooit eens op?
Steeds vaker wens ik dat ik op een dag nog eens wereldberoemd word, niet om de aandacht, maar omdat ik dan alle recensenten en programmamakers die mij ooit hebben genegeerd een interview kan weigeren.
‘Ach, het duurt soms wel drie maanden voor ze recenseren’, zegt mijn uitgever (die het trouwens ook zo’n goed boek vindt), maar per week neemt de stelligheid waarmee ze het zegt af. Althans, volgens mij.
Misschien heeft ze gelijk en moet ik gewoon afwachten. Maar geduld is niet mijn sterkste eigenschap. Hoezo eigenlijk niet?

12/05/2008

Oplegger

Naast mijn ‘kantoor’ wordt momenteel een oude fabriekshal in nieuwe luister hersteld. Of hoe zeg je dat? Er verrijst een nieuw gebouw binnen de oude, gietijzeren constructie.
Omdat er door de werkzaamheden gebrek aan ruimte is, parkeert iedereen zijn auto daar waar het maar kan. Zo ook langs de toegangsweg naar de fabriekshal waar regelmatig een vrachtwagen vast komt te zitten tussen de aan twee kanten geparkeerde Audi’s en Volvo’s van de hippe reclamejongens en ontwerpers die hier in de buurt werken. Op een of andere manier lukt het de bestuurders altijd weer ‘los te komen’ – ik kijk er met grote bewondering naar – maar vanmiddag ontstaat er een, volgens mij, onoplosbare situatie.
Op de weg staat namelijk een oplegger strak tussen een geparkeerde Mercedes S-klasse en een gloednieuwe Jeep Cherokee, terwijl van het bouwterrein een graafmachine met rupsbanden aan komt rijden die, aan de gebaren van de opzichter te zien, op de oplegger moet. Maar dat is niet het enige probleem: de machine heeft twee bakken aan zijn arm hangen. Een die normaal bevestigd is, maar ook een die er ‘los’ aan bungelt. Ik heb het vaker gezien, kennelijk is dit de enige manier om de loodzware bakken te vervoeren.
Ik draai mijn stoel naar het raam en ga er voor zitten.
De graafmachine rijdt behoedzaam langs de auto’s. Meer dan tien centimeter ruimte aan elke kant heeft hij niet. Dat moet mis gaan, lijkt me, want zo’n machine kan niet alleen voor en achteruit bewegen, maar ook nog eens om zijn as draaien terwijl de arm van boven naar beneden kan bewegen. Een verkeerde beweging aan een hendel en de bestuurder richt voor tienduizenden euro’s schade aan.
Maar hij bereikt de oplegger zonder kleerscheuren. Nu moet de graafmachine via de smalle leggers op de vrachtwagen zien te komen terwijl hij de bungelende bak over de geparkeerde auto’s heen aan de achterkant van de oplegger moet zien te krijgen. Een schroef en een voorwaartse flikflak tegelijk.
Tergend langzaam rijdt de graafmachine naar boven, terwijl de leggers vervaarlijk doorbuigen en ik de oplegger letterlijk hoor kreunen onder het gewicht. Hoe zwaar zou zo’n ding zijn? Vierduizend kilo. Ik heb werkelijk geen idee.
Het lukt de bestuurder heelhuids ‘boven’ te komen. Nu moet hij de bungelende bak draaien. Ik vraag me af wat er van de Mercedes over blijft als er een gietijzeren bak van vijfhonderd kilo (?) op het dak valt. Zou alleen het dak indeuken of zou de hele auto platgedrukt worden? En wat zou er gebeuren als de graafmachine met zijn rupsbanden van de oplegger over het dak van de Mercedes rijdt? Bijvoorbeeld omdat de bestuurder genoeg heeft van al die dure auto’s die hem in zijn werk belemmeren. Ik heb weleens gezien hoe oude auto’s door monsterachtige machines tot het formaat van een grote verhuisdoos worden ingedrukt.
De graafmachine is inmiddels een halve slag gedraaid en hij moet nu verder ‘achteruit’. Of juist vooruit? Het zijn verwarrende begrippen bij een apparaat dat zijn bovenkant kan draaien. Alsof je romp gedraaid zit en je benen doorlopen. Loop je dan voor of achteruit?
De machine rijdt verder; de bak bungelt nog een paar keer vervaarlijk langs de auto’s, maar het gaat goed. Natuurlijk gaat het goed. De bestuurder kan lezen en schrijven met zo’n ding. Hoe lastiger de situatie, hoe liever hij het heeft.
Als alles goed staat springt hij uit de cabine en steekt tevreden een sigaret op.
Nu ik nog, denk ik en draai mijn stoel terug naar mijn bureau.

11/26/2008

Erfenis

Mijn vader belde dat een verre tante van ons was overleden en aan mijn vriendin en mij iets had gelegateerd.
‘Tante M.? vroeg ik verbaasd, ‘die was in de oorlog toch ...?’
‘Ja’, zei mijn vader.
‘Maar die heeft toch kinderen? Waarom zou ze mij iets nalaten?’
‘Ik heb geen idee’, antwoordde hij.
‘Wat is het dan?’, vroeg ik.
‘Dat weet ik vanmiddag pas als ik bij de notaris zit. Ik moet alleen even weten of je het accepteert.’
Ik zag geen reden om dat niet te doen. Ik vond het eigenlijk wel spannend: iets krijgen van iemand die je nauwelijks kent.
Ik bleef er de hele verdere dag mee bezig.
Zou ze gebrouilleerd zijn met haar kinderen? Of zou ze het uit filantropische overwegingen hebben gedaan? Had ze gedacht: zo’n arme artiest moet je steunen?
Ik had haar in mijn leven maar een keer ontmoet, na een voorstelling in Zutphen, dus dat zou kunnen.
Al naar gelang de dag vorderde werd de vraag WAAROM ze mij iets had nagelaten verdrongen door de vraag WAT ze me had nagelaten.
Misschien was ze steenrijk en erfden wij haar juwelen. Of haar zilver; of haar schilderijen. Misschien liet ze ons haar huis na. Hoe woonde ze eigenlijk? Op een landgoed, meende ik mij te herinneren.
Ik zag mezelf al rond rijden in een nieuwe BMW 1 cabriolet, die ik makkelijk had kunnen betalen uit de opbrengst van de nalatenschap. Waarschijnlijk kon ik er meerdere kopen.
Toen mijn vriendin thuis kwam vertelde ik haar van de erfenis.
‘Tante M.?’, vroeg ze, ‘die ken ik niet.’
Ik vertelde dat ik ook niet veel meer wist dan dat ze fout was geweest in de oorlog.
‘Dan hoef ik het niet’, zei mijn vriendin beslist.
‘Ach kom’, zei ik verbaasd, ‘die oorlog is al zo lang geleden.’
‘Maakt niks uit’, zei ze, ‘ik hoef het niet’.
Enigszins gegeneerd dat ik zelf geen moment aan de mogelijkheid had gedacht om de nalatenschap te weigeren, zei ik: ‘Je hoeft iemand toch niet af te rekenen op fouten die ze vijfenzestig jaar geleden heeft gemaakt.’
‘Ik wil er gewoon niks mee te maken hebben.’
‘Maar je weet toch helemaal niet wat het is’, probeerde ik, ‘mischien zijn het wel juwelen’.
‘Gadverdamme’, zei ze met een vies gezicht, ‘dan heeft ze die in de oorlog vast gestolen van Joden.’
Ik zag de droom van mijn nieuwe BMW uiteen spatten.
‘Het spijt me’, zei ik, ‘ik heb het al geaccepteerd en mijn vader zit nu bij de notaris, dus ik kan er niets meer aan veranderen.’
‘Dan neem jij het maar’, volhardde mijn vriendin, ‘ik hoef het niet’.
‘Ook niet als het haar huis is?’ vroeg ik.
‘Dan ook niet.’
Die avond belde mijn vader.
‘Ze heeft je iets heel aardigs nagelaten’, zei hij.
'Wat dan?' vroeg ik.
‘Vier tinnen schaaltjes.’
‘Oh’, zei ik, ‘tinnen schaaltjes.’

11/17/2008

Weeva

Ik herkende het hotel, waar ik de nacht ging doorbrengen pas toen ik ervoor stond. In de tijd dat ik hier studeerde heette het alleen nog niet ‘Martinihotel’, maar ‘Weeva’: Wonen En Eten Voor Allen. Het Weeva was een begrip in Groningen vanwege de legendarisch lage kamerprijs en de dienovereenkomstige staat van de kamers. WC en douche waren op de gang; de meeste kamers hadden drie of vier bedden met een diepe kuil in het midden en het kon gebeuren – in geval van grote drukte - dat je met wildvreemden op de kamer sliep. Kortom een socialistisch rolmodel-hotel.
Maar de tijden zijn veranderd en aan de buitenkant is niets meer van deze oude tijden terug te vinden; de gevel zit strak in de lak; het hotel wordt mooi uitgelicht en de grote entreedeur is indrukwekkend.
Ook aan de foyer en de eetzaal, die ik door moet voor ik bij de receptie kom, zie ik dat er een andere wind waait: het is ziet er allemaal redelijk modern uit. Alleen de oude prenten aan de muur laten vrijwel allemaal het oude hotel zien.
De receptionist is buitengewoon vriendelijk en ik ben ingecheckt voor ik het weet. Sterker, ik ben nog nooit zo snel in een hotel ingecheckt. Even later realiseer ik mij dat hij mij niet om een paspoort of rijbewijs heeft gevraagd. Zou hij dat misschien doen uit solidariteit met gasten zonder vaste woon of verblijfsvergunning? Zodat iedereen hier kan logeren?
Mijn kamer is op de tweede verdieping. Het is klein maar het heeft een badkamer met douche, een wc en wastafel; er staan twee bedden zonder kuilen, er is een zitje met een keurige tafel, een stoel, er staat een bureautje en er hangt een TV. Alles is schoon en alles werkt. Kortom, mijn kamer heeft alles wat een hotelkamer vandaag de dag moet hebben.
Maar toch ruik ik door het moderne interieur het oude socialisme nog. Er hangt de geur van zwembad WC’s; de bedlampjes zijn in de achterwand ingebouwde TL buizen die zo’n hard licht verspreiden dat elke mogelijke gedachte aan een romantische nacht direct in de kiem gesmoord wordt; de gordijnen zijn kanariegeel en vloeken met de blauw/paarse vloerbedekking (dat zie ik zelfs); de tafel en het bureau zijn van het aller-Ikeaaste beukenfineer en het analoge TV-tje hangt op zo’n rare, hoge plek dat je je nek verrekt als je er langer dan vijf minuten naar kijkt. Alsof alles uitgekozen en opgehangen is om er voor te zorgen dat je vooral niet geniet. Omdat genieten niet solidair is met mensen die geen geld hebben om te kunnen genieten?
De oude geest van het Weeva heeft zich nog niet heeft laten verdringen.
Ik slaap overigens heerlijk in mijn kamer die gelukkig geen airconditioning heeft en waar het raam nog gewoon wagenwijd open kan. Een hotel is er om in te slapen. Dat hadden ze vroeger goed begrepen.

11/04/2008

Uit de oude doos (2)

Jaren geleden traden Alberto en ik nogal eens op voor Nederlanders in den vreemde. Zo speelden wij onder andere in Oman, Thailand, Brunei, Nigeria en, twee keer, in Syrie.
De afspraak was simpel: wij deden een optreden, zij betaalden reis en verblijfkosten, wat meestal inhield dat we een week lang in een goed hotel zaten en een auto met chauffeur ter beschikking hadden.
De eerste keer dat we in Syrie speelden werden we van het vliegveld opgehaald door de voorzitter van de Nederlandse vereniging. Toen we van de aankomsthal naar buiten liepen nam hij me even apart.
‘Je moet de naam van de president (Assad, de vader van de huidige) hier niet noemen’, zei hij, ‘niet in een auto, niet in je hotelkamer. Nooit. Alle telefoonlijnen worden getapt; elke chauffeur is een informant; elke hotelkamer wordt afgeluisterd. Je moet zelfs niet naar zijn beeltenis wijzen.’ Vooral dat laatste was goed om te weten want werkelijk overal op straat en in elke openbare ruimte hingen foto’s van de man.
Toen wij de avond erna bij hem en zijn gezin aten begreep ik dat de Nederlanders die er woonden een goeie oplossing hadden gevonden voor dit afluisterprobleem. Assad woonde namelijk in een groot, grijs paleis boven op een berg, uitkijkend over Damascus. Als zij het over hem hadden, spraken zij over Pietje van den Berg.
Op de derde avond vond ons optreden plaats tijdens een groot diner waarbij ook de ambassadeur aanwezig was. Het toeval wilde dat ik in dat programma een verhaal had over een koning die op een berg woonde. Het was maar een kleine aanpassing om deze decadente, gestoorde koning Pietje van den Berg te noemen. Omdat ik het altijd leuk vond om op de situatie in te spelen begon ik de voorstelling met het optillen van borden en het weghalen van schilderijen zogenaamd om te checken of er ergens een microfoontje verborgen zat.
In de pauze kwam een assistent van de ambassadeur naar de kleedkamer om mij met klem te vragen geen verwijzingen meer te maken naar de president danwel naar het land. Enigszins verongelijkt, ik was immers cabaretier en die laat zich door niemand de les lezen, althans niet zolang er niets op het spel staat, besloot ik daar gehoor aan te geven, ook al omdat mijn verhaal over de koning toch al ten einde was.
De voorstelling verliep na de pauze verder goed tot ik vlak voor de toegift nog even op de situatie terug kwam. ‘Heeft de ambassadeur ondanks alles toch genoten?’ vroeg ik. Beetje flauw. Maar ja, ik was nou eenmaal cabaretier.
De ambassadeur stond op van zijn tafel. ‘Je weet niet waar je het over hebt’ zei hij geergerd, ‘je begrijpt er helemaal niets van. Dit is een gevaarlijk land, jongen, je kan hier zo in de gevangenis belanden’. Vervolgens beende hij, zijn gevolg met zich meenemend, boos de zaal uit.
Bedremmeld deden Alberto en ik onze toegift.
Na de voorstelling kwam de voorzitter naar onze kleedkamer toe. ‘Het spijt me’ zei hij, ‘ik had jullie moeten waarschuwen. Heb je die twee mannen met snorren achter in de zaal gezien? Die waren van de Syrische inlichtingendienst. Ik vermoed dat de ambassadeur zich geroepen voelde in het openbaar afstand te nemen van jouw optreden.’
‘Sorry’, zei ik.
‘Kon je niet weten’, zei hij, ‘het probleem is nu alleen dat ik niet zeker weet of je de komende dagen nog veilig bent in Syrie.
Ik schrok. ‘Hoezo?’ vroeg ik.
‘Als die mannen van de inlichtingendienst dit voorval melden kan het zijn dat ze je komen opzoeken.’
Even zag ik mijn luxe reisje – we zouden nog twee interessante excursies doen - vroegtijdig beeindigd worden, maar andere Nederlanders die zich inmiddels in de kleedkamer hadden verzameld meenden dat het zo’n vaart niet zou lopen.
‘Ik blijf wel’, zei ik stoer. Ik had toen nog geen kinderen.
De dagen erna verliepen zonder problemen.
Ik was het incident alweer vergeten toen wij teruggingen naar Nederland en ik, ingecheckt en wel, bij de gate op een stoel zat te wachten tot we het vliegtuig in mochten.
Ineens werd er op de glazen wand achter mij geklopt. Ik draaide me om en zag een politieman en een man in burger. Ze wezen op mij en gebaarden dat ik naar de uitgang moest lopen. Bedoelen jullie mij, wees ik nog. Ja, ze bedoelden mij. Het hart klopte in mijn keel toen ik naar de uitgang liep.
‘You come with us’, zei de agent.
‘Why?’, vroeg ik.
‘You come with us’, zei hij weer, nu wat harder.
‘But why?’, vroeg ik.
‘YOU COME WITH US’, blafte hij.
Ik zag het al voor me: een grot middenin de woestijn waar ik achter een stalen hek mijn dagen in eenzaamheid zou slijten. Toen vroeg de man in burger ineens: ‘You took taxi from the Meridian?’
‘No’, zei ik, ‘I wasn’t in the Meridian.’
‘Yes, you took taxi and didn’t pay.’
‘No’, zei ik, ‘I was in the Landmark hotel. Here, look but.’ (mijn Engels bezweek onder de stress). Ik pakte het reserveringsformulier uit mijn jaszak en liet het zien.
De agent bekeek het, liet het aan de andere man zien en zei: ‘Mmmm’. Daarna draaide ze zich om en liepen weg.
Er is een groot verschil tussen een grap maken in Nederland of in het Midden Oosten.

10/27/2008

De hartslag van de aarde

Afgelopen donderdag was de presentatie van ‘De hartslag van de aarde’. Ik had ongeveer honderd man uitgenodigd waarvan de helft ook daadwerkelijk was gekomen. Geen duur etablissement; geen dure hapjes; geen BN-er om het boek in ontvangst te nemen, maar gewoon bitterballen en bier op de bovenste verdieping van de uitgeverij om samen met mijn familie en vrienden te vieren dat het werk gedaan is. Een beetje als de vrijdagmiddag borrel na afloop van een week hard werken.
Mijn onvolprezen redacteur hield een geweldige speech onder andere over het Jeckyll and Hyde syndroom waaraan ik zou lijden. Ik moest bekennen dat ik het nooit gelezen had (al zei ik dat niet), maar ik begreep de strekking: het was mijn redacteur opgevallen dat mijn romanpersonages gedurende het schrijfproces steeds minder extreem werden. Wat, zo vroeg ze zich af, zegt dat over de auteur? Hoe extreem is hij eigenlijk onder de oppervlakte?
In dat kader had ik me voorgenomen om flink te gaan drinken, temeer de kinderen onder de pannen waren en mijn vriendin en ik die avond in een hotel honderd meter verderop sliepen, maar ineens bleek dat ik na de presentatie nog naar ‘Met het oog op morgen’ moest. Derhalve beperkte ik me tot het innemen van een paar glazen wijn direct bij het begin van de presentatie omdat dat altijd iets ongemakkelijks heeft: te weinig mensen in een te grote ruimte. Vanaf acht uur geen druppel meer gedronken en uiteindelijk om half elf met de taxi naar een uitgestorven Mediacentrum in Hilversum waar ik geinterviewd werd door Lucella Carasso.
Daarna terug naar het hotel waar ik de slaap niet kon vatten door alle opwinding en door het feit dat de liftschacht zich ongeveer in onze kamer bevond en er, zo bleek, best veel mensen hun bed pas middenin de nacht opzoeken. Vooral hardsprekende Engelsen.
De volgende morgen weer naar huis en me gedurende de dag enigszins verbaasd over het feit dat de telefoon niet roodgloeiend stond. Ergens heb je toch de naieve hoop dat iedereen die bij de presentatie was die nacht het boek in een ruk uitleest.
Zaterdagochtend opnieuw naar een vrijwel uitgestorven Mediacentrum waar ik werd geinterviewd door Mieke van der Weij in de TROS nieuwsshow. Het was een leuk gesprek al merkte ik, toen ik het terug hoorde, dat het meer een monoloog was. Zo kort als de zinnen in mijn boek zijn, zo lang zijn ze als iemand mij een vraag stelt.
Tot slot nog dit: de eerste tien lezers die een mailtje sturen naar agreven@uitgeverijcontact.nl ontvangen een gratis exemplaar van ‘De hartslag van de aarde’. Met als bedoeling dat je er na lezing en welbevinden reclame voor maakt. Want mijn uitgever is natuurlijk ook een beetje Jeckyl and Hyde.

10/16/2008

Uit de oude doos (1)

Mijn gedachten gingen terug naar de tijd dat Alberto en ik ons eerste avondvullende programma speelde, halverwege de jaren negentig.
Ons impressariaat had voor een indrukwekkende speellijst gezorgd alleen, zo bleek tijdens de tour, waren de lokaties waar wij speelden minder indrukwekkend. We stonden nogal eens in jongerencentra, buurthuizen en theatertjes die gerund werden door vrijwilligers.
Vooral die laatste kunnen slopend zijn.
Omdat ik geen geld had voor een eigen technicus ging ik op de dag van een voorstelling ’s middags al vroeg naar het theater om alles uit te leggen. Ik had de voorstelling woordelijk uitgeschreven, zodat de technicus die ’s avonds het licht zou doen wist wanneer hij een nieuwe stand in moest zetten. Dan stond er bijvoorbeeld: ‘Na de zin “Ik ben een hond die zijn stok niet kan vinden” langzaam uitfaden. Na drie tellen stand 22’.
Het ging regelmatig mis. Dan bleef ik aan het eind van een gevoelig nummer in het volle licht staan, terwijl het even later middenin een act ineens donker werd.
Professionele technici herstelden hun fout over het algemeen snel, maar vrijwillige technici bleven vanaf dat moment konsekwent het lichtplan een stap te laat of te vroeg uitvoeren, zodat wij soms, ten einde raad, maar een nummer oversloegen om weer synchroon te lopen met het licht.
Overigens maakte dat voor de reactie na afloop niets uit. Zelfs na een desastreus verlopen voorstelling kwam de vrijwilliger lachend naar ons toe om te zeggen: ‘Ging goed, he? Ja, jullie zaten even fout, maar verder vond ik het geweldig.’
Op een dag speelden wij in een plaatsje waarvan de naam mij ontschoten is. Ik had, zoals altijd, het lichtplan een maand van tevoren opgestuurd en een week later nog even nagebeld met de vraag of het allemaal duidelijk was. ‘Ja hoor’ zei de vrolijke vrijwilliger aan de andere kant van de lijn, ‘maak je geen zorgen, komt hee-le-maal goed.’ Ik weet nu dat als iemand dat zegt je je pas echt zorgen moet maken.
Toen we aankwamen zag ik dat we in een gymzaal annex balletzaal speelden. Ik keek naar boven en zag dat er nog geen spot hing en zelfs het grid (de buizen in het plafond waaraan de lampen hangen) kon ik nergens vinden.
‘Er was toch licht?’ vroeg ik enigszins bevreesd.
‘Jazeker’, lachte de te dikke, zwetende man die Henri bleek te heten, ‘kijk maar’ en hij liep naar schakelaar naast de deur en deed de TL-lichten aan en weer uit.
Toen ik nogal teleurgesteld reageerde, zei hij: ‘Wacht even’ en hij liep weg. Even later kwam hij terug met een huishoudtrap en een diaprojector. Hij zette de projector op de trap.’Kijk’, zei hij lachend, ‘een spot’.
Ik zag in dat kwaad worden de zaak alleen maar erger zou maken en besloot me bij de situatie neer te leggen.
Het enige probleem van de ‘spot’ was dat hij enorm reflecteerde in de spiegelwand zodat de mensen in ‘de zaal’ verblind zouden worden. ‘Geen probleem’ lachte Henri en hij trommelde vijf medevrijwilligers op die de spiegelwand met landbouwplastic begonnen af te plakken.
Nadat wij een pizza hadden gegeten werden de stoelen neergezet en om acht uur kwam het publiek binnen. Het TL-licht ging uit en Alberto en ik speelden onze voorstelling in het licht van de dia-projector terwijl achter ons, onder invloed van de hitte van de lamp, het plakband begon los te laten . Per nummer zakte een deel van het landbouwplastic verder naar beneden zodat het publiek ons de tweede helft van de voorstelling met toegeknepen ogen wezenloos aan zat te staren.
‘Ging goed, he?’ zei Henri na afloop.
‘Ja’, zei ik, ‘lekker gespeeld.’
Henri knikte: ‘Alleen jammer dat je geen grap maakte over dat landbouwplastic.’

10/10/2008

Verval

Dit najaar geef ik weer een aantal gastcolleges ‘Liedtekst schrijven’ aan het conservatorium van Groningen. Om de studenten ter voorbereiding alvast wat voorbeelden van goede teksten mee te geven struinde ik youtube af.
Gevaarlijk, want voor je het weet verzand je.
Zo bleef ik een middag hangen bij the Beatles. Vooral de documentaire ‘Let it be’ waarbij ze worden gevolgd bij het opnemen van hun plaat is prachtig omdat het verval dan al is ingetreden. Niet muzikaal gezien, in tegendeel, maar je ziet dat het samenwerken nauwelijks meer gaat. Er is dan al eindeloos veel ruzie geweest, Yoko Ono zit er permanent ‘dominant afwezig’ te zijn (een term die ik een keer hoorde van iemand die cursussen ‘doorgaan met ademhalen’ geeft) en er zijn spanningen omdat er de hele tijd camera’s bovenop zitten.
Kijk maar eens naar de opname van ‘The long and winding road’: McCartney zit aan de vleugel en kijkt naar het velletje papier dat voor hem staat; Harrison staart voornamelijk naar beneden; Lennon zit verscholen achter zijn bos haar en Starr kijkt een beetje stuurs om zich heen. Ze kijken geen moment naar elkaar. Ze willen er niet zijn, maar ze zitten er toch. Je vraagt je af, waarom?
Omdat ze nog steeds prachtige liedjes maakten, denk ik. Ze waren nog steeds verliefd op hun muziek, dus ze moesten wel. Zoals gescheiden ouders nog met elkaar omgaan omdat ze nou eenmaal kinderen hebben. Juist die wrijving maakt het zo mooi.
Ik vergat de colleges die ik moest voorbereiden en klikte van het ene fragment naar het andere en voor ik het wist zat ik te kijken naar de aankondiging op ABC van het nieuws dat Lennon was neergeschoten. En naar de reactie van McCartney daarop; naar McCartney die ‘Here today’ zingt (een lied over Lennon) en in tranen uitbarst; naar McCartney die aan komt rijden over een zandpad en de pers te woord staat als Harrison is overleden.
Ik wilde nog meer verval zien: Simon and Garfunkel voor het eerst weer samen bij David Letterman: onherkenbaar oude mannen. Ik vroeg me af wat Garfunkel al die jaren heeft gedaan, behalve ‘Bright eyes’? En waaraan dacht hij toen hij daar weer stond te zingen met zijn oude soulmate die na het opbreken van S & G nog tien prachtige platen maakte?
Nog meer verval: Ricky Lee Jones die in 2007 ter promotie van haar nieuwe album ‘Sermon on exposition boulevard’ een liedje zingt. Het verhaal gaat dat ze na haar eerste vier – briljante - platen ruim tien jaar lang niet veel anders heeft gedaan dan spullen in haar neus stoppen.
Er zit schoonheid in verval juist omdat het eerst wel mooi was. Lelijk is iets anders: lelijk is leeg. Verval is iets dat niet meer mooi is.
Iemand die een slecht liedje schrijft is niet interessant. Iemand die een slecht liedje schrijft maar vroeger prachtige dingen maakte is dat wel.

9/26/2008

Mannetjes

Ik begreep vorige week pas hoe de bankwereld in elkaar zit.
In de Verenigde Staten was Lehman Brothers omgevallen door jarenlang mismanagement en hebzucht van de top maar dat weerhield andere banken er niet van ‘het talent’ onder de ontslagen managers van de failliete bank weg te kopen. Hun bonussen, die vaak tien miljoen euro per jaar bedragen, werden als eerste veilig gesteld.
Met andere woorden: de mannetjes die het meest hun best hebben gedaan om hun bank naar het faillissement te helpen en die al jaren in Porsches en Ferrari’s rondrijden hoeven niet te vrezen.
Opportunisme, noem je dat met een vriendelijk woord. Obsceen, kan je ook zeggen.
Net zoals het reddingsplan van de Amerikaanse regering in feite de foute mensen beloond. Juist de mannetjes die de afgelopen jaren alleen maar aan zichzelf hebben gedacht en die zichzelf met enorme bedragen verrijkt hebben worden gered.
‘Ja maar als je dit niet doet stort alles in elkaar’, werd zo’n mannetje in de krant geciteerd.
Dat is precies hoe opportunisme werkt: je helpt de boel de vernieling in en staande op de rokende puinhopen zeg je: ‘Ik moest maar weer eens opstappen.’
Opportunisme is het ontbreken van elk verantwoordelijkheidsgevoel; daar willen zijn waar het leuk is en anders vertrekken.
Opportunisme is het onbreken van ieder besef van realiteit. Voor de goede orde: een manager met een bonus van tien miljoen euro verdient alleen al aan die bonus tweehondervijftig keer zoveel als de onderwijzer die mijn zoontje les geeft. Nou wil ik geloven dat hij hard werkt en over veel geld beslist, maar ik blijf een goede onderwijzer een stuk belangrijker vinden dan iemand die goed (foute) leningen kan verkopen.
En het gaat niet alleen om de top. De logica is volstrekt zoek als ook een middelmatig manager bij een bank tien of twintig keer zoveel verdient als een verpleegster.
Maar het probleem met mannetjes is dat ze het gewoon vinden en dat hun baas ook een mannetje is en dat zijn collega bij de andere bank ook een mannetje is. Bijna iedereen die succesvol is en veel geld verdiend verliest de realiteit uit het oog.
Het is aan de onderwijzers, de verplegers en aan al die mensen die een beroep hebben dat er wel toe doet om zich niet af te laten leiden en door te gaan met waar ze mee bezig zijn. Waar zouden we zonder hun zijn?

9/16/2008

Laf

Gisteravond was schrijver/journalist Peter Middendorp te gast bij P&W. Ik kende hem alleen van een uitgebreid stuk over Ferry Mingelen en over het Haagse gedoe. Ik vond het artikel weliswaar te makkelijk op de man gespeeld, maar aan de andere kant stelde hij een belangrijke vraag aan de orde, namelijk: is de parlementaire pers niet teveel verweven met de politiek?
Hoe kon het dat hij Mingele nooit op de perstribune zag zitten en er toch elke avond weer een item in Nova/Den Haag Vandaag bleek te zijn? Een item waarover hij in de kamer die dag niets gehoord had. Werd er niet teveel bekokstoofd tussen politici en journalisten? Waarom hingen ze allemaal steeds in Nieuwspoort rond?
Dezelfde thematiek als Joris Luyendijk beschrijft als het om journalistiek werk in het Midden Oosten gaat.
Maar Middendorp is geen Luyendijk. Hij wil namelijk, zo begreep ik bij P&W, liever schrijver zijn dan journalist. En schrijvers moet je niet vertrouwen als het om feiten gaat. Een schrijver heeft als hoogste doel een mooi verhaal te schrijven.
Net zoals je een cabaretier ook nooit moet vertrouwen in zijn engagement: zijn eerste en enige doel is een grap te maken die scoort.
In zijn latere columns probeert Middendorp te scoren. Hij beschrijft hoe fractievoorzitter Hamer op borrels altijd naast de bitterballen zit en hoe ze die vervolgens in haar mond propt; hij schrijft over Henk Kamp die hij ’s avonds laat op straat tegenkomt en die schichtig in de winkelruit naar hem kijkt. Vermakelijk, dat wel, maar ook flauw, want hoe moeten bovengenoemde personen zich hiertegen verweren?
Middendorp verweert zich door te zeggen dat hij niet aan journalistiek doet. Juist ja, je schrijft over bestaand (bekend) persoon, het speelt zich af op een plaats waar die persoon zich ook daadwerkelijk bevindt, op een tijdstip dat hij/zij daar ook was, maar het is niet echt. Ceci n’est pas une pipe.
Gisteravond was ook Pechtold te gast over wie Middendorp recentelijk een flauwe column schreef. De wijze waarop hij reageerde op het feit tegenover hem te zitten sprak boekdelen: hij bleef maar draaien op zijn stoel; wegkijken; ‘uuhh’ zeggen. Een schuldbekentenis, anders kon ik het niet uitleggen. Een puber die net te hard tegen z’n vriendjes zegt dat ‘die lul daar een homo is’ en die, nu die jongen verhaal komt halen zegt: ‘Neuh, dat ging niet over jou.’
Middendorp moet een keuze maken: of hij is journalist en hij houdt zich bij de feiten of hij is schrijver. Maar dan zal hij toch echt meer afstand van de werkelijkheid moeten nemen. De vorm die hij nu hanteert is vooral laf.

9/08/2008

De Wilders in jezelf

Alhoewel ik het verwerp is het nog te begrijpen dat een politieman die een ruzie sust bedreigingen naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Maar een ziekenbroeder die uitgerekend bezig is het leven van jouw familielid te redden dood wensen is niet alleen onbegrijpelijk; het is vooral angstaanjagend. Het illustreert namelijk dat de jongeren die dit doen helemaal niets gemeenschappelijks meer hebben met een geciviliseerde samenleving als de onze.
De reacties op de gebeurtenis zijn heftig. En terecht. Job Cohen liet zich voor zijn doen zeer uitgesproken uit over Marokkanen; Geert Wilders reageerde door te stellen dat de ouders van deze jongeren mee de gevangenis in moeten en Kader Abdollah schreef een prachtige, emotionele column in de Volkskrant waarin hij Cohen adviseert: ‘Pak hen, pak die jongens twee keer harder aan dan andere Amsterdamse jongeren. Sluit ze op in kazerne en leer ze met harde hand hun hoofd te buigen voor de omgangsvormen van de stad’.
Over de uitspraken van Wilders zal morgen ongetwijfeld wel weer ophef ontstaan, over Abdollah zal je niemand horen; laat staan over Cohen. Wat maar weer aantoont dat het om de boodschapper gaat, niet om de boodschap want die is gelijk.
Ik denk dat ik de verklaring heb voor de heftige reacties die Wilders bij mensen oproept. Hij zegt wat (bijna) iedereen denkt, maar wat we niet willen dat we denken. Wilders is het nare duiveltje in je hoofd dat woorden roept die niemand anders durft te roepen. Dat ‘correcte’ mensen zich anders voordoen dan ze zijn wordt keer op keer bewezen. Zo kregen we een paar jaar geleden een mooi inkijkje in in het zieleleven van Rob Oudkerk, toen hij dacht dat de microfoon uitstond en sprak over die ‘Kutmarokkanen’; zo wordt er ieder jaar wel een Brits conservatief lagerhuislid ontmaskerd als homoseksueel of schuinsmarcheerder en wordt er met enige regelmaat een Amerikaanse priester gearresteerd wegens pedofilie.
Hoe strenger in de leer, des te ongeloofwaardiger iemand wordt.
Waarmee ik niet wil zeggen dat je alles maar moet zeggen, integendeel. Een beschaafde samenleving valt of staat met zelfbeheersing. Maar het is wel slim om onder ogen te zien dat iedereen in de krochten van zijn ziel een Wilders heeft zitten die op dagen dat ambulancepersoneel met de dood bedreigd wordt begint te roepen. Met Job Cohen en Kader Abdollah bevind je je in goed gezelschap.

9/01/2008

Dichters

Er zijn twee liedteksten van mij opgenomen in een dichtbundel voor kinderen van Querido, wat ik vooral een eer vind omdat ik nu tussen de door mij zo bewonderde Rob Chrispijn en Toon Tellegen sta.
Ted van Lieshout, de samensteller, vroeg mij om bij de presentatie in de theaterzaal van de Openbare Bibliotheek twee liedjes te zingen, te weten: ‘Bart, Tom en ik’ (waarvan de tekst in de bundel is opgenomen) en ‘Contract’, dat er niet in staat.
Er is met ‘Contract’ iets raars aan de hand: het is veel bekender dan ik. Dat merkte ik ook weer bij deze presentatie: bijna iedereen kent het, maar niemand weet dat het van mij (en Alberto) is. Het verschijnt de laatste tijd ook op de ene na de andere verzamel CD, terwijl het al 10 jaar oud is en indertijd helemaal niet zo lang in de hitlijsten heeft gestaan. Kennelijk is het blijven hangen.
Ik aarzelde toen mij gevraagd werd het te zingen, maar natuurlijk ging ik uiteindelijk wel akkoord. Die aarzeling is namelijk een beetje voor de vorm. Ik vind het genant om nog steeds op dat ene lied te teren, maar aan de andere kant is het heel prettig dat mensen direct weten wie je bent. In die zin heeft het lied de leiding overgenomen: het neemt mij bij de hand en stelt me voor. In plaats van omgekeerd.
De presentatie was overigens veel levendiger dan ik me had voorgesteld. Ik dacht dat dichters teruggetrokken Walter de Rochebrune types waren die slechts na lang aandringen van hun uitgever uit hun tuinhuis gekropen kwamen. Maar niets is minder waar. Ik heb me geen moment verveeld ondanks het feit dat zeker twintig dichters hun gedichten kwamen voorlezen.
Helaas waren Rob Chrispijn en Toon Tellegen er niet. Daarom hier nog maar even enkele favoriete regels:
'Jij had ogen met uitzicht op zee/die me nooit hebben aan gekeken/Jouw billen in een spijkerbroek, daar zijn geen woorden voor/Nou ja, de eerste paar weken' (Chrispijn) en;
'Ik trok een streep/tot hier, nooit ga ik verder dan tot hier/Toen ik verder ging trok ik een nieuwe streep/ en nog een streep' (Tellegen)

8/22/2008

Envelop

Mijn hotelkamer heeft uitzicht op de achterkant van paleis Noordeinde. Ik leg mijn spullen – wat kleren, een lap-top en een grote envelop – op tafel en loop naar beneden. Eerst even door het park wandelen dat aan het paleis grenst. Het paleis is aan de achterkant veel groter dan aan de voorkant. De koningin is er, zie ik, want de vlag hangt uit.
Eenmaal terug in mijn hotel haal ik bij de receptie een krant en neem hem mee naar boven. Ik ga op mijn bed zitten en kijk naar de envelop.
Daarna lees ik over de strijd in Georgie; over de affaire Duyvendak en de gouden race van de zwemdames. Halverwege val ik in slaap.
Als ik wakker schrik is het half zes. Omdat het nog te vroeg is om te gaan eten lees ik een paar hoofdstukken in ‘De recht op terugkeer’ van Leon de Winter. Tegen achten pak ik de envelop en verlaat mijn kamer op zoek naar een restaurant. Ik kom uit bij Dudok: een grand cafe waar ik gegrilde Griet met friet eet.
Als ik klaar ben is het half tien. De envelop zit nog onaangeroerd in mijn tas en ga ik terug naar het hotel. De televisie in de lobby staat op eurosport. Ik kijk naar simultaan schoonspringen, wat een knappe maar belachelijke sport is. Het interesseert me niets, maar ik blijf zitten tot ver na elven om daarna te besluiten dat het echt te laat is om nog wat te doen..
Ik ben vreselijk aan het uitstellen. Ik heb drie nachten een hotel gereserveerd om mijn boek te lezen. Dat wil zeggen, de laatste versie; de bijna-definitieve versie; versie ‘boek 15b’. De versie waarover ik moet oordelen: wordt dit de definitieve?
Ik heb tijdens de vakantie express mijn computer thuis gelaten en ik hoop dat ik nu genoeg afstand heb om het te kunnen beoordelen.
Maar wat als ik het niks vind?
Ik begin er morgen aan, na het ‘Parkhotel 4 stars’ ontbijt.

6/19/2008

KPN

Helpdesk KPN zakelijk, met Jacqueline Lamans.
Ja dag, met Arthur Umbgrove. Ik heb een internet plus abonnement aangevraagd en ik krijg vandaag twee brieven: in de ene staat dat de aanvraag is afgewezen en in de andere dat hij geaccepteerd is.
Wat is uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Daar kan ik niks op vinden, hebt u een order nummer?
Ja, 874502986
Dat is een aanvraag voor particulier.
Ja, maar ik heb een zakelijk abonnement aangevraagd.
Er staast hier dat het om een particuliere aanvraag gaat.
Hoe kan dat nou?
Meneer, ik heb geen idee. Ik geef u het nummer van de particuliere helpdesk

Ja dag, met Umbgrove. Ik heb een internet plus abonnement aangevraagd en nu hoor ik van uw collega dat het om een particuliere aanvraag gaat.
Wat is uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Daar kan ik niks op vinden. Hebt u een ordernummer?
874502986
Die aanvraag is afgewezen.
Afgewezen? Hoezo?
Dat kan ik hier niet zien, meneer. Dan moet u opnieuw bellen en in het keuzemenu eerst een 5 en dan een 3 toetsen.

Umbgrove. Mijn aanvraag is afgewezen. Kunt u me vertellen waarom?
Wat is uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Heeft u een ordernummer?
874502986
Wat is het nummer van uw analoge telefoon
023-5487345
Dat is van de Praxis aan de Bellamyweg
Pardon?
U werkt daar niet?
Nee. Hoe kan dat nou; vorige maand is hier een monteur geweest die een lijn heeft aangesloten en nu blijkt het van de Gamma te zijn
Praxis.
Ja precies.
U kunt het beste de aanvraag annuleren en een nieuwe aanvraag doen
Ja, dan moet ik weer een maand wachten. Kunt u dat niet in orde brengen?
Ik kan hier alleen orders volgen en die van u is geannuleerd.
Ja maar, dat is toch niet mijn fout.
Ik heb geen idee, meneer.
Nou, annuleert u de aanvraag maar.
Dat kan ik niet, dan moet u bij de helpdesk zijn, die kunnen het annuleren,

Ik wilde graag mijn aanvraag voor een abonnement internet plus bellen annuleren.
Mag ik uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Daar kan ik niks op vinden. Hebt u een ordernummer?
874502986
Mag ik u vragen waarom u uw aanvraag wil annuleren?
Omdat ik al anderhalve maand bezig ben een abonnement te krijgen en dat maar niet lukt en ik helemaal gek wordt van jullie.
Wilt u een klacht indienen?
JA
Dat moet dan schriftelijk. Ik zal u het adres geven.
En gebeurt daar dan wat mee?
Ik heb geen idee, meneer.
Laat maar, annuleert u mijn aanvraag nou maar, dan ben ik van jullie af.
Wat was ook al weer uw postcode en huisnummer?

6/10/2008

Alleen eten

Afgelopen vrijdag samen met Alberto het lied ‘Alles scheef’ gezongen bij de opening van de tentoonstelling over mensenrechten en de Olympische Spelen georganiseerd door Amnesty International in Kamp Vught.
Door een lange file op de A2 bijna te laat om te soundchecken wat achteraf helemaal niet nodig bleek, omdat 1 minuut voor aanvang de geluidsinstallatie het begaf, zodat we alles akoestisch moesten doen.
Staatssecretaris Bussemakers kwam ook te laat (zelfde file), maar was gelukkig nog net op tijd om de opening te verrichten. Er was veel belangstelling van media; veel foto en videocamera’s. Maar goed dat Theo Maassen er niet was.
Daarna door naar Eindhoven om een concert bij te wonen van collega/vriend Gerard van Maasakkers en voor het eerst sinds lange tijd at ik weer eens alleen in een restaurant. Een Chinees restaurant aan een markt, waar ik, toen ze doorhadden dat ik alleen was, doorgestuurd werd naar de tweede verdieping, terwijl er op de begane grond en op een hoog maar een paar mensen zaten. Kennelijk was dit de ‘kneusjes’ verdieping want eenmaal boven zag ik dat er nog twee eenzame mannen achter een biertje voor zich uit zaten te staren.
Het was een echte Chinees: systeemplafond met gouden naden; versleten, rode vloerbedekking; een schilderij van een waterval met lichtjes; een witte ventilator in de vensterbank en door de boxen klonk Chinese Rock and Roll.
Ik bestelde een kippensoep en een Tjap Tjoy en bedacht me dat ik een krantje had moeten kopen. Als je alleen in een restaurant zit moet je iets te lezen hebben. Helaas was er geen leesportefeuille zodat ik me uiteindelijk tevreden stelde met een Kijkshop foldertje.
Toen ik dat drie keer had gelezen en het terug legde op de bar zag ik dat in de hoek het dochtertje van de eigenaar aan een tafeltje was gaan zitten. Ze was een jaar of zes, had staartjes en zat heel stilletjes een kleurplaat te stiften.
Ineens werd ik overvallen door een gevoel van ontroering. Alhoewel sinds het verschijnen van de film ‘Het paard van Sinterklaas’ elk treurig Chinese restaurant ineens iets idyllisch heeft gekregen vond ik het aandoenlijk: zo’n klein meisje tussen een paar dof voor zich uit starende, oudere heren.
En dan was dit nog een rustige avond. Ongetwijfeld werd dit restaurant regelmatig bezocht door groepen 'jolige' werknemers op bedrijfsuitje. Ongetwijfeld bestelden hier elke dag wel iemand: ‘Vijf biel’ en natuurlijk misdroeg zich hier elke week wel een een groep studenten. Ik zag het voor me: een brallende student die met zijn handen in de bami zit en roept: ‘Hee Ping, het is niet te vreten’; haar vader die lacht als een boer met kiespijn en gelaten afwacht tot ze weggaan. En dat meisje in de hoek die alles ziet.
Ik vroeg me nog even af of het nou ontroering om dat meisje was of zelfmedelijden, maar veel tijd om erover na te denken had ik niet want de de soep en de Tjap Tjoy werden tegelijk opgediend. Ik zei er niets van. Het smaakte goed.

5/28/2008

Hangen

Vorige week een lezing gehouden voor studentenvereniging Virgiel in Delft. De man van de SSS (afkorting van ‘Schrijvers School Samenleving; bijna iedereen verstaat het verkeerd en vraagt: SS?) die bemiddelt tussen organisator en schrijver had me gewaarschuwd: ‘Onze ervaringen met studentenverenigingen zijn heel wisselend.’
Toen ik de brede houten trappen van de societeit opliep, de verschraalde bierlucht opsnoof en nog net op tijd een stap opzij kon doen omdat er een half ontklede, met kots besmeurde jongen door vier vrienden naar buiten werd gedragen, begreep ik wat hij bedoelde. Niet voor iedere schrijver de ideale plek voor een lezing.
Eenmaal in de grote zaal zag ik dat het gezang dat ik buiten al had gehoord, afkomstig was van een gezette jongen die zich afwisselend op de bar bevond danwel in de enorme kroonluchter die erboven hing. Hij schreeuwde telkens twee regels van een lied, waarvan ik de tekst, ook na de twintigste keer niet kon verstaan. Het was iets als: WAAHOE INZE HOL, VUIHOE ZE WIJVEVOL. In ieder geval maakte het weinig indruk op de overige tien aanwezigen, want die bleven een beetje verveeld op hun kruk aan de bar hangen. Af en toe riep er nog wel iemand: ‘Hou je kop, lul’, maar tot enige actie leidde dat niet. De enige activiteit van de aanwezigen bestond uit het bestellen en opdrinken van vaasjes bier, een bezigheid die met grote voortvarendheid werd verricht.
Ik dacht met weemoed terug aan mijn tijd bij het corps. Zo hing ik er twintig jaar geleden ook bij; altijd in de hoop dat het toch nog gezellig zou worden, wat op dit soort avonden eigenlijk nooit gebeurde. Maar dat wist je pas zeker als je om vier uur ’s nachts je bed in tolde. Je kon per slot van rekening nooit weten of en wanneer er nog iemand binnen kwam die ‘gezellig’ was.
Er werden bij ons ook lezingen georganiseerd en ik herinner mij ook dat ik er regelmatig heen ging maar eerlijk gezegd schiet mij geen enkele schrijversnaam te binnen.
Wel herinner ik mij dat Andre Hazes en Herman Brood kwamen optreden en natuurlijk Jerney Kaagman die een paar maanden daarvoor in de Playboy had gestaan. Een van de corpsleden had het lumineuze idee gehad om bij de uitgever de inmiddels verouderde exemplaren op te halen zodat toen Jerney het podium betrad vijfhonderd man de uitklapposter met haar naakte beeltenis omhoog hielden.
‘He jongens, doe die poster nou eens weg’, probeerde Jerney na elk liedje, maar hoe vaker ze het vroeg des te fanatieker joelden wij HOERRR en BROEK UITTT. Het was een historische avond waarover wij weer maanden konden napraten tijdens het hangen.
Mijn lezing verliep in redelijke rust omdat de bar tijdens mijn optreden dicht ging wat de gezette jongen onverrichter zaken naar huis deed vertrekken.
Na afloop vroeg Merel, het meisje dat de avond organiseerde of ik nog even bleef hangen.
Ik keek op mijn horloge.
‘Nee’, zei ik, ‘de oppas moet naar huis.’

5/20/2008

Werk

Ik heb een kantoor gehuurd in de stad. Mijn zoontje heeft ‘mijn’ kamer in huis ingenomen en ik wilde toch al lang buitenshuis gaan werken.
Kantoor is een groot woord: het is een kamer van vier bij vier meter, maar het bevindt zich in een gebouw waarin een aantal bedrijfjes zit: een uitgever, een grafisch ontwerper, een makelaar en een bedrijfje waar ik nog nooit iemand naar binnen heb zien gaan, maar waar wel een stapel blauwe enveloppen voor de deur ligt. Ik neem aan dat het een verband houdt met het ander.
Het is een mooi, honderd jaar oud gebouwtje, dat alleen een beetje verknald is door de kunststof kozijnen met zonwerend glas die er een paar jaar geleden zijn ingezet.
Mijn vader zei wel eens dat hij op zijn werk geen idee had wat voor weer het was omdat de ramen, die niet open konden in verband met de airco, zo sterk zonwerend waren dat de buitenwereld een soort foto met enkel grijstinten werd. Gelukkig kunnen mijn ramen nog wel open.
Ik heb een fantastisch uitzicht. In de verte zie je de koepelgevangenis, dan de brug over het Spaarne; de oude Droste fabriek die verbouwd wordt tot (yuppen)appartementencomplex en daarnaast de prachtige, trendy Figee bedrijfshallen, waarvoor je wel heel succesvol moet zijn om die te kunnen huren.
Tussen laatstgenoemde gebouwen is een kleine vaart waaraan een scheepssloper zit. Een mooi contrast: die oude wrakken en roestige kranen tussen de snelle Audi’s en Volvo’s. Als het dorpje van Asterix en Obelix dat nog moedig stand houdt.
Ik ben begonnen aan een nieuw leven. Gewend om, nadat ik de kinderen naar school had gebracht, slechts vijftien treden naar de eerste verdieping te nemen, stap ik nu in de auto en rij naar ‘mijn werk’.
Het is mijn kinderen ook opgevallen.
‘Moet je nou al weer werken?’, vroeg mijn zoon de derde dag al.
Ik vroeg hem wat hij dacht dat ik de afgelopen jaren op ‘zijn’ kamer had zitten doen.
‘Niks’, zei hij.
Dus ook educatief gezien een juiste beslissing. Een vader gaat naar zijn werk.
Mijn nieuwe leven speelt zich af tussen mensen die om half negen op kantoor zijn; die om half elf koffiepauze houden en buiten sigaretjes roken. Tussen mensen die om half een gaan lunchen en om vijf uur met hun jas onder de arm naar de parkeerplaats lopen. Ik kijk ernaar en voel me een beetje als een boerenzoon van veertig die nog steeds bij zijn ouders op de boerderij woont en voor het eerst in zijn leven in de grote stad komt. Dus dit doen al die mensen daar de hele dag...
Het leukste van werken vind ik het ritje van mijn werk naar huis. Niet omdat het klaar is -ik werk graag- , maar omdat het een soort luchtledige is tussen het een en het ander. ‘Vroeger’ stopte ik eigenlijk nooit met werken. Elke vrije minuut kroop ik boven achter de computer om nog even iets te af te maken. Nu stap ik in de auto en is het werk klaar. Tijdens het ritje naar huis overdenk ik de dingen en bereid ik mij voor op het drukke gezinsleven. De vijftien minuten in de auto vormen een weldadige rust tussen twee uitersten; de stilte tussen het Andante en het Allegro. Zelfs de file van gisteren kon mijn goede humeur niet bederven. Eindelijk heb ik het gevoel dat ik werk.

4/24/2008

As you like it

Gisteren voor het eerst sinds lange tijd weer eens naar toneel geweest: ‘As you like it’ (Shakespeare) door het Nationaal Toneel.
Alhoewel ik het stuk jaren geleden al eens gezien had in het Amsterdamse bos kon ik mij er niets meer van herinneren.
Het is ook niet zo’n goed stuk. Meer een klucht eigenlijk waarin een jongen en een meisje verliefd worden op elkaar, maar zij moet vluchten uit het hof. Ze verkleedt zich als jongen; zij komen elkaar weer tegen in het bos en hij wordt verliefd op ‘hem’.
Toen ik de zaal binnenkwam stonden de acteurs achter het deels opgetrokken brandscherm: je zag alleen hun benen en buik. Ze bewogen zich met een soort danspasjes van rechts naar links over het podium en weer terug. Het zaallicht ging uit en Orlando (de jongen die verliefd wordt) kroop onder het scherm door en begon te vertellen. Nou, het was meer schreeuwen. Ouderwets acteerwerk: gedragen, hard en onnatuurlijk. Ik maakte me al na twee minuten zorgen of zijn stem het wel de hele avond vol zou houden.
Hij begon te vertellen over zijn achtergrond en al na vier minuten rolden hij en zijn broer (die ook onder het scherm door was gekropen) vechtend over het podium. Het was duidelijk dat ze heel boos waren op elkaar, ik had alleen geen idee waarom.
Weer vier minuten later was Orlando opnieuw betrokken bij een vechtpartij, dit keer met een man van wie ik nog steeds niet weet wat hij kwam doen noch waarom hij een slangenpak aan had.
Ondertussen bleef de rest van de cast achter het scherm maar over het podium heen en weer schuifelen en begon ik me bezorgd af te vragen of dit de hele avond zo door zou gaan. Het leidde namelijk enorm af van de tekst die toch al zo lastig te volgen was door de verschillende namen van personages die een rol speelden in het stuk. Ik ben slecht in het onthouden van namen.
Na een half uur werd het brandscherm eindelijk opgetrokken en zagen wij het hele toneelbeeld: drie enorme, hangende uien (of waren het condooms?); een paar autobanden en een stel opgezette kippen.
Het zag er mooi uit, maar omdat het hier om gesubsidieerd toneel ging vroeg ik me wel af: waarom? Je kan er namelijk donder op zeggen dat over alles vergaderd is. Alles is een keuze.
Waren de autobanden een verwijzing naar de huidige tijd? Stonden die grote hangende zakken voor de seksuele drift? Waarom liepen ze halverwege het stuk ineens leeg? Waarom kwamen er ineens levende kippen het podium op? Waarom droeg de ene acteur een levende kip in zijn armen en de ander een opgezette?
Ik kwam er niet uit.
Ondertussen ging het stuk in vliegende vaart door. Er werd veel gerend en geschreeuwd en plotseling juist weer heel gedempt gesproken. Er kwam een orgel aan twee kabels naar beneden; twee heren droegen een dode eland op; de hofnar neukte een als vrouw verkleedde man; plotseling danste het hele ensemble over het podium en zong ‘Wij hebben toverdrank, wij hebben toverdrank’ en aan het eind van het stuk trok een aantal acteurs hun kleren uit om vervolgens de liefde met elkaar te bedrijven, hetgeen mijn vermoeden bevestigde dat de regie in handen was van Gerard Jan Reinders.
Lichtelijk in verwarring verliet ik de zaal. Welke lading had ik gemist? Waar ging het over? Was het juist de bedoeling dat er zo theatraal geacteerd werd?
Even later stond ik naast Gerard Jan aan de bar. Ik wilde het hem net vragen, maar iemand was me voor. ‘Meneer Reinders’, zei hij, ‘ik vond het een mooie voorstelling, maar ik begreep het niet.’
‘Dat hoeft ook niet’, antwoordde GJ.
Zo is het maar net.

4/18/2008

Recensie

Vorige week kreeg ik van mijn uitgever een boek opgestuurd van een onbekende Engelse auteur met de vraag of ik het wilde lezen en een zogenaamd leesverslag wilde maken. Ze wilde namelijk weten of ze het in de fondslijst moest opnemen.
Omdat ik momenteel ‘in between books’ zit en ik dolgraag wat om handen heb, begon ik vol goede moed aan het driehonderdzeventig bladzijdes tellende verhaal over een jonge schrijver die de memoires van een stokoude man in handen krijgt. Me bewust van mijn belangrijke taak stortte ik mij op het levensverhaal van deze man die als kind werkte in de ganzenplukfabriek van zijn vader en Russich leerde door een vriendje om te kopen die hem op zijn beurt voorzag van uitgescheurde delen van boeken van grote Russische schrijvers.
Maar ik vond het niet zo goed: te ingewikkeld geschreven; te vaak onbedoeld niet grappig. Ik raakte ook steeds de draad kwijt en moest voortdurend terug bladeren om na te zoeken wie wie ook alweer was. Na verloop van tijd begon ik me zelfs te ergeren aan de semi-intellectuele wijsheidjes die de schrijver steeds naar voren bracht. Na honderd bladzijdes vond ik het genoeg. Ik belde mijn uitgever en zei dat ik de opdracht terug gaf. ‘Hoeveel bladzijdes heb je dan gelezen?’ vroeg ze. ‘Honderd’, zei ik. ‘Oh, dat is genoeg’, antwoordde ze, ‘maak dat leesverslag maar gewoon.’
Opgelucht zette ik me aan mijn computer en schreef dat het meer op een stijloefening van een of andere amateurschrijversschool vond lijken dan op een goed boek. Daarbij, schreef ik, was de structuur gewoon een copie van een boek dat ik al kende en ontbrak het mijns inziens aan noodzaak. ‘Ik adviseer dan ook het niet uit te geven’ besloot ik mijn verslag.
Mooi. Dat was dat.
Maar een dag later sloeg de twijfel toe.
Had ik niet te hard geoordeeld? Had ik het boek eigenlijk wel begrepen? Mijn Engels is niet zo heel goed, moet ik toegeven. Misschien ontging de humor me gewoon vanwege de taalbarriere. Wellicht had ik er niet genoeg mijn best voor gedaan. Daarbij zat ik al dagen met een zeurende hoofdpijn ten gevolge van een verkoudheid die maar niet over wilde gaan; misschien was dat wel de oorzaak van mijn irritatie. Misschien dat als ik in betere conditie was geweest ik het wel goed gevonden had. Hoe kan je uberhaupt een boek beoordelen als je minder dan eenderde leest?
Ineens moest ik denken aan mijn eigen (tweede) boek dat dit najaar uitkomt. Zouden de recensenten wel genoeg moeite doen om zich er in te verdiepen? Zouden ze het wel helemaal uitlezen? Zouden ze wel gezond zijn?
Over mijn eerste boek stonden in een recensie in het Parool zoveel feitelijke onjuistheden dat het niet anders kon dan dat de recensente het boek maar half of in ieder geval met een half oog gelezen had. Woedend was ik geweest.
En nu deed ik hetzelfde. Jaren werk in een A-viertje afgeserveerd.
In zekere zin een troostende gedacht: een recensie zegt meer over de recensent dan over de schrijver. Oftewel: de beperking van een recensie zit hem in de omstandigheden waarin de recensent zich bevindt. Anders gezegd: je moet als schrijver maar hopen dat 'jouw' recensent gezond is, dat zijn vriendin hem niet net in de steek heeft gelaten en dat hij zijn rekeningen kan betalen. Anders hang je.

4/04/2008

Vught

Vandaag was ik even terug in mijn geboortedorp.
Ik had een afspraak met iemand van het Nationaal Monument Kamp Vught in verband met een expositie waarvoor ze me gevraagd hebben een lied te schrijven.
Ik reed binnen over de N 65, een weg die dertig jaar geleden al te klein was voor het verkeer dat er overheen moet, langs de enige flat, onder het viaduct door langs het talencentrum Regina Celi dat door nonnen werd gesticht en waar nu expats voor heel veel geld een nieuwe taal leren. Langs mijn oude school, voorbij de stoplichten waar ik met mijn vrienden Bart en Tom stond te liften om na twee uur wachten te worden meegenomen door Bart’s vader omdat hij het zo zielig voor ons vond. Bij Restaurant de Vier Kolommen sloeg ik rechts af en reed langs ‘de ijzeren man’, een grote plas waar ik vaak naartoe ging en flirtte met meisjes die ik toch niet krijgen kon, richting het voormalig concentratiekamp.
Het viel me op dat alles kleiner was dan ik dacht: de huizen, de straten, het water. Zelfs de witte villa met de torens, met de exotische naam ‘Solskin’, was bij lange na niet zo indrukwekkend als in mijn herinnering. Werkt herinnering tegengesteld aan reizen met een trein: hoe verder weg je bent, hoe groter het wordt?
In mijn tijd was er nog geen monument. In de barakken van het voormalig concentratiekamp woonden Molukkers en wij, blanke jongens uit het villapark, durfden er geen stap te zetten. Ik reed over de Lunettenweg door het bos, langs de voormalige verblijven van de kampcommandanten die in gebruik zijn als kazerne, langs de gemoderniseerde barakken waar nog steeds Molukkers wonen en langs de hoge betonnen omheining met prikkeldraad van de Extra Beveiligde Inrichting, binnen welke muren zich de gevangenis van het voormalig concentratiekamp bevindt. Alles wordt dankbaar herbruikt.
Aan het eind van de weg lag het moderne, strakke gebouw waarin het Nationaal monument huist, vlakbij de fussiladeplaats met het immense kruis, dat toch niet zo immens bleek te zijn.
Ik kreeg een rondleiding en zag foto’s van een stoet mensen die van het station naar het kamp liep; langs het nonnenklooster, langs Solskin, langs de ijzeren man waar ik ongelukkig van liefdesverdriet, mij niet bewust was van wat zich op nog geen halve kilometer daar vandaan had afgespeeld.
Zo gaat dat met de tijd: de jaren vallen er over heen en ontnemen je het zicht. Alles wordt weer gewoon. Alsof er niets is gebeurd.
Het is goed dat er monumenten zijn.

3/26/2008

De W-film

In 1988 verscheen Scorsese’s film, ‘The last temptation of Christ’.
De film toont Christus als een normaal mens die bloot staat aan allerlei soorten van verleiding. Hij twijfelt, hij is angstig, gedeprimeerd en hij kent lustgevoelens. Er zit zelfs een scene in waarbij Jesus en Maria de liefde bedrijven.
Streng christelijke leiders, vooral in de Verenigde Staten, kraakten de film nog voor hij uit was. Vooral de scene waarin Jesus van het kruis stapt omdat een engel hem zegt dat hij niet de Messias is, waarna hij een gewoon leven begint, trouwt en kinderen krijgt, zorgde voor een reeks hel en verdoemenis-preken in orthodoxe kerken.
Een Franse, katholiek fundamentalistische groep gooide als protest molotov-cocktails in een Parijse bioscoop waardoor dertien mensen gewond raakten.
Ook zij hadden de film niet gezien.
In een aantal landen was de film jarenlang verboden. Daar kon dus niemand de film zien.
In datzelfde jaar verscheen ‘The satanic Verses’ van Salman Rushdie. De protesten van orthodox islamitische leiders – waarvan de meesten het boek niet gelezen hadden - waren zo mogelijk nog feller dan die van hun Christelijke collega’s; Khomeini vaardigde een decreet uit om Rushdie te vermoorden.
In een poging de onrust te sussen suggereerde premier Lubbers dat de vertaling van het boek – dat hij nog niet gelezen had - wellicht verboden zou kunnen worden als er sprake zou zijn van ‘smalende godslastering’.
Minister van staat Van den Broek toont zich een bekwaam leerling van hem door vandaag in de Volkskrant voor te stellen de W-film door de rechter te laten verbieden. Hij heeft hem ook nog niet gezien.
Misschien is het interessant om te kijken hoe het Rushdie’s boek en Scorseses film is vergaan. De duivelsverzen is in Nederland aan de dertiende druk toe, Rushdie leeft en ‘The last temptation of Christ’ wordt inmiddels door vrijwel alle orthodox christelijke groeperingen geaccepteerd als interessante kijk op het leven van Christus.

3/14/2008

Graf

Bedacht me vandaag dat ik het graf van mijn grootvader, de geoloog J.H.F. Umbgove, nog nooit bezocht had. Zoals de trouwe lezers van mijn blog inmiddels weten werk ik aan een roman die voor een deel over zijn leven gaat.
Ik belde mijn vader om te vragen waar het was – als het uberhaupt nog bestond – en hij vertelde me dat het op de begraafplaats bij de protestante kerk in Wassenaar lag.
Dus reed ik vandaag de prachtige route via Bennebroek, Noordwijkerhout en Katwijk naar het oude dorpje van Wassenaar.
Toen ik er aan kwam zag ik dat er een lijkwagen en twee volgauto’s voor het kerkje stonden. Door de ramen van de kerk klonk orgelmuziek.
Ik zocht op de plattegrond het nummer van het graf dat mijn vader mij had opgegeven en liep over het grindpad langs het achterschip van de kerk naar de begraafplaats.
Op het pad stond een auto. Ik liep er langs en zag dat er een liturgie van de dienst op de bestuurdersstoel lag met daarop een foto van de overledene. Zo te zien was hij niet veel ouder dan zestig.
Na enig zoeken vond ik het graf: een grote, liggende, verweerde steen waarop nauwelijks leesbaar zijn naam en die van zijn moeder. Een mooi, eenvoudig graf op een begraafplaats zoals alle begraafplaatsen zouden moeten zijn: rustig, in het centrum van het dorp, omringd door oude huizen en bomen. Niet ergens achteraf, maar juist middenin het leven dat doorgaat.
Toen ik terug liep bleek de dienst net afgelopen te zijn. De meeste bezoekers bleven buiten bij de ingang wachten tot de kist de kerk uit zou worden gedragen. Omdat ik het kerkje nog even van binnen wilde zien bleef ik op enige afstand staan.
De kerkgangers waren allemaal in het zwart; de mannen droegen een pak; de vrouwen een zwarte rok. Aan de mensen te zien kwam de overledene uit een goed milieu kwam, wat niet zo verwonderlijk is in Wassenaar.
Omdat het nogal lang duurde voor de kist naar buiten kwam drentelde ik wat heen en weer en ineens voelde ik me zo iemand die voor zijn lol begrafenissen van wildvreemden bijwoont. Iemand die verdriet leent.
Een beetje ongemakkelijk wachtte ik tot de kist uiteindelijk naar buiten kwam en iedereen erachter aan de begraafplaats op liep.
Ik ging het kerkje binnen, waar het warm was. Er klonk een mooie Bach cantate, de dominee deed zijn microfoontje af en nam een slok water; de kosteres haalde de bloemen weg. De zon scheen door de ramen, buiten rook het naar voorjaar: ik had geen beter moment kunnen kiezen.

3/05/2008

Klooster

Las een interview met schrijfster Karen Armstrong in ‘Hollands Diep’.
Op haar zeventiende vertrok ze vanuit London naar het klooster om non te worden, waar ze zeven jaar bleef tot ze teleurgesteld door de rigide levensopvatting weer vertrok en na veel onzwervingen uiteindelijk een zeer succesvol schrijfster werd.
Ik begrijp de aantrekkingskracht van het kloosterleven wel, alhoewel de romantiek bedrieglijk is. Het is net als mensen die zich rond hun veertigste afvragen of dit alles is, hun baan opzeggen, een mooi landhuis kopen in Zuid Frankrijk en een ‘Bed and breakfast’ beginnen: het lijkt romantisch maar de werkelijkheid is dat je lakens staat te verschonen en na drie jaar nog steeds als een buitenaards wezen wordt behandeld door de plaatselijke bevolking.
Ik romantiseerde het klooster ook, al heb ik nooit overwogen in te treden.
In de vakantie na mijn eindexamen ging ik een week naar Taize: een oecomenisch klooster in Frankrijk, waar duizenden jongeren vanuit de hele wereld naartoe komen. Ik weet niet meer precies waarom ik er op dat moment heen ging. In ieder geval niet om religieuze redenen. Het was meer de saamhorigheid die me aantrok. Iedereen hield vreselijk veel rekening met de ander en deed ontzettend zijn best om lief te zijn voor elkaar. In mijn herinnering was iedereen het ook steeds roerend met elkaar eens.
Overigens kwam ik er snel achter dat die saamhorigheid bij sommigen vooral buitenkant was, want toen ik op een avond mijn bord wegzette waarop nog wat vlees lag (omdat er echt niet door te komen was: idealisten praten goed, maar koken slecht) werd ik direct door een paar harige wereldverbeteraars ten overstaan van iedereen aan de schandpaal genageld. ‘You see what you do? You put meat away!!’, riepen ze op hoge, hysterische toon, ‘how can you do that? There are people starving from hunger’. Met een rood hoofd nam ik mijn bord terug en begon opnieuw te kauwen op het stuk ondoordringbaar taai varken.
Twee jaar later, in mijn studententijd, ging ik samen met een vriend naar het Benedictijnenklooster in Chevetogne. Wij waren de enige gasten tussen een handjevol monniken waarvan de gemiddelde leeftijd rond de zeventig moet zijn geweest: een uitstervend ras. Aandoenlijk om te zien: twintig, stokoude monniken in een klooster met veel te veel kamers.
De onvolprezen singer/songwriter James Taylor heeft eens gezegd: kinderen en creativiteit hebben regelmaat en discipline nodig. In het klooster kan je je als een kind laten meevoeren: je staat op, bidt, eet, bidt, wandelt, eet, etc. Je hoeft nergens over na te denken, alleen maar te volgen, wat heel prettig is als je het even niet meer weet.
Je dompelt je onder, doet je ogen dicht en laat je meevoeren met de stroom tot je adem op is en je weer naar boven moet. Alhoewel ik zeker weet dat ik het er nooit langer dan een maand zou uithouden, blijf ik er af en toe naar verlangen. Bijvoorbeeld als ik zo’n interview lees.

2/15/2008

Leeg

Mijn boek is bijna af. Al weet je het nooit. Vorige keer dacht ik het ook tot ik het manuscript liet lezen aan twee vrienden die zoveel aan te merken hadden op ‘de kleinzoon’ dat ik nog maanden bezig was met herschrijven.
Maar ook al zou ik nog wat dingen moeten veranderen, dan nog kan ik er niet omheen dat het een aflopende zaak is. Ik moet zeggen dat ik er tegenop zie.
Het afgelopen jaar liep ik , terwijl op de radio’s de files werden voorgelezen, de vijftien treden van onze trap omhoog om naar ‘mijn werk’ te gaan. Ik ging zitten aan mijn schrijftafel en opende het document ‘DHVDA boek 5a’ (afhankelijk van de versie waarmee ik bezig was) en begon met schrijven. Soms ging het goed, soms wat minder, maar altijd had ik een doel om naar te streven: minstens een A-viertje schrijven.
Dat doel valt binnenkort weg. Goed, ik heb nog gesprekken met mijn redacteur en er zal nog het nodige geredigeerd worden. En daarna komt nog de correctiefase en moet ik me nog bemoeien met de lay-out en het publiciteitsplan, maar dat zijn geen taken waarmee ik mijn dagen kan vullen. Er doemt een enorme leegt op in de verte; ik zie de contouren al.
Het fijne van schrijven is dat je enorm ‘open’ bent. Alles staat in dienst van het boek. Bij elke verhaal dat ik hoor; bij alles wat ik op TV zie; bij ieder gesprekje op straat, denk ik: kan ik het gebruiken? Als je schrijft loopt de camera permanent mee en dat is een prettig gevoel. Al leef je als je schrijft vanaf de zijlijn, je hoort en ziet alles.
Ik spreek ook de hele dag (en nacht) ideeen of opmerkingen in. Bijvoorbeeld: ‘Er moet meer wanhoop zitten in het meisje als ze de prof niet meer ziet’. Of, na het zien van een uitzending van Netwerk over Jan Siebelink: ‘Hij moet meer verscheurd worden door de liefde voor zijn gezin en zijn werk.’
Als ik eenmaal stop met schrijven sluit het zich weer. Je gevoeligheid neemt af en je wordt weer ‘normaal’. Helaas.
Wat ik hierna ga doen weet ik nog niet. Ik kan pas met een nieuw boek beginnen als ik los ben van het oude en dat zal zeker tot het najaar duren, want pas dan komt het uit.
Ik zou aan een nieuwe CD kunnen werken, maar mijn kompaan met wie ik muziek schrijf is tot de herfst bezig met andere projecten.
Ik moet in ieder geval mijn sociale leven weer oppakken, want de afgelopen anderhalf jaar heb ik als een holbewoner geleefd en buiten mijn kinderen en vriendin vrijwel niemand gezien.
En er zijn nog een heleboel klusjes te doen aan het huis. Binnenkort maar eens beginnen met de muren van de badkamer.

2/05/2008

Het marktplein van Peter R. de Vries

Ik weet niet met wie ik liever op een onbewoond eiland zou zitten: met een pathologische leugenaar die zich aangetrokken voelt tot foute types, drugs en vrouwen of met iemand die meerdere keren is opgepakt voor geweldsdelicten en die nu zijn ‘vriend’ erbij lapt om daarna glimmend van trots op TV te beweren dat hij het als zijn plicht zag ‘tegenover Aruba en Nederland en Beth’ (de moeder van Holloway).
De uitzending van Peter R. De Vries van afgelopen zondag was het ranzige hoogtepunt van commerciele televisie in Nederland: de dagenlange, ronkende aankondigingen; de eindeloze reclameblokken; de grote, druipende woorden, de domme verontwaardiging. Met als resultaat zeven miljoen Nederlanders met chips en cola op de bank.
Het moet gezegd: de Vries heeft de moderne, Nederlandse equivalent gevonden van de ‘good old’ openbare terechtstelling op het marktplein zoals we die in landen als Iran en Zimbabwe kennen.
En het werkt want gisteravond stonden in een Fries plaatsje honderd mensen klaar om Joran, die zich in een appartement aldaar schuil zou houden, te lynchen.
Het is dezelfde domme, selectieve, pathetische en gevaarlijke morele verontwaardiging als die Patrick van der E. tentoon spreidt als hij zegt dat hij het als zijn plicht voelt om Joran te pakken.
De Vries, en al zijn camera en geluidsmannetjes en redacteurtjes en alle mannetjes bij SBS die glijend op hun stoel zijn gaan rondbellen om extra reclames te verkopen voor de uitzending van afgelopen zondag zijn verantwoordelijk, want het gaat daar echt helemaal niemand om plichts- of rechtsgevoel; het gaat gewoon om geld, spanning en roem.
Wanneer heeft een van deze mannetjes zich trouwens voor het laatst opgewonden over de gruwelijkheden in Darfur? Misschien een idee om daar eens een paar camera’s in een kameel van de Janjaweed te bouwen en er dan met knuppels op af te gaan.

1/28/2008

Hondenbelasting

Vanochtend werd er aangebeld. Ik zat boven te werken en was verbaasd. Op dit tijdstip belt normaal gesproken alleen de TNT koerier aan die met zijn bus veel te hard naar mijn zin het terrein op scheurt. We wonen hier met tien gezinnen op een soort hofje –een oud fabrieksterrein- en er is elke dag wel iemand die via internet een jas of een boek besteld heeft. Maar ik had zijn bestelbus niet gehoord.
Het bleek iemand van de hondenbelasting te zijn.
Het was een klein, vriendelijk ogend mannetje: vale regenjas, te groot montuur, haren overdwars gekamd. Hij had een zakcomputertje bij zich en tikte erop met een pen. Hij zag er heel ongevaarlijk uit.
‘Hebt u een hond?’ vroeg hij.
‘Nee’, zei ik.
Terwijl ik het zei schoot door mijn hoofd: zou hij het geloven? Het is hetzelfde gevoel dat ik heb als ik een winkel uitloop zonder iets gekocht te hebben. Ik ben altijd bang dat het alarm toch afgaat.
Ik bedacht me dat hondenbelastinginspecteurs vast geschoold zijn in het doorzien van leugens. Hij kon vast aan iemands lichaamstaal zien of hij loog. Hoe was het ook al weer? Als je aan je neus zit terwijl je iets zegt, lieg je.
Ik had niet aan mijn neus gezeten.
Ik wilde de deur alweer dicht doen toen hij vroeg:
‘Heeft een van de buren een hond?’
Doortrapte vraag.
Ik wist dat ze op nummer 1 twee hondjes hebben, maar niet of ze daar belasting voor betaalden.
Wat moest ik doen? Zei ik ja, dan gaf ik ze misschien aan. Ontkende ik dan loog ik en dat zou hij doorhebben.
Ineens moest ik aan de oorlog denken. Zo gaat dat dus: kleine, miezerige mannetjes in regenjassen bellen aan en vragen of je bij de buren wel eens iets vreemds gezien hebt. Verdachte geluiden? Gestommel? Mensen die midden in de nacht aanbellen? Onderduikers?
‘Nee’, zei ik tegen de man, terwijl ik aan mijn neus zat.
Hij keek me aan, toetste iets in en groette vriendelijk.

1/21/2008

Oliver

Vorige vergastte TV-kok Jamie Oliver in een uitzending tien kuikens ten overstaan van zijn publiek. Normaal gesproken hou ik niet zo van dit soort confrontaties, maar dit vond ik geweldig.
Voor diegenen die het niet gezien hebben: het publiek in de studio zit aan grote ronde tafels. Er is mooi gedekt, de mensen zijn in avondkleding en op de tafels staan schalen waar levende kuikentjes in blijken te zitten. Oliver legt uit dat de mannetjes te onderscheiden zijn door hun vale kleur. Hij vraagt het publiek de mannetjes eruit te halen en in een glazen pot te doen en deze naar voren te brengen. Tot zover lijkt er niets aan de hand.
Dan legt Oliver uit dat in de bio-industrie de mannetjes nutteloos zijn en hij vraagt aan een kenner wat er met deze diertjes gebeurt. Onderwijl trekt hij het doek van een grote glazen kubus voorzien van een aantal slangen en stopt de dieren daarin. De man legt uit dat deze dieren vergast worden met koolmonoxide. Ontsteltenis op de gezichten van de aanwezigen. ‘Marc, can we start the process please’, zegt Oliver en vervolgens worden de dieren vergast.
Ik weet niet waarom ik het zo goed vond. Ik denk omdat hij het zo ‘naturel’ deed (vervelend toneelacademie woord, maar ik weet geen beter). Als dit in Nederland op TV was zou het heel pathetisch, vet aangezet worden met violen en vertraagde beelden van blije kuikentjes en een huilende presentator of juist heel cynisch en afstandelijk. En in ieder geval belerend. Oliver bleef sober en informatief. Dat is altijd sterker.
Vlak bij het huis in Brabant waar wij regelmatig komen staat een enorme ‘vleeskuiken’ boerderij. Het bestaat uit zes stallen met in elke stal 20.000 kuikens/kippen. In het kader van de openheid is in een stal de mogelijkheid om door een ruitje naar binnen te kijken. Ik ga er af en toe met de kinderen naartoe. Als je vroeg in de cyclus van het produktieproces komt zie je 20.000 schattige kuikentjes zitten. Ze hebben de ruimte, op de vloer ligt zaagsel; eten valt automatisch in grote bakken en water is beschikbaar via buizen. Kom je vijf weken later dan zie je dikke, witte kippen die zich nauwelijks kunnen bewegen op een vloer met stront zitten. Ze hebben dan nog precies een week te leven, want na zes weken worden ze geslacht. Niet veel later liggen ze in de supermarkt.
Ik neem die boer niks kwalijk. Hij verdient vierenhalve cent per kip, dat betekent dat hij per zeven weken (een week is nodig om de stallen te reinigen en in orde te brengen voor de volgende lichting) ongeveer vijfenhalf duizend euro omzet heeft. Daar moeten dus nog alle kosten vanaf.
We moeten gewoon meer betalen voor kippen en eieren.

1/14/2008

Waits

Zit al dagen in mijn hoofd met dat liedje ‘All the world is green’ van Tom Waits. Het wordt namelijk gebruikt in de mooie film ‘Butterfly and the diving bell’ over een man die na een hersenbloeding alleen nog zijn linkeroog kan bewegen.
Van mooie films onthoud ik altijd een of twee momenten. Zoals van ‘Magnolia’ als het ineens kikkers begint te regenen. Of zoals van bovengenoemde film als hij in zijn rolstoel met zijn ex-vrouw en hun kinderen op het strand staat. Het beeld past prachtig bij Waits of andersom: de schoonheid van het strand en daarnaast de tragiek van de rolstoel.
Ik hoopte het fragment op youtube te vinden, maar het stond er niet op. Ik kijk de laatste tijd steeds vaker mooie oude fragmenten op Youtube in plaats van gewone TV omdat ik de hoeveelheid licht verteerbare, pathetische en/of inhoudsloze programma’s van zelfingenomen (semi) bekende/onbekende Nederlanders op TV niet meer aankan. Je moet na een avond Nederlandse TV echt douchen om de ranzigheid weg te spoelen.
Van Waits staan een heleboel prachtige nummers uit liveshows en videoclips op youtube. Evenals een aantal interviews met David Letterman. Eerlijk gezegd was ik nogal verbaasd om hem daar aan te treffen, want de ‘Late night show’ is niet het decor dat ik bij Waits vind passen. Zeker omdat je weet dat de vragen en antwoorden van te voren tot in detail worden doorgenomen. In feite is het het soort televisie dat ik zo verschrikkelijk vind.
Tot ik me realiseerde dat Waits gewoon een hele goeie entertainer is. Een soort Frank Sinatra, maar dan tegenovergesteld: de doorrookte, aan alcohol verslaafde maar vriendelijk en humoristische loser. Het is gewoon een imago, want Waits woont bij mijn weten al twintig jaar met zijn vrouw en drie kinderen op een boerderij, drinkt niet en werkt hard.
Het maakt niet uit want bijna al zijn teksten prachtig: ‘You’re east of east St. Louis/and the wind is making speeches/and the rain sounds like a round of applause’ (Time) of: ‘I fell into the ocean/when you became my wife/made it all against the sea/to have a better life (All the world is green). Het is altijd beeldend, altijd weemoedig en door zijn rauwe stemgeluid wordt het nooit pathetisch.
Ik vond drieendertig Waits fragmenten op internet. Dat is ongeveer hondervijftig minuten. Op dezelfde avond wordt op de tien Nederlandse zenders samen drieduizend minuten TV aangeboden.

1/08/2008

Zembla's baard

Zelden zo’n slechte uitzending van Zembla gezien als die van afgelopen zondag over de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama.
Ik heb hem de afgelopen weken gevolgd in de krant en op Youtube. In zijn campagne komen twee woorden komen steeds terug: ‘Verandering’ en ‘Verzoening’. Zelf een ‘zwarte’ Amerikaan (blanke moeder, zwarte vader) benadrukt hij voortdurend de kandidaat van alle Amerikanen te zijn. Geen Jesse Jackson dus, die in de jaren tachtig probeerde president te worden door te blijven hameren op het feit dat zwarte Amerikanen als tweederangs burgers werden behandeld.
Obama weet op een slimme, op het oog bescheiden lijkende manier over te komen. ‘Ik hoop dat jullie op mij gaan stemmen’, zegt hij in New Hampshire tegen drieduizend mensen die uren op hem hebben staan wachten, ‘maar als je dat niet doet, stem dan in ieder geval op iemand die voor verandering is.’
Tijdens een interview met in Good Morning America : ‘Je moet een soort van megalomie hebben om te denken dat je de president van Amerika moet worden. Maar je moet ook een zekere drempel over om te zeggen: dit is niet alleen ambitie, dit is iets groters.’ Of tijdens een verkiezingsspeech in Wyomi: ‘Als je weet wie je bent, waar je in gelooft , als je weet waar je voor vecht, dan kan je je veroorloven om naar je tegenstander te luisteren.’
Goed, hij blijft vaak hangen in grote woorden en algemeenheden. Maar toch. Het is een ander geluid dan ik tot nu toe tijdens presidentsverkiezingen hoorde. Ook al omdat Obama zich verzet tegen het cynisme en de verbittering van de machthebbers in Washington en zich niet bedient van lobbyisten en grote bedrijven om geld in te zamelen. En, tot nu toe valt hij zijn tegenstanders niet aan door ze te ‘bespugen’. Hij gedraagt zich netter dan ik gewend ben van presidentskandidaten.
Natuurlijk kan je je afvragen of zijn idealisme echt is of dat het gewoon een boodschap is die lekker verkoopt. En je kan je afvragen hoe hij reageert als hij aan de verliezende hand is –je kan mensen pas beoordelen als je ze in slechte omstandigheden meemaakt - Je kan je afvragen of het niet gauw gedaan is met dat idealisme als hij eenmaal in het Witte huis zit. Kan je uberhaupt integer zijn als je vindt dat je president van Amerika moet worden?
Maar toch, ik ben geneigd hem het voordeel van de twijfel te geven.
Dat deden de makers van Zembla afgelopen zondag duidelijk niet. De boodschap die wij als kijkers vijfenveertig minuten lang ingepeperd kregen was: Obama kan wel over verzoening en verandering praten, de werkelijkheid is dat Amerika een tot op het bot verdeeld land is. Ten bewijze daarvan werd een scala aan ‘gewone’ Amerikanen aan het woord gelaten die dingen zeiden waar de honden geen brood van lusten. Zembla was er dan ook speciaal voor naar ‘het meest racistische plaatsje van de VS’ (quote uit de reportage) ergens in South Carolina gereisd. Daar waar vorig jaar nog stroppen aan de bomen hingen omdat zwarte kindjes onder een boom hadden gespeeld waar normaal gesproken alleen blanke kindjes speelden. En inderdaad, daar waren wel een paar blanke mannen van middelbare leeftijd die wat rascistisch wilde zeggen.
Ook was Zembla te gast bij de Hell’s Angels, die over het algemeen voor de camera bereid zijn een paar bruikbare quotes te leveren, zoals dat de naam Obama erg lijkt op die van Osama en dat hij zich daarom als een gevaarlijke moslimfanaticus zal ontplooien. Als je maar lang genoeg zoekt vind je altijd wel een debiel die iets zegt wat van pas komt.
Ook de voormalige, verbitterde adviseur van Jesse Jackson deed een duit in het zakje door juist te stellen dat Obama een verrader was omdat hij niet meeliep in een of andere mars.
Joris Luyendijk maakt in zijn belangrijke boek ‘Het zijn net mensen’ duidelijk wat het probleem is van de ‘oude’ journalistieke benadering van hoor en wederhoor: als er negenennegentig mensen voor iets zijn en een tegen, zal de journalist twee mensen voor de camera halen: eentje die voor is en die ene die tegen is. Waardoor de indruk ontstaat dat er evenveel voor als tegenstanders zijn.
Bij Zembla maakten ze het afgelopen zondag nog veel gekker: honderdduizenden mensen in Wyomi steunden vorige week de boodschap van verzoening, maar Zembla zocht en vond een paar racisten en liet hun aan het woord.
De makers van deze uitzending hebben een hele lange baard. Tijd voor verandering, zou ik zeggen.

12/11/2007

Emma kinderziekenhuis

Vandaag ben ik te gast in het Emma kinderziekenhuis op de achtste verdieping van het AMC. Elke maand is daar, op een geimproviseerd podium in de gang, een optreden voor de kinderen. Omdat ik ook gevraagd ben een keer wat te doen ga ik er alvast kijken. Als ik om half elf binnen kom worden de kinderen net naar binnen gebracht. Er liggen kinderen in bedden, anderen zitten in rolstoelen, sommige zitten op een gewone stoel met achter zich een infuus. Hulpstukken die bij oude mensen horen, niet bij kinderen.
Ik moet mijn nieuwsgierigheid bedwingen. Het liefst wil ik van iedereen weten wat ze mankeert. Ik betrap me erop met sommige kinderen minder medelijden te hebben dan met andere. Een meisje van een jaar of vier met een gipsen been vind ik niet zo zielig. Op de schaal van ziek zijn in het Emma kinderziekenhuis scoor je daar niet hoog mee.
Het optreden word verzorgd door Opus One die momenteel met het programma ‘Musical to the Max’ door het land toeren. Ik vind musicals verschrikkelijk en zeker een programma met hits uit verschillende producties lijkt me een straf om naartoe te moeten. Maar Brigitte Nijman, Joke de Kruijf, Tony Neef en Frans Schraven doen het geweldig. Ze lopen tussen de kinderen door, praten met ze, laten een jongetje dat niet van het podium af wil, met de pianist meespelen en zingen en passant nog wat liedjes. Van ‘Op een mooie pinksterdag’ tot ‘Memories’ tot ‘Do re mi’ uit de ‘Sound of music’. Liedjes waar die kinderen veel te jong voor zijn, maar het maakt niets uit: er word uit het hart gezongen. Dat kan ook haast niet anders, want als je ergens geraakt wordt, dan is het tussen de (dood)zieke kinderen en hun ouders.
Als het optreden is afgelopen en ik al bij de koffietafel van de ouderlounge sta, begrijp ik dat er nog een optreden gepland staat. Ditmaal op de afdeling oncologie; de kinderen daar mogen de afdeling niet af in verband met infectiegevaar.
Er zitten ongeveer acht kinderen met hun ouders op banken, stoelen of op een mat op de grond. De meeste zonder haar. Opus one doet hetzelfde optreden, maar de lading is anders. Het is ingetogener, de vrolijke nummers klinken holler. Ziekte en ellende zijn hier onontkoombaar.
Frans en Tony zingen een liedje; iets over sterren en de maan. Zo’n tekst waarvoor ik alle moeite doe om hem niet te schrijven, omdat ik dat te pathetisch vind.
De meeste ouders huilen en ik probeer uit alle macht dat niet te doen. Ik kijk naar buiten. Vanaf de achtste verdieping heb je een prachtig uitzicht over de kantoren van Zuid-Oost, de Arena, de snelweg en de weilanden. De zon schijnt, maar er ligt een donkere lucht op de loer. In de verte ligt Amsterdam. Daarachter liggen de havens. Dat wil zeggen, ik zie ze niet, maar ze moeten daar ergens liggen.
Misschien is dat een troostend beeld: een haven die nog verscholen ligt. Kom je dichterbij dan vind je hem vanzelf.

12/03/2007

Natuur verkrachten

Wij komen met enige regelmaat voor een weekend of een vakantie in het oude huis van mijn grootouders aan de rand van een prachtig natuurgebied in Brabant. Of eigenlijk moet ik zeggen: een mix van weilanden en heide.
Boeren moet je er, in dit van oudsher boerenland, met een vergrootglas zoeken; ze zijn allemaal uitgekocht door Natuurmonumenten. Dat proces verloopt even geniepig als onomkeerbaar: vanuit Den Haag of Brussel worden ieder jaar de regels een klein beetje aangescherpt waardoor het voor de kleine boerenbedrijven steeds lastiger wordt er aan te voldoen. Dan weer mogen ze geen mest meer uitrijden, dan weer mag het land niet gefreest worden, dan mogen er niet meer dan 10 stuks vee op hun land staan. Als de duimschroeven genoeg zijn aangedraaid komt er een vriendelijke man van Natuurmonumenten op bezoek die veel begrip voor hun situatie toont en vraagt of ze hun land niet willen verkopen. Het lijkt op die martelscene uit Soldaat van Oranje: de slechte Duitser (de als altijd onverstaanbare Rijk de Gooijer) beult de gevangene af en net op het moment dat het uit de hand dreigt te lopen komt de ‘goeie’ Duitser binnen die zegt: ‘Beken nou maar, dan ben je overal van af.’
Bijna alle boeren in de omgeving hebben hun land verkocht en zijn nu lopende band medewerker, tegelzetter of bouwvakker. Op zondag rijden ze nog een rondje op hun oude tractor en kijken uit over wat vroeger van hun was.
Toen we er dit weekend weer waren zag ik tot mijn schrik dat er tien enorme landbouwmachines op een van de weilanden stonden. Ook was het zandpad dat van de grote weg naar het natuurpark loopt geplaveid met stalen platen, stond er een weegbrug voor vrachtwagens en lag er verderop een enorme berg zwart zand.
Het zit zo: de bovenlaag van de opgekochte dertig hectare landbouwgrond wordt afgegraven om ‘de natuur weer in haar oude luister te herstellen’ (site:Natuurlijk Brabant)
Nou is de vraag natuurlijk: wat is oude luister? Hoever ga je terug? Honderd jaar? Vijfhonderd jaar? Tienduizend jaar? Ga je terug tot de laatste ijstijd toen Nederland bedekt was met een ijskap? Ga je terug tot het Jura toen hier dinosauriers liepen of naar het Krijt toen Nederland zeebodem was?
Na wat googlen blijkt dat ze teruggaan naar de negentiende eeuw. Dat houdt in dat de vruchbare landbouwgrond verwijderd wordt zodat de aarde verschraald en er heide kan groeien. Tevens worden er vennen, pelterheggen en vloeiweiden aangelegd.
Was dat landschap dan oorspronkelijk? Nee hoor, ook dat is door mensen aangelegd. Ik citeer de site Projectenbank Natuurhistorie: ‘De Pelterheggen, onderdeel van dit landbouwgebied, is een van de laatste vloeiweidecomplexen die in de negentiende eeuw is aangelegd. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar hooi werden ook de droge, zure en schrale gronden geschikt gemaakt voor productie. Hiertoe werden werd een stelsel van kanalen, stuwen, duikers en aquaducten aangelegd, waarmee kalkrijk water uit de Maas naar de weiden werd gevoerd.’
Maar waarom is dat cultuurhistorisch meer verantwoord dan de weilanden die er nu liggen? Horen weilanden met koeien niet bij het cultuurhistorische erfgoed van Nederland? Moesten die boeren daarom weg?
Het wordt echt ranzig als je even verder wat getallen leest: er wordt 130 000 kubieke meter grond weggehaald; er zullen 300 vrachtwagenbewegingen per dag gedurende een maand zijn en de kosten worden begroot op 5,8 miljoen euro.
Alleen al van die driehonderd vrachtwagenbewegingen warmt de aarde een halve graad op.
En waarom?
De helft van het bedrag bestaat uit een subsidie van de Europese unie, lees ik. Ik kan niet anders dan een cynisch antwoord bedenken: ergens in een te duur kantoorgebouw zit een te duur betaalde medewerker met teveel belastinggeld onder zijn hoede. En hij moet wat met dat geld. Hij moet een 'statement' maken, hij moet gezien worden, hij moet hogerop, minister worden wellicht.
Over honderdvijftig jaar zal er weer een andere sukkel in een kantoor in Brussel zitten die een lumineus idee heeft: het natuurgebied in oude luister herstellen en weilanden aanleggen met grazende koeien.

11/21/2007

In vorm

Afgelopen weekend samen met collega auteur Gerbrand Bakker een avond verzorgd in het Boekenhotel in Doldersum. Leuk hotel, mooie omgeving, goed gezelschap. Na afloop vroeg iemand of ik al wist wat het thema van mijn tweede boek zou worden. Ik antwoordde dat ik dat wel in de recensies zou lezen.
Tijdens het schrijven ben ik alleen bezig met het vertellen van het verhaal, achteraf blijkt waar het eigenlijk over gaat. Zo ging het ook toen ik de recensie van Jeroen Versteele over MODWZHM in ‘De Morgen’ las. Ik dacht; inderdaad, daar heb ik over geschreven.
Verder vroeg iemand of ik veel inspiratie had, waarop ik zei dat ik de laatste tijd wel ‘in vorm’ ben en dat dat voornamelijk komt omdat ik discipline heb. Analoog aan wat ik eens een voetbalcoach hoorde zeggen, namelijk dat je de competitie wint door van ‘kleine’ tegenstanders te winnen, heb ik geleerd dat je een boek schrijft door op ‘kleine’ dagen toch te schrijven. Ik bedoel: de dagen waarop alles lukt, de dagen dat je een geweldige inval hebt en de woorden als vanzelf uit je lijken te stromen hoef je geen moeite te doen.
Juist de dagen dat het stroef gaat moet je zorgen dat je toch wat schrijft. Een boek schrijven is sprokkelen; als je het elke dag doet heb je na twee jaar een boek.
Zo waren de afgelopen dagen nogal chaotisch. Normaal gesproken zit ik iedere werkdag om kwart over negen aan mijn tafel en stop rond half drie met schrijven, maar gisteren ging de ochtend op aan het opstellen van een boze brief in verband met een financiele kwestie en vandaag hield de loodgieter me tot twaalf uur van m’n werk omdat we een lekkage hadden. Er moesten een ‘klauwhamertje’, een ‘schopzaagje’ en een ‘kijkbuisje’ aan te pas komen om de oorzaak te vinden. Momenteel zit ik met een opengesneden achterwand die zwart ziet van de schimmel en die ruikt naar een slecht geventileerd sousterrain van een Amsterdamse benedenwoning achter mijn computer. Gelukkig lukte het me de resterende twee uur toch nog een A-viertje vol te schrijven, waardoor het alsnog een geslaagde dag werd. In die zin is schrijven: zorgen dat je tevreden bent over jezelf. Ook al is het op zulke dagen lang niet geweldig wat ik schrijf, ik heb in ieder geval het gevoel dat ik gewerkt heb. In vorm zijn is vooral: jezelf aanpraten dat je goed bezig bent.
Net zoals ik vroeger met mijn fiets op de stoep voor ons huis wedstrijdjes deed; de hoek van de straat was de finish; de huizen waren het stadion; het publiek dacht ik erbij. Ik won altijd.
Dat doe ik dus nog steeds: ergens een lijn trekken, hard fietsen en als eerste over de streep komen. Zonder tegenstanders, dat wel.

11/14/2007

Zelfkritiek

Mijn vorige weblog was geschreven enkele uren voor de bekendmaking van de AKO literatuurprijs. Rita Verdonk was ambassadeur voor het boek van Afth. Dat wil zeggen dat zij het boek op TV mocht aanprijzen. Aangezien ‘Het schervengericht’ deels in de gevangenis speelt en Verdonk vroeger gevangenisdirecteur was klonk het allemaal oprecht en overtuigend. Ik heb de kranten er niet op nageslagen, maar het zou me niet verbazen als enige literatuurkenners er schande van hebben gesproken – zo’n verderfelijke vrouw koppelen aan literatuur – maar ik vond het origineel en spannend.
Helaas vielen Frank Westerman, Dimitri Verhulst en Willem van Maanen kwa aandacht een beetje weg bij het ego geweld van Grunberg en Van der Heijden.
Daags erna verklaarde Grunberg dat hij het openbare literaire leven in Nederland van nu af aan zou mijden. Vrij clowneske uitspraak als je de media jarenlang uit en te na hebt gebruikt om jezelf te profileren, met als (naar nu blijkt) sluitstuk de act met de baby tijdens de uitreiking van de AKO. Je zou zeggen dat zijn boeken goed genoeg zijn om het zonder al die onzin te stellen.
Zelfkritiek is ver te zoeken in bekend Nederland dezer dagen. Een verontwaardigde Daphne Deckers valt een ‘journalist’ van Story aan omdat hij onzin over haar en haar gezin schrijft. Het zal ongetwijfeld heel irritant zijn, maar hypocriet is het ook, want diezelfde roddelpers wordt wel uitgenodigd op haar boekpresentaties. De journalist in kwestie laat zich ook van zijn geestigste kant zien en daagt haar voor de rechter omdat ‘je je woede ook op duizend andere, fatsoenlijke manieren kan uiten.’ Let vooral op het woordje ‘fatsoenlijk.’
Georgina Verbaan , die een paar jaar geleden nog naakt in de Playboy stond, verklaarde vandaag dat zij de aanval van Deckers wel kan billijken omdat zij ook zo’n last heeft van de roddelpers. Maar ja, als je met ranzige mensen in zee gaat, moet je niet raar opkijken dat ze je blijven stalken. Die bladen zijn de maffia; Deckers en Verbaan zijn de ‘slachtoffers’ die eerst geld van ze hebben geleend en, nu ze zelf geld genoeg hebben, hun handen in onschuld proberen te wassen.
Over het echte maffiawerk (en over het gebrek aan zelfkritiek) zag ik eergisteren het eerste deel van een boeiende tegenlicht-documentaire over de ‘rise and fall’ van Enron. De makers volgen de drie hoofdrolspelers, Lay, Skilling en Fastow, die het Amerikaanse energiebedrijf groot maken, maar daarbij ook vals spelen. De enorme winsten die Enron maakt, blijken alleen op papier te staan. Wat begint bij een leugentje wordt uiteindelijk een klassiek drama waarin het bedrijf failliet gaat en de directeuren veroordeeld worden tot lange gevangenisstraffen.
Misschien is dat de les die je hieruit moet trekken: een beetje zelfkritiek kan geen kwaad. Ook, of misschien wel juist, als je succesvol bent.

11/05/2007

Het sterkste jongetje Grunberg

Of een belediging hard aankomt wordt voornamelijk bepaald door de reactie van de omstanders. Als ik vroeger op een leeg schoolplein wel eens door iemand uitgescholden werd dan haalde ik mijn schouders op en liep door. Stonden er andere kinderen bij, dan werd het lastiger. Dan moest ik haast wel iets terug zeggen.
Arnon Grunberg is al jaren een van de meest gelauwerde en best verkochte auteurs in Nederland en dat wil hij weten ook. Hij is nu eindelijk wat hij vroeger nooit kon zijn: het sterkste jongetje van de klas.
Als hij over ‘zijn’ schoolplein loopt deelt hij zo nu en dan min of meer willekeurig een klap uit in de hoop dat iemand terug vecht. Wie hij uitdaagt maakt hem weinig uit. Sterker nog, hij hoeft helemaal geen hekel aan die persoon te hebben. Het gaat hem om het gevecht. Iemand die de sterkste is wil dat steeds opnieuw bevestigd zien.
Net als jongens die vijf keer per week in de sportschool zitten: die doen dat ook niet voor niks. Er moet af en toe iemand in elkaar gebeukt worden.
Daarom schrijft Grunberg brieven. Zou hij deze brieven alleen opsturen dan zou de geadresseerde zijn schouders op kunnen halen. Maar juist omdat hij zijn brieven publiek maakt wil er nog wel eens iemand zijn die zich genoodzaakt voelt om te reageren en dat is precies de bedoeling. Dan ontstaat er namelijk een gevecht waarin Grunberg zijn klasse kan tonen.
De omstanders genieten van zijn schitterende traptechniek; zijn perfecte linkse en zijn prachtige stoot tegen het hoofd. Praatprogramma’s hebben weer vulling voor dagen; literair recensenten zien bevestigd wat ze altijd al schreven: hij is de beste.
Natuurlijk, er staan ook mensen bij die niet zo van vechten houden, maar het is een bekend fenomeen dat de sterkste weinig tegenspraak krijgt. In het groot zie je dat bij de Mugabes en Musharrafs van deze wereld: wie kritiek heeft moet ondergronds of wordt afgevoerd.
Als het gevecht klaar is toont Grunberg ons nog een keer zijn spierballen en iedereen, ook zij die eigenlijk niet van vechten houden, verzuchten: ‘Aaah’. Omdat het veiliger is om bij de winnaar te horen dan bij dat hoopje stront dat daar op de tegels ligt.

10/28/2007

Watermachine, locomotief en NASA

Ik heb besloten om vandaag de schilderijen en foto’s die tegen de muur van de slaapkamer staan op te hangen. We wonen hier al anderhalf jaar, maar sinds de oplevering is er niets meer gebeurd.
Als ik de tuin in loop zie ik Jacob met zijn vriendje spelen. Ze hebben een grote emmer water neergezet. Even verderop staat een doos met daarop een plank. Op de plank ligt een lege fles.
Ik vraag wat ze doen.
‘We maken een machine’, zegt mijn zoon.
‘Ja’, zegt zijn vriend, terwijl hij met een beker water in de emmer giet. Z’n broek en mouwen zijn al nat.
Ik kijk het een tijdje aan, dan vraag ik hoe de machine werkt.
Ze twijfelen even. Ze hebben er nog niet zo goed over nagedacht.
Dan weet Jacob het. ‘Kijk’, zegt hij, ‘eerst moet het water hierin’, hij wijst op de emmer, ‘en dan moet je zo doen’. Hij pakt de beker van zijn vriend en haalt die door het water.
‘Ja’, zegt zijn vriend, ‘en dan pak je de Pelikaan’ - de Pelikaan is een plastic speelgoedvogel annex waterpistool – en dan doe je zo.’ Hij vult het ding met water.
‘En dan’, zegt hij, ‘.......’
‘Dan moet je schieten’, helpt Jacob.
‘Ja, dan moet je schieten’, zegt hij en hij schiet een paar keer op de fles.
‘En dan moet je de dop dicht doen’, zegt mijn zoon weer, ‘en dan pak je de fles zo en dan loop je naar daar’ – hij wijst op het caviahok.
‘Nee’, zegt zijn vriend, ‘dan moet je naar daar...’
‘Oh ja’, zegt Jacob en hij loopt naar de deur.
‘En nu?’, vraag ik.
‘Nou moet je dit doen’, zegt zijn vriend en hij schiet nog een keer op de doos.
‘Ja’, zegt Jacob, ‘en dan heb je een watermachine.’
Hij loopt terug naar de doos en legt de fles er weer op.
Ik zeg dat ik het mooi vind en loop naar de garage om mijn gereedschapskist te halen, maar die is in gebruik. Mijn dochtertje heeft de hamer in haar hand en slaat ermee op een schroef. Ze heeft al drie planken scheef op elkaar geschroefspijkerd. Ik probeer te ontwaren wat het is, maar ik zie het niet.
‘Wat maak je?’, vraag ik.
‘Een locomotief’, zegt ze.
Ik vraag waarom ze een locomotief maakt.
‘Gewoon’, zegt ze, ‘wil jij de wielen maken?’
Ik zeg dat ik dat niet kan.
‘Maar een locomotief heeft wel wielen nodig’, zegt ze, hetgeen ik beaam.
Ik beloof haar dat ik erover na zal denken hoe we dat moeten doen en loop naar binnen, waar mijn andere dochtertje, Leen, aan tafel zit. Ze schrijft een brief.
Om haar heen liggen tekeningen van raketten.
‘Aan wie schrijf je?, vraag ik.
‘Aan de NASA’, zegt ze.
Ik vraag me af hoe ze aan die naam komt.
‘Aan de NASA?’, vraag ik.
‘Ik wil astronaut worden’, zeg ze zonder op te kijken.
‘Juist’, zeg ik.
Ik denk even na hoe ik het slechte nieuws zal brengen. Om astronaut te worden moet je heel goed kunnen rekenen en dat zit niet in onze genen; mijn dochters volgen, net als ik vroeger, al vanaf groep drie aangepaste leerplannen voor rekenen.
Ik zeg dat astronaut worden heel moeilijk is en dat je heel goed met cijfers overweg moet kunnen.
Dat vindt ze geen probleem.
‘Ik ga gewoon heel erg mijn best doen en niet meer televisie kijken maar sommen maken.’
Dan vraagt ze of ik de brief even in het Engels wil vertalen zodat ze hem kan opsturen.
Ik denk dat er vandaag geen schilderijen opgehangen gaan worden.

10/05/2007

Ranking the stars

Je vraagt je wel eens af waar je het allemaal voor doet, als je de hele dag op je kamertje aan je nieuwe roman hebt zitten werken. In ieder geval niet voor het geld, realiseerde ik me maar weer eens na het zien van een aflevering van ‘Ranking the stars’.
Voor de mensen die dit BNN programma niet kennen: tien bekende Nederlandse mannen (van Ruud de Wild tot Xander de Buisonje tot Beau van Erven Dorens) beantwoorden ‘leuke’, ‘persoonlijke’ vragen, zoals ‘Wie stinkt er het meest?’ of ‘Wie gaat er het vaakst vreemd?’ en maken een ranglijst waarop ze elkaar een plaats toebedelen.
Vanavond was een vraag: ‘Wie verdient er het meest?’
Filemon Wesselink werd door de meesten op de laatste plaats gezet en inderdaad hij bleek ‘maar’ 7.000 euro per maand te verdienen. Daar moest iedereen wel heel meewarig om lachen. Daarna liepen de bedragen snel op, met als grootstverdiener D.J. Ruud de Wild die meer dan 8 ton per jaar verdient. Mijn vriendin en ik zaten te stuiteren voor de televisie, maar de heren leken het allemaal volstrekt normaal te vinden. Het werd nog even spannend toen Jan Smit het niet pikte en meldde dat hij in de ‘Quote Junior top 500’ wel degelijk boven Ruud de Wild stond. Ik geloof dat hij het serieus meende.
De enige die een zinnige opmerking maakte was bovengenoemde Filemon die zei dat zijn vriendin in de zorg werkt en maar 1300 euro per maand verdient, dus dat hij heel blij was met zijn salaris. Maar die opmerking werd door niemand opgepikt, want dat zou het allemaal veel te gecompliceerd maken. Terwijl hij daarmee natuurlijk wel de kern van het probleem raakt: waarom moet iemand die plaatjes draait 784.000 euro per jaar meer verdienen dan iemand die zieken verpleegt? Goed, het kan nog erger: ik geloof dat de topman van Unilever vorig jaar bijna 10 miljoen verdiende (dat is dus 640 keer zoveel als een verpleegster), maar het blijft ranzig.
Temeer daar de heren vlak daarvoor de vraag: ‘Wie geeft er het meest aan goede doelen?’ hadden behandeld. Nou, het bleek dat ze allemaal het hart op de juiste plaats hadden zitten: de een gaf altijd als er een collectant aan de deur kwam en de ander was ambassadeur voor het Beatrixfonds, de volgende had een vriendin die altijd geld overmaakte als er een acceptgiro binnenkwam, weer een ander gaf een zwerver altijd vijf euro.
Dat niemand het raar vond om drie minuten later te lopen brallen over de tonnen die iedereen verdient bewijst maar weer dat proleten de halve wereld hebben.
Ik zou er bijna SP van gaan stemmen.

9/26/2007

Erbij horen

Iedereen wil ergens bijhoren bedacht ik me toen ik op de site van het Holocaust Memorial Museum te Washington (www.ushmm.org) het fotoalbum van Karl Hoecker, een kampbewaarder in Auschwitz doorbladerde. Honderzesenveertig foto’s van zich ontspannende, vrolijke heren en dames in de Solahute, het ontspanningsoord voor SS-ers die in het kamp werkten. Als je de uniformen en de verdoemde plek wegdenkt ziet het er heel onschuldig en gemoedelijk uit. Zelfs Joseph Mengele die op een paar foto’s te zien is, zou ik absoluut niet herkennen als beul. Hij heeft zelfs wel iets sympathieks.
Het zijn verbijsterende foto’s in de wetenschap dat het werk van deze mannen bestond uit het vergassen van mensen. En, alhoewel het lastig is op basis van deze foto’s te oordelen, lijkt het er sterk op dat ze hun werk ook echt als werk beschouwden. Je ziet een groep mannen die zich na een dag hard werken nog wat ontspant zoals mensen op de vrijdagmiddagborrel van hun werk.
Hoe is het mogelijk, vroeg ik mij af.
Het antwoord stond een dag later in de Volkskrant. In een interview met een jongen uit Sierra Leone die een boek heeft geschreven over zijn leven als kindsoldaat. Nadat zijn hele familie was uitgeroeid door de rebellen werd hij na een vlucht van enkele weken opgenomen door het leger. ‘Het leger werd mijn nieuwe familie’, zegt hij, ‘Ik wilde erbij horen. Geweld plegen was de enige manier om dat te doen.’
Ergens bij horen is na eten en drinken de belangrijkste levensbehoefte van mensen. Een middelbare scholier wil bij de stoere jongens horen; een soapactrice wil bij de bekende Nederlanders horen; Rijkman Groenink wil bij de topmannen van grote bedrijven horen; iemand die nergens bij wil horen wil bij het groepje mensen die nergens bij wil horen horen.
Niemand wil overblijven. Zelfs als je niet helemaal geaccepteerd wordt en er maar een beetje bijhangt is dat altijd nog beter dan nergens bijhoren.
Onontkoombaar is dat je je conformeert aan ‘jouw’ groep. Een anarchist draagt een Palestijnse sjaal en kraakt een leegstaand kantoor; Rijkman Groenink toucheert 6 miljoen euro per jaar; Hoecker vergastte gevangenen. En na een dag hard werken is het goed bier drinken.

9/20/2007

Wilders

Met de beschouwingen in de Tweede Kamer laait ook de discussie over de verruwing van het taalgebruik in de politiek weer op. Iedereen wijst daarbij naar Wilders en inderdaad, hij speelt de rol van proleet die aan de bar de wijsheid van de straat uitvent met verve. Maar het verwijt dat Wilders het heeft uitgevonden, of dat het iets is van de laatste jaren slaat nergens op.
Toen Bolkestein het begin jaren negentig aandurfde om het probleem van de mislukte integratie van vreemdelingen op de agenda te zetten werd hij door links Nederland keihard aangepakt. Wallage verweet hem een onderbuik politicus te zijn; zei dat hij in troebel water viste en wees hem erop dat zijn hele familie tijdens de Tweede Wereldoorlog vergast was als gevolg van soortgelijke opvattingen.
Toen Fortuyn aan zijn opmars begon vergeleek Marcel van Dam zijn opvattingen over de islam met het anti-semitisme van de nazi’s.
Het mag kwa taalgebruik dan wat beschaafder zijn, de karikaturale, eenzijdige en onware voorstelling van zaken doet niet onder voor die van Wilders. In die zin waren Wallage en van Dam (en overigens ook Rosenmuller en Melkert) gevaarlijker. Ze deden alsof ze een intellectueel standpunt verwoordden, terwijl ze in feite bezig waren onder de gordel te trappen.
Bij Wilders heb je dat probleem niet; hij verpakt zijn boodschap niet; hij doet er geen intellectueel strikje om. Hij is de bokser in de ring. Je krijgt het rauw en ongecensureerd in je gezicht, zoals het aan de bar in het cafe om de hoek ook gaat.
In die zin doet hij waar iedereen al jaren om vraagt: de politiek dichter bij de mensen brengen.
Volgens mij zit daar het probleem: we moeten Wilders niet verwijten dat hij onfatsoenlijk is, we moeten onszelf verwijten dat de politiek zonodig van iedereen moest worden. Want daar is het veel te ingewikkeld voor.
Vijfennegentig procent van de mensen heeft er geen tijd voor, is niet geinteresseerd of is gewoon te dom om een weloverwogen keuze te maken. Hoeveel mensen lezen uberhaupt een partijprogramma?
Politiek is juist niet voor de straat, maar dient bedreven te worden door saaie, grijze mannen en vrouwen in met kaarslicht verlichte, zeventiende eeuwse kamers met ornamenten aan het plafond. Een nieuw soort adel hebben we nodig: bekwame, rustige vakmensen, die evenwichtige besluiten nemen, zonder gestoord te worden door journalisten of door Maurice de Hond. Wim Kokken, Els Borsten of Ben Botten. Mensen die eigenlijk ook niet houden van camera’s en interviews; mensen die voor hun lol een duizend pagina tellend dossier over de thuiszorg doorspitten; mensen die uit plichtsbesef tot twee uur ’s nachts aan begrotingen sleutelen; mensen die in het weekend ter ontspanning een langspeelplaat met Bach cantates opzetten.
Dat zijn de mensen die we nodig hebben. Geen schreeuwers, geen in de markt gezette politici, geen door spindoctors ingefluisterde mannetjesmakers.
Weg met de zogenaamde openheid of transparantie van de politiek; het is allemaal schijn. Iedere fractievoorzitter heeft wel een rapport dat zijn gelijk ondersteunt. Elke minister tovert wel ergens een cijfer tevoorschijn dat zijn standpunt onderbouwt. In Den Haag weten ze allang dat wij die rapporten niet lezen, en dat we dus toch afgaan op de grijze haren of de blauwe ogen van de politicus. Of op de gebezigde schuttingtaal.
Wilders voldoet gewoon aan de verwachtingen, we hebben hem zelf gecreeerd. Wallage en Van Dam zijn zijn vaders.

9/13/2007

Thomése

Ik volsta deze keer met een paar citaten van de schrijver Frans Thomése uit een interview in de Volkskrant naar aanleiding van zijn nieuwe boek.
Omdat ik er niks aan toe te voegen heb; omdat ik jaloers ben op zijn scherpe analyses en formuleringen.
Nou goed, laat ik het kort inleiden.
Een paar weken geleden sprak ik hem even op de jaarlijkse borrel van ‘onze’ uitgever. Daarna pakte ik thuis zijn bekendste boek(je) ‘Schaduwkind’ uit de kast en herlas het. Voor diegenen die het nooit lazen: het gaat over de vroege dood van zijn dochtertje. Ondanks het loodzware thema wordt het nergens pathetisch. Ik las het met tranen in de ogen (eigenlijk te pathetisch en onorigineel geformuleerd. Hoe zou Thomése dat zeggen?), juist omdat het zo scherp en literair is geschreven. Onbegrijpelijk dat hij daar geen prijs mee gewonnen heeft.
Twee weken geleden stuurde mijn uitgever me zijn nieuwe boek, ‘Wladiwostok’. Een totaal ander boek. Gaat over een mannetjesmaker die een politicus ‘in de markt zet’. Een boek over platte karakters in een platte wereld, maar verre van plat geschreven.
Het boek is in feite een grote aanklacht tegen de ‘vertelevisering’ van deze tijd. Een tijd waarin het gaat om quotes, one-liners, beeldvorming, uiterlijk en bedrog. Niets is wat het lijkt, alles is geregisseerd. Verdieping, gedegen onderzoek, nuance, subtiliteit zijn verboden; het moet snel, aansprekend en oppervlakkig. Het is een soort kaasschaaf wereld: mensen weten van een heleboel dingen een beetje. Ze schaven van alles een dun laagje af en gaan weer verder.
Nou ja, ik laat het Thomése verder wel zeggen:
‘In de maatschappij en de media bestaat de trend om steeds persoonlijker te worden, openhartiger, zogenaamd eerlijker en authentieker. Een omkering van waarden. Iemand denkt: ‘Als ik persoonlijker ben, wordt wat ik zeg vanzelf waar en interessant.’
‘De grachtengordel pleegt lachend naar Geert Wilders of de LPF-operette te wijzen, maar in wezen ligt de schuld bij beschaafden, bij ons soort mensen. Die hebben het toegelaten, zijn lacherig gaan doen over moeilijke boeken. Die hebben de weg vrijgemaakt voor debiliteit.’
‘Er bestaat een gigantisch onderdrukt gilles-de-la-tourettesyndroom in de westerse samenleving, die door de cultuur een uitlaapklep wordt gegeven. Daarom wil je ook altijd lezen over schoften, smerige dingen, nare levenslopen, omdat het in het echt niet is geaccepteerd.’
‘Ja, als schrijver ben je natuurlijk ooit betoverd door boeken en niet door tv-programma’s. Die ben je al kijkend weer vergeten, laat staan een dag later..... Over het algemeen is de tv een vergeetmachine.’
‘Boeken hadden en hebben over mij een heel grote macht. Niet zozeer dat er kennis in ligt opgeslagen, maar meer dat boeken je laten zien hoe je kunt nadenken. Het zijn aanzetten voor je eigen denken. Kijk, domheid is besmettelijker dan kennis, domheid verspreidt zich sneller en daar is dus altijd meer van. Voor verstandigheid moet je inspanning verrichten. Maar ik geloof niks van die scenario’s die somber stellen dat het boek aan zijn einde is.’

9/03/2007

Schoonheid

De jubileum-uitzending van ‘Zomergasten’ had een hoog ‘Lieve Mona’ gehalte. Al die persoonlijke ontboezemingen van vrouwen die zo’n dominante vader hadden of die hun schoolvriendinnetje op vijftienjarige leeftijd waren kwijt geraakt interesseerde me echt helemaal niets. Hoe oprecht de emoties ongetwijfeld waren, het blijft plat en lelijk ze zo op televisie uitgestald te zien. Dat lag trouwens niet aan Paul de Leeuw, die ik weldadig rustig vond, maar aan het 'format' (klinkt als vloeken in de VPRO kerk).
Gelukkig wel weer een fragment uit de prachtige documentaire ‘Nauwgezet en wanhopig’ (Wim Kayzer), waarin Jorge Semprun (schrijver en als ik me niet vergis ook ooit minister van cultuur in Spanje) vertelt hoe hij in een Duits concentratiekamp schoonheid ervaart als hij tijdens een wandeling een prachtige met sneeuw bedekte eik ziet. Ook de SS-officier die hem begeleidt wordt er door geraakt en valt even uit zijn rol als SS-er: hij is er stil van. Even maar, want daarna begint hij weer in het Duits te schreeuwen.
De zomergast die het fragment had aangevraagd concludeerde hieruit dat schoonheid alles overwint, wat me een vrij bizarre gevolgtrekking lijkt, want het moment duurde alles bij elkaar misschien tien seconden. De conclusie is eerder dat het kwade het schone overwint, behalve dan in die paar gewijde seconden.
Twee weken geleden ging het ook al over schoonheid in een door Rinnooy Kan uitgezocht fragment uit dezelfde documentaire: George Steiner (schrijver, filosoof) die zijn leven lang worstelt met de vraag hoe het kan dat een kampbeul die overdag mensen de dood in jaagt, s’ avonds zo prachtig Schubert kan spelen.
Gaat het bij het fragment van Semprun over de vraag hoe het kan dat de gevangene en de beul, door schoonheid overmand, even een moment van gemeenschappelijkheid hebben; Steiner’s vraag is hoe de duivel en het schone in een persoon verenigd kunnen worden.
In die zin was het fragment over San Santen ook interessant. Santen was een idealist die zich had aangesloten bij een Trotskistische beweging. Hij sloot een innige vriendschap met de leider van de groep, maar kreeg twijfels en verliet de beweging. Daarmee was de vriendschap van de ene op de andere dag over. Santen bleef daarover zijn leven lang teleurgesteld.
Afgezien van het feit dat het vrij naief is om idealisten op menselijk gebied te vertrouwen is de onderliggende vraag van alledrie de fragmenten: in hoeverre valt de mens te doorgronden?
Als er iets uit alle zomergast fragmenten blijkt, dan is het wel dat de menselijke ziel een kluwen emoties, instincten, overlevingsmechanismen en rationele overwegingen is, bij elkaar gehouden door een dun draadje beschaving. Als het draadje breekt (en dat gebeurt bij mij al in de file als er weer eens iemand op het laatste moment invoegt) wordt het gedrag van de mens onvoorspelbaar en gevaarlijk.
Gelukkig komt uit alle ellende ook altijd wel weer iets moois naar boven, wat vooral geillustreerd wordt door Semprun en Steiner zelf. De manier waarop zij in ‘Nauwgezet en wanhopig’ hun ervaringen in het kamp analyseren en beschrijven vind ik van een ongelofelijke schoonheid.
In die zin moet ik bovengenoemde zomergast wel een beetje gelijk geven: het schone overwint weliswaar niet, maar het komt wel altijd even bovendrijven. Vaak daar waar je het niet verwacht.

8/27/2007

Linda

Net als Joris Luyendijk in verwarring over wat ik van de zomergastavond met Linda de Mol moest denken.
Eerst dacht ik dat het de grote Linda show zou worden: fragment van haar vader, fragment van haarzelf, fragment van haar huis.
Daarna kwamen er andere, betere fragmenten, maar ook toen leek het me allemaal erg doelbewust geproduceerd: fragment Michael More (ik ben ook kritisch); fragment dementie (ik ben betrokken); fragment documentaire plastische chirurgie (mijn botox valt in het niet bij wat ze in Amerika doen).
Eigenlijk is Linda de archetypische Nederlandse ster: ze raakt alles even aan. Een vleugje humor, een snufje leed, een beetje maatschappijkritiek. Het is allemaal goed, aan alles is gedacht, alles wordt even aangeroerd en als het te diep gaat komt het volgende onderwerp.
Zoals in de Amerikaanse ziekenhuisserie ER: zodra er een pijnlijk gesprek plaatsvindt tussen twee mensen en het hoge woord is er uit wordt er weer een gewonde binnengereden en rent iedereen weg. Nooit zie je hoe iemand onhandig wegloopt, nooit kijk je naar een te lange pijnijke stilte, nooit zie je een onbeholpen einde van een gesprek.
Alleen toen het over haar broer ging kreeg je een glimp te zien van wat zich onder het oppervlak bevond. Dat was interessant.
Verder liet Linda zich niet kennen en speelde ze het gewone meisje nextdoor.
Vind het altijd zo’n rare gewaarwording om intelligente mensen te zien die bewust doen of ze niet slim zijn. Die geforceerd gewoon zijn.
Overigens denk ik wel dat ze gelijk heeft met de constatering dat ze niet meer weet hoe het is om het achterste van haar tong te laten zien; ze is al zolang publiek bezit. Op een moment zei dat een voordeel van beroemd zijn was dat er voor haar deuren geopend worden die voor anderen gesloten blijven. Dat moet ook het geval geweest zijn bij Zomergasten. Een goede redacteur had na twee voorbesprekingen toch moeten zeggen: ‘Dit is geen geschikte gast voor ons programma.’
Maar ook de VPRO zal verlekkerd hebben gedacht aan de kijkcijfers.
Wat was de lijn van de fragmenten? Waarom koos ze deze uit? Wat wilde ze ermee zeggen? Het bleef allemaal onduidelijk.
Al met al is mijn conclusie dat ze het heel goed deed, alleen in het verkeerde programma zat.
Overigens sloot ze de avond prachtig af met John Mayor’s ‘Daughters’. Wat een geweldig nummer is dat toch: sober, eerlijk, echt.

8/24/2007

Zon

Er zijn dagen dat ik overal een complot vermoed.
Nu lees ik weer dat zon juist goed is en bepaalde vormen van kanker (zoals darm-, baarmoederhals-, prostaat en borstkanker) helpt voorkomen. Verbranden blijft slecht, zeker als het kinderen betreft, maar verder is het devies: zoveel mogelijk in de zon! Het Kanker bestrijdings fonds heeft ons jaren verkeerd voorgelicht.
Eigenlijk worden alle gezondheidsadviezen die ik meekreeg van mijn ouders in de loop der jaren onderuit gehaald.
Jarenlang heb ik tegen heug en meug appels gegeten (“Snoep verstandig eet een appel”), inmiddels is gebleken dat de zuren die in appels zitten juist slecht zijn voor je tanden.
Mijn hele leven heb ik maar 1 ei per week gegeten omdat er zoveel cholesterol in eieren zit. Tot ontdekt werd dat in eigeel weliswaar veel cholesterol zit, maar in het eiwit juist weer een stof die het cholesterol neutraliseert.
Tientallen jaren heb ik met ijzeren discipline drie glazen melk gedronken (Joris Driepinter), tot het niet meer mocht omdat het slecht was voor hart en bloedvaten.
En nu moet ik weer in de zon.
Waar ik me vooral over opwind is het feit dat de kennis gewoon voorhanden was. Er bestonden allang onderzoeken die aantoonden dat de zon de aanmaak van vitamine D bevordert en daarmee de kans op kanker doet afnemen.
Net zoals men volgens mij in de jaren zeventig ook wist dat mensen in Japan geen hart en vaatziekten kregen omdat ze geen zuivelprodukten gebruikten.
En was het dertig jaar geleden niet bekend dat in alle vruchten zuren bevatten die slecht zijn voor je tanden?
Waarom hoorde ik dat niet eerder? Wie houdt die informatie tegen? Wie heeft daar belang bij?
Van bedrijven wist ik allang dat ze de waarheid inkleuren zoals ze dat het beste uitkomt. Deze week nog heb ik een half uur met een verkoper gesproken over een LG stoomwasmachine die kreukvrij zou wassen. Er stond zelfs een vitrine met een smetteloos wit, kreukvrij overhemd ter voorbeeld. Achterdochtig als ik ben zocht ik thuis op internet en las een onderzoek van de consumentenbond (maar daaraan begin ik langzamerhand ook te twijfelen) waaruit blijkt dat een stoomwasmachine het overwegend slechter doet dan een gewone.
Van de overheid wist ik ook allang dat ze liegt als het haar uitkomt. De eerste keer dat ik dat helder zag was toen bleek dat de autoloze zondagen in de jaren zeventig (volgens de overheid noodzakelijk omdat onze olievoorraad opraakte) volstrekt onzinnig waren. Het was een egotripje van Den Uyl: hij vond het zo’n fijne uiting van solidariteit als we met z’n allen een dag geen auto zouden rijden.
Ik was zo naief om te denken dat idieele instellingen vrij waren van politieke of commerciele motieven. Tot ik in het NRC las ik dat het Kanker bestrijdings fonds wordt gesponsord door cosmeticamerken als Vichy en Zwitsal......
Vooralsnog houd ik me vast aan wat mijn ouders me leerden. Ik pers een sinasappel uit en drink het sap meteen op omdat anders de vitamines eruit gaan; ik eet bruin brood, ik zorg dat ik elke dag minstens een half uur beweeg en ik doe een sjaal om als het koud is.

8/13/2007

Vakantie 1

Ik loop met mijn gezin over de drooggevallen bodem van de Seine, bij het plaatsje Villerville, iets ten Noorden van Deauville (de badplaats waar de sjieke Parijzenaars komen). Het plaatsje ligt tegenover Le Havre aan de monding van de rivier, in feite precies daar waar de Seine in zee stroomt.
We zijn een uur geleden aangekomen na een week regen op een camping in de Bourgonge. Het was mijn eerste kampeerervaring en het moet raar lopen als het niet mijn laatste was. Gelukkig bestaat het tweede deel van onze vakantie uit het verblijf in een prachtige Chambre d’Hotes van de Nederlandse familie Tutein Nolthenius: een negentiende eeuws Pippi langkous huis met uitzicht op de zee en de Seine.
We genieten van het idee dat we vannacht zullen slapen in slaapkamers waar het niet stinkt naar koeienstal en waar ’s ochtends je kleren droog zijn; van een eigen badkamer waar je niet op een warme WC bril van je voorganger hoeft te zitten en van de luxe van een bed met een echt matras en een lattenbodem.
De gastvrouw heeft ons verwelkomt met een wijntje in haar prachtige tuin met uitzicht op zee waardoor het contrast met de plastic bekertjes onder de te kleine luifel van onze door regen geteisterde tent nog groter wordt.
Voor het eten maken we een wandeling over het strand dat, nu het eb is, ongeveer vijftig meter breed is. Bij hoog water komt de zee tot aan de kade. Ik heb me net laten vertellen dat het hoogteverschil tussen hoog en laag water gemiddeld meer dan vijf meter is.
De kinderen zoeken schelpen en doen die in een emmer. Ik verbaas me er weer eens over aan hoe weinig kinderen genoeg hebben: een emmertje, zand, water, schelpen. Gelukkiger krijg je ze niet.
Ik bespreek met mijn vriendin de optie om hier te gaan wonen. Waarom niet? We verkopen ons huis; voor dat bedrag koop je hier een villa en we beginnen een Chambre d’Hotes. Ik kan alle dagen schrijven, mijn vriendin maakt ontbijt voor de gasten, de kinderen gaan naar een leuke Franse dorpsschool en in hun vrije tijd lopen ze langs het strand.
Als we bij de rand van het water zijn gekomen vraagt mijn zoontje of straks de zee weer hoog wordt. ‘Ja’, zeg ik, ‘dat gaat altijd door. Steeds komt de zee op en gaat hij weer af.’ Ik twijfel nog even of ik hem zal vertellen over de aantrekkingskracht van de maan, maar ik besluit het niet te doen. Ook al omdat ik niet helemaal precies weet hoe het zit.
We staan met onze opgestroopte broekspijpen in de zee en kijken naar de boten die voorbij varen. Genieten we nu extra omdat we het de vorige week regende of is het hier echt zo mooi?
Als het tegen achten is moeten we terug omdat onze gastvrouw voor ons heeft gekookt. De kinderen rennen voor ons uit. Ik adem de zeelucht in en wil dat alles altijd zo zal blijven.
Ineens blijft mijn zoontje staan. Hij kijkt naar de grond. Dan roept hij: ‘Pappa!’
Hij is duidelijk opgewonden.
Ik loop naar hem toe.
‘Pappa’, roept hij nog een keer omdat ik niet snel genoeg loop naar zijn zin.
Als ik er ben zegt hij: ‘Hier’ en hij wijst op een rond gat tussen de stenen en het zand.
Ik zie aan zijn houding dat hij ontzettend trots is op z’n vondst, maar begijpt niet wat hij bedoelt.
‘Wat is dat?’, vraag ik.
‘Daar’, zegt hij nog een keer triomfantelijk.
‘Ja’, zeg ik, ‘ik zie het. Maar wat is dat?’
‘Dat’, zegt hij terwijl hij zijn handen in z’n zij zet, ‘is de stop van de rivier.’
Het moet raar lopen willen we hier niet gaan wonen.

6/10/2007

Moortje

Katten kwamen er bij ons thuis niet in. Wij hadden konijnen, cavia’s en kippen die achter in onze tuin in een enorme ren zaten, die mijn ouders daar een keer in een weekend hadden neergezet. Het mooie van de ren was dat het gaas tot een meter onder de grond doorliep zodat de konijnen holen konden graven, hetgeen ze gretig deden. Zo gretig dat er af en toe eentje onder het grondgaas doorglipte en ontsnapte. Pas na een urenlange tuinen en brandgangen guerilla konden wij het dier dan weer vangen.
Af en toe kregen ze gezelschap van een eend of waterhoen. Wij woonden namelijk aan een drukke straat tegenover een park waarin een grote vijver lag, wat geen gelukkige combinatie is. Er werd regelmatig een eend of waterhoen aangereden die dan half kreupel bij ons voor op de stoep zat en die door mijn moeder liefdevol in een doos in de garage werd gezet om verzorgd te worden. Als het beter ging werd het dier om aan te sterken in de ren gezet waar hij zonder enig probleem gedoogd werd door de andere dieren. Van enige territoriumdrift hadden ze geen last (Vroeger was alles beter). Was de eend eenmaal hersteld dan werd ie door mijn moeder weer terug in de vijver van het park gezet, waarbij hij meestal een beet in haar hand naliet als dank.
Zo liefdevol als wij waren voor onze dieren, zo weinig moesten wij hebben van katten.
Katten werden vol overgave uit de tuin geweerd. Zag ik er een bij de ren scharrelen dan rende ik de tuin in en smeet alles wat voor handen was (sinasappels, bananen, plastic kopjes, messen, vorken) naar de kop van het beest. Een keer lukte het me om er een een trap te geven.
Waar deze haat vandaan kwam weet ik niet; het was meer een soort collectief familiegeheugen: wij houden niet van katten.
Dertig jaar later was er dan ook een maanden durend charmeoffensief van mijn vriendin en mijn dochter voor nodig om mij over te halen een kat te nemen. Eerlijk gezegd stemde ik vooral toe om van het gezeur af te zijn. Er werd namelijk door mijn dochter onbedoeld (of hebben meisjes die vaardigheid als ze vier zijn al onder de knie?) danig op mijn schuldgevoel ingespeeld. Elk plaatje van een kat werd uitgeknipt en zuchtend bekeken; elke kat die we op straat tegenkwamen werd smachtend aangehaald; elke avond voor het slapen gaan werd mij gesuggereerd hoe ik haar echt gelukkig zou kunnen maken (‘Weet je wat ik het allerliefst zou willen? Wat ik echt, echt, echt, heel, heel, heel fijn zou vinden? ..... Een katje’)
En dus reden wij drie jaar geleden naar het asiel en zochten een klein zwart katje uit dat, samen met zijn broertjes en zusjes, in een doos in het bos was gevonden.
Moortje werd hij genoemd.
Het beest veroverde als snel zijn plaats in ons huis: het klauterde op de bank, sprong van de tafel, rende door de gang, gleed over de gladde tegels in de keuken, vrat de garnalen die op het aanrecht stonden op, likte aan de kaas, krabte aan de stoel, kotste over het kleed, maar deed alles met zo’n ontwapenende charme dat ik maar moeilijk kwaad op hem kon worden, hoezeer ik m’n best ook deed. Ik maakte een kattenluik waardoor ook de andere verwende, brutale Amsterdamse buurtkatten naar binnen kwamen en het bakje van onze kat leegvraten. Moortje ontdekte de tuin, de tuin van de buren, alle tuinen van de buurt. Hij leerde andere katten kennen die hem ’s avonds kwamen ophalen om uit te gaan. Ik raakte gewend aan het geklepper van het luik en maakte me ’s ochtends zorgen als hij niet binnen was. Ik bracht Moortje in de zomervakantie naar een opvang en was oprecht blij hem weer te zien als ik hem na de vakantie ophaalde, al had ik sterk de indruk dat dat niet wederzijds was.
Ook toen we verhuisden paste Moortje zich moeiteloos aan de nieuwe omgeving aan. Hij maakte vrienden met de kat van de buren; hij wist ook hier weer feilloos de nestjes met jonge vogeltjes te vinden; sleepte af en toe een muis mee en ging er op het terras mee spelen. Hij was helemaal in zijn element.
Tot hij op een ochtend thuis kwam en nauwelijks meer kon lopen. Hij mauwde, bleef uren liggen, ging ’s nachts niet meer naar buiten. Bij de dierenarts bleek dat hij z’n staart gebroken had. Waarschijnlijk aangereden door een auto of getrapt door een kattenhater.
De staart heelde weer, maar hij werd nooit meer de oude. De afgelopen maanden liepen we de deur plat bij dierenartsen die pilletjes voorschreven, katheteriseerden, drankjes en dieten adviseerden, zeiden dat we over twee dagen terug moesten komen, ons op het hart drukten dat we hem twee weken binnen moesten houden. Het mocht niet baten. Vierhonderd euro verder ging het helemaal mis; Moortje kon niet meer plassen en moest worden afgemaakt.
‘Krijg ik nu een cavia?’, vroeg mijn dochtertje.

5/22/2007

7 juli

7 juli a.s. is de grote dag van Al Gore. Dan vinden op verschillende podia over de hele wereld concerten plaats onder de naam: Live Earth. In Nederland wordt ook een concert georganiseerd en de publieke omroep doet in een 24 uurs uitzending verslag van alle hoogtepunten op de diverse podia.
De vaste lezer van mijn log weet dat ik de film van Al Gore slecht vond: te Amerikaans, te eendimensionaal, te prekerig. Daarbij werd ik gek van alle paternalistische doemgrafieken met stijgende lijnen.
Alhoewel het kan zijn, ben ik er niet zeker van dat de aarde opwarmt door toedoen van de mens. Voor een overzicht van de argumenten daarvoor verwijs ik naar mijn weblog van 30 november 2006: ‘Wat Gore unconvenient vindt’. Vooral geologen hebben het over een ritme van de aarde (van opwarming en afkoeling) waarop de mens geen enkele invloed heeft.
Dat betekent niet dat ik de zorg rond het klimaat niet deel en ik ben dan ook voorstander van het nemen van maatregelen die de uitstoot van Co2 kunnen beperken. Al was het maar omdat we het risico gewoon niet moeten nemen. Want veranderingen in de natuur zijn vaak lastig terug te draaien. Mijn buurman die bioloog is, legt het altijd zo uit: ‘Processen in de natuur werken als een wip. Je kan heel lang een zware bal de wip oprollen zonder dat er iets gebeurt, maar als de bal eenmaal over het middelpunt heen is, slaat de wip om. En probeer dan de bal maar eens terug te rollen.’
Oftewel, de natuur heeft een hang naar evenwicht en doet er alles aan om dat evenwicht te behouden. Maar als het eenmaal is omgeslagen doet het er alles aan om dat nieuwe evenwicht te behouden en dan kan je niet meer terug.
Nou ja, ik ben dus voor maatregelen maar volg de lijn van de meeste milieu-activisten niet.
Wie schetste dan ook mijn verbazing toen mij een paar weken geleden werd gevraagd of ik voor 7 juli het ‘Klimaatlied’ van Nederland zou willen schrijven. Soort ‘We are the world’ maar dan over de aarde in plaats van over hongerende kinderen. Het is de bedoeling dat het gezongen wordt door bekende Nederlandse artiesten; dat het makkelijk mee te zingen is; dat het niet prekerig is; dat het optimistisch is; dat iedere partij zich er in moet kunnen herkennen; etc.
Vrij makkelijk werkje dus.
Ik moet zeggen dat ik, na enige twijfel, zeer vereerd was met dit aanbod. Zeker ook omdat de organisatie, Coolclimate, een zeer breed en, voorzover ik het nu kan overzien, ruimdenkend platform is. Niet alleen Femke Halsema of Roel van Duin types, maar ook Beau van Erven Dorens en Wubbo Ockels werken mee. Voor ieder die zich er in wil verdiepen: www.coolclimate.nl.
Zit dus nu te zwoegen op een lied over klimaatverandering zonder dat het pathetisch wordt. Dat is behoorlijk zweten, zeker nu het dezer dagen weer veel te warm is voor de tijd van het jaar.

5/10/2007

Maastricht

Een aantal dagen in een hotel in Maastricht in verband met onderzoek voor mijn nieuwe boek. Al is het gevaarlijk al te veel prijs te geven over iets dat, op twaalf bladzijdes na, nog helemaal geschreven moet worden (‘Verzoek ik de goden niet?’; ‘Leg ik mezelf niet teveel druk op?’): een van de romanpersonages in het boek lijkt verdacht veel op mijn ‘andere’ grootvader. Niet die van MODWZHM dus.
Aangezien hij is geboren en getogen in Limburg ging ik op zoek naar zijn geboortehuis in Valkenburg; de huizen waar hij woonde in Maastricht en zijn voormalige school. Verder wilde ik de stad ondergaan.
Maastricht voelt goed. Heel goed eigenlijk. Ik weet niet of het komt omdat ik eindelijk weer eens tot acht uur ‘uit kan slapen’ of omdat ik me voor het eerst sinds tijden weer helemaal kan wijden aan mijn boek, maar het lijkt er op dat mensen hier vriendelijker en zachter zijn dan in de rest van Nederland.
Misschien heeft het ook te maken met de onhollandse sfeer die de stad ademt.
Huizen worden gebouwd met het materiaal dat voorhanden is en aangezien de Pietersberg om de hoek ligt zijn de meeste huizen opgetrokken uit zachte mergelsteen die daar wordt gewonnen. Verder zijn kozijnen en stoepranden van Belgisch hardsteen en zijn de straten en stoepen gemaakt van kasseien in plaats van bakstenen en grijze tegels met kauwgom. Het geeft de stad een buitenlands karakter en maakt dat het voelt alsof ik met vakantie ben, wat - ik benadruk dit maar even voor ieder die denkt dat schrijven gelijk staat aan in hotels zitten, in whirpools hangen, uren aan tafels van sterrenrestaurants zitten en af en toe op een verloren moment wat op een papiertje krabbelen - beslist niet het geval is. Mijn hotelkamer heeft niet eens een bad.
Het lijkt er ook op dat er hier veel meer bijzondere winkels zijn. Natuurlijk hebben ze hier ook een H&M en een Blokker en een Free Record shop (waar ze mijn CD niet hadden) maar ook allerlei winkels die ik ergens anders nog nooit ben tegen gekomen.
Het gebrek aan een goede platenwinkel word trouwens ruimschoots gecompenseerd door zonder twijfel de mooiste boekwinkel van Nederland: boekhandel Dominicanen. Die bevindt zich namelijk in een oude kathedraal, vlakbij het Vrijthof. In het schip staan tien meter hoge boekenkasten met loopbruggen en achterin op de plaats van het koor is een lunchroom die vergelijkbaar is met een vestiging van de Coffeecompany. Vanaf je stoel aan de leestafel die op een verhoging staat heb je een schitterend uitzicht op de verlichte, mergelstenen beuken en muren van de kerk. Het word je hier wel erg moeilijk gemaakt geen boek te kopen. Ik drink er elke dag koffie.
Een niet helemaal te verwaarlozen verklaring voor mijn enthousiasme is overigens dat mijn boek er in stapels middenin de winkel ligt. Dit in het kader van de nominatie voor de Selexyz-debuutsprijs die ik overigens niet won. Maar daarover meer over een paar jaar, als ik het allemaal verwerkt heb. Maastricht is in ieder geval een goed medicijn.

4/24/2007

Cruyff en Kruize

Ik moest gisteravond tijdens de marathon uitzending over Johan Cruyff die zestig wordt, denken aan Ties Kruize: mijn Cruyff.
Mijn gedachten dwaalden overigens niet alleen af omdat het een onzinnige avond vol pathetiek was (Tom Egberts: ‘We zeiden het al in de vooraankondiging; we hebben vanavond beelden die u nog nooit gezien hebt. [vage zwart wit beelden met een digitaal rondje rond een voetballer; kennelijk Cruyff]. Dit zijn de eerste beelden van Cruyff als voetballer bij Ajax! Kijk, hij wil de bal hebben. Je hoort hem nu wat zeggen... luister goed naar wat hij zegt [‘Hee Piet, ik sta vrij’]..... Dit zijn de eerste beelden van een voetballende Johan Cruyff bij Ajax!!!
We kijken nog een keer. Kijk goed naar de eerste beelden van Cruyff bij Ajax. Luister.... [‘Hee Piet, ik sta vrij’]. De eerste woorden op band van Cruyff!! Fantastische beelden. Het zat er toen al in. We kijken nog een keer ..... Luister....”), maar ook omdat Ties Kruize in alles een groter sporter was dan Cruyff. Hij won als hockyer acht keer de landstitel met HCKZ, won tweemaal de Europa Cup 1; werd met het Nederlands elftal Europees en wereldkampioen en won de Champions Trophy tweemaal. Kruize was gevreesd om zijn strafcorners die hij over het algemeen snoeihard in de bovenhoek joeg. Hij was een imposante verschijning: groot, gespierd, vorsende blik in de ogen, met een ongekende snelheid voor zo’n stevig lichaam.
Ik herinner me dat hij een keer meedeed aan ‘Sterrenslag’; een programma waarin topsporters uit alle takken van sport tegen elkaar streden: hij won het glansrijk van alle duurbetaalde voetballers, wielrenners en tennissers.
Ik googelde op zijn naam en zag tot mijn schrik dat hij tegenwoordig makelaar in assurantien en pensioenadviseur is. “Kruize B.V. geniet het vertrouwen van zo’n enige duizenden clienten”, staat er op de website.
De meeste mythes blijken na verloop van tijd toch niet zo groots als wij dachten. Ruud Gullit lijkt in niets meer op die politiek correcte voetballer die zijn prijs opdroeg aan Mandela; Van Basten blijkt niet zo succesvol als hij was toen hij nog voetbalde; Ties Kruize heeft het over “zo’n enige duizenden clienten”.
Eigenlijk moet een mythe zich terug trekken op een eiland en zich niet meer laten zien. Of hij moet consekwent blijven in het in stand houden van de mythe
Dat moet ik Cruyff nageven; hij blijft een mirakel: of hij nou voetballer is, coach of commentator.
Het is dat mediagenieke dat hem zo groot maakt, niet het feit dat hij zo goed kon voetballen. Overigens viel me op dat er een aantal mooie acties van hem meerdere keren herhaald werden gedurende de avond. Misschien was hij wel niet zo heel goed, schoot er even voor mijn hoofd.
In ieder geval niet zo goed als Ties Kruize was. Ties wordt over vier jaar vijftig. Ben benieuwd of Tom Egberts er melding van gaat maken.

4/17/2007

Vlak voordat

Sinds vrijdag is mijn nieuwe CD, Vlak voordat, uit. Wat zoveel wil zeggen dat hij vanaf afgelopen vrijdag verkrijgbaar is.
Voor het eerst heb ik geen officiele presentatie (met concert en toespraak) georganiseerd, omdat ik een beetje organiseer-moe ben. Uiteindelijk speel ik mijn eigen platenbaas, dus de afgelopen maanden ben ik vooral bezig geweest met het organiseren van vanalles: een oefenruimte; een studio; een masterstudio; een perspromotor; een plugger; een distributeur. Het is een soort jongleren met zeven ballen om alles op tijd rond te hebben en iedereen gemotiveerd te houden.
Maar ik heb er spijt van, want een presentatie is een belangrijk ritueel.
Je moet een punaise op een landkaart prikken en afspreken: als ik er ben, vier ik feest.
Net zoals je aan het eind van de vierdaagse een medaille krijgt.
Helaas zijn de meeste eindes rafelig.
Zo dreigde het vorig jaar bij MODWZHM ook te gaan.
Toen ik het idee van het schrijven van een boek over mijn grootvader hardop had uitgesproken –of eigenlijk: toen mijn vriendin hardop had uitgesproken dat ik nu eindelijk dat boek eens moest schrijven – dacht ik: als ik een uitgever bereid vind het uit te geven, dan spring ik een gat in de lucht. Via via kwam ik bij mijn huidige redacteur terecht. Ik vertelde het verhaal dat ik in mijn hoofd had zitten, maar ik kreeg – uiteraard - niet meteen uitsluitsel. Ze moest er over nadenken en het eens overleggen. Een paar weken later belde ze me op tijdens onze vakantie in Zwitserland, juist op het moment dat we met drie huilende kinderen in een stervenshete file van Montreux naar Lausanne zaten. Toen we die avond uitgeput op het terras zaten waren we te moe om het nog te vieren.
Gaandeweg het schrijven dacht ik meermalen: als ik het manuscript ingeleverd heb, gaat de champagne open. Ik stelde het me, op dagen dat ik wezenloos naar het beeldscherm zat te turen, ook regelmatig voor: op een dag leg ik mijn pen neer (belachelijk, want ik doe alles op de computer), ik doe het manuscript in een grote enveloppe; ik lik de enveloppe dicht, loop naar de brievenbus, doe het op de bus en steek een pijp op.
Maar toen ik twee jaar later mijn manuscript per e-mail inleverde bij de corrector, begon het pas: ik kreeg het een paar weken later rood terug: elke bladzijde stond vol met strepen, vraagtekens, bijschriften en vragen als: ‘Hoe kan dat nou, op pagina 104 beweer je juist dat het regent?’
Uiteindelijk was het einde van het schrijven een telefoontje van de corrector met de vraag of ik het er mee eens was dat er een witregel kwam na de zin:“Er zitten woorden in de weg” op pagina 254. Geen groots moment dus.
Toen dacht ik: als ik eenmaal het boek in handen heb, dan huren we een kamer in het Amstel hotel. Maar het eerste exemplaar kreeg ik per post toegestuurd op de dag dat wij verhuisden.
Ik was dus blij dat ik een paar weken later een officiele boekpresentatie had. Met toespraak, met vrienden en met drank.
Ik heb het echt gemist bij ‘Vlak voordat’.

4/04/2007

Jan

Jan heeft me dit keer echt teleurgesteld. Ik was altijd onder de indruk van zijn welsprekendheid; van zijn goed geformuleerde gedachten; van zijn grammaticaal correcte zinnen. Jan was helder; nooit wollig; Jan gebruikte geen modewoorden, maar degelijke, Hollandse woorden die al decennia lang meegaan; woorden die de tand des tijds hebben doorstaan.
Het Telegraaf-interview viel dan ook rauw op m’n dak:
‘Een dikke, extra plus.’
Dat valt in de categorie: ‘helemaal top’; ‘Je bent een kanjer’; ‘Ga maar lekker zitten’.
‘Een dikke, extra plus’, schurkt aan tegen: ‘Het was een superavond’; ‘Een stukje beleving’ en ‘Het verzekeringsgebeuren.’
Je hoort het Rene Froger zeggen. Je ziet Henk Jan Smits achter een jurytafel zitten. Je ruikt Gordon.
‘Een dikke, extra plus’ hoort bij een Opel Vectra of een Hyundai Santa Fe. Het hoort bij kleine, zweterige kamertjes in grote glazen gebouwen. Het hoort bij systeemplafonds; bij witte koltruien met gouden kettingen. Het hoort bij opdekdeurtjes; gipswandjes; Rob Verlinden; Jaccuzi’s in een achtertuintjes van drie bij drie meter; bij ‘luxe vijf sterren vakantiewoning’; bij ‘Vitamust’ van Conny van Breukhoven.
Niet bij Jan.
Het resultaat is ernaar. Voor het eerst in zijn loopbaan als SP voorman wordt Marijnissen aangevallen door zijn eigen partijgenoten. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege zijn taalgebruik.
‘Een dikke, extra plus’?? Is dat onze Jan? Is dat ons toonbeeld van degelijkheid, is dat onze oud-lasser? Is dat de taal van een socialistische leider die terug wil naar de jaren vijftig?
Jacques Tichelaar wist ook niet wat hij hoorde. Hij schrok zich rot en opende onmiddelijk de aanval. Dit is geen taal voor een oud vakbondsman.
Ik deel de teleurstelling volledig.
Aan de inhoud van Jan’s uitspraak kan het niet gelegen hebben. Hij heeft dit al vaker beweerd, daarbij doet hij in het bewuste interview in de Telegraaf een heel genuanceerde uitspraak over deze kwestie: niemand is er toe verplicht, maar het zou mooi zijn als.... Niks bijzonders.
Ik raad al die verontwaardigde SP-stemmers (nogmaals) aan het partijprogramma van de partij eens goed te lezen. Daar staan veel schokkender dingen in. Gelukkig wel degelijk geformuleerd.

3/26/2007

Wouter 2 en verkopers

Vanavond deel 2 van de Wouter tapes. Begrijp niets van alle kritiek die Bos over zich heen heeft gekregen de afgelopen week. Ten eerste is het moedig een camera toe te laten; ten tweede levert het prachtige televisie op, zeker omdat je de uitkomst al weet (soort 'Titanic'); ten derde herhaal ik nog maar eens dat ik het juist goed vind dat je hem zo ziet twijfelen. Meer mensen zouden hun twijfel moeten laten zien.
Overigens zou ik als ik Bos was dat campagne team halveren. Het zijn een soort vliegen die steeds hinderlijk om z'n hoofd zoemen. Zoals hij ergens ook constateert: onvoorbereid is hij het beste.
Fascinerend ook hoe de fractieleiders voor een debat heel vriendschappelijk met elkaar omgaan. Alsof het debat een spel is en ze daarna weer met elkaar de bar ingaan om na te lachen over wie nu weer iets stoms heeft gezegd.
Vorige week mocht dan eindelijk mijn nominatie voor de Selexyz debuutsprijs bekend worden gemaakt. Uiteraard denk ik daar nu elke dag even aan. Irritant, maar gelukkig genoeg andere dingen aan mijn hoofd zoals de nieuwe CD die 13 april uitkomt en waarvoor ik deze en volgende week een aantal interviews doe en de aanschaf van een nieuwe auto voor mijn hardwerkende vriendin. Aangezien ik redelijk thuis ben op het gebied van auto's (kennis is onmacht) en ik moeilijk tot besluiten kom, kost me dat veel tijd. Overigens wel weer helemaal bij als het om autoverkopersjargon gaat. Een kleine bloemlezing: 'Deze auto lijkt duurder, maar de volgende eigenaar betaalt viervijfde terug, dus in feite betaalt u maar twintig procent'; 'Dit is een hele leuke kleur voor een vrouw'; 'Ja, dan kan u beter een Daihatsu kopen'; 'Deze auto's schrijven in feite niets af'; 'Daar maak ik me helemaal geen zorgen over, daar komen we altijd uit'; 'Het is niet aardig om te zeggen, maar ik werkte vroeger bij Volkswagen en die auto's hadden nog wel eens wat, maar deze heb ik nog nooit terug gezien in de garage'; 'Als u het niet doet, even goeie vrienden'; 'Verder kan ik echt niet gaan, hier verdien ik al niets meer op'.
Van schrijven komt derhalve helemaal niets.

3/19/2007

Wouter

Mooie documentaire in Tegenlicht: De Wouter tapes, waarin Wouter Bos gevolgd wordt gedurende zijn anderhalf jaar durende op en neergang.
Moet zeggen dat ik onder de indruk ben: hij komt naar voren als een sympathiek leider, die blijft luisteren naar zijn adviseurs en die, voor zover ik het op basis van deze 50 minuten TV (deel 2 volgt volgende week) kan beoordelen, iedereen in zijn waarde laat.
Dat is bij concurent Marijnissen wel anders. Enkele jaren geleden volgde een cameraploeg gedurende enige tijd een aantal politieke partijen, waaronder de SP. Het beeld van Marijnissen dat daaruit naar voren kwam was zo ongeveer tegenovergesteld aan dat van Bos: hij luisterde nauwelijks naar zijn partijgenoten en pakte mensen die het in zijn ogen mis hadden of niet hard genoeg gewerkt hadden keihard aan. De wijze waarop hij Agnes Kant ten overstaan van andere partijgenoten (en de camera) een schrobbering gaf was echt van voor de Eerste Wereldoorlog. Daaruit sprak een leider-arbeider verhouding die in Nederland, meende ik, al anderhalve eeuw niet meer bestond. Ze werd ten overstaan van iedereen echt volledig de grond ingeboord. Zegt ook wel wat over haar vermeende zelfstandigheid.
Maar goed, Bos blijft dus wel luisteren. Het lijkt af en toe vrij eenzaam: zo’n leider omringd door adviseurs die aan de lopende band kritische vragen stellen; adviezen geven (vlak voordat hij een belangrijke speech moet houden voor het partijcongres: ‘Op dat punt even gas terug nemen, niet gaan hollen’) en suggesties doen.
Je ziet hem twijfelen. Hij hoort het aan, werpt dingen tegen en neemt dan een beslissing.
Ik hou van mensen die twijfelen. Uit twijfel spreekt menselijkheid, maar ook realisme (ik begin ook al als een politicus te schrijven, merk ik). Iemand die niet twijfelt is nauwelijks mens. Daarbij liegt ie: er is veel te weinig houvast om alles zeker te weten.
Dus ik ben voor de twijfel en Bos twijfelt.
Ik vroeg me af of het houten huis, waar hij met zijn team steeds vergadert, zijn eigen huis (of tuinhuis) is. Als dat zo is woont ie mooi. Gelukkig heeft hij niet de behoefte, zoals nogal wat oudere socialisten, om voortdurend blijk te geven van het feit dat hij aan de goede (lees, linkse) kant staat. Want dan valt het zo tegen als blijkt dat iemand in een onbetaalbaar duur huis woont. Zo werd het huis van VARA voorzitter, Vera Keur, een tijdje geleden te koop aangeboden voor 1,4 miljoen euro; het huis van Spijkerman stond onlangs voor 2,2 miljoen te koop en wat zou het 13 hectare grote landgoed van Marcel van Dam opleveren? Allemaal mensen die zo vreselijk aan de goede kant staan en geen twijfel lijken te kennen als het om hun politieke voorkeur gaat. Nee, doe mij Wouter maar.

3/16/2007

LIBRA

Afgelopen zondag mijn eerste literaire prijs gekregen in het Chasse theater in Breda. Het ging nog bijna mis omdat de oppas haar trein gemist had en we bijna te laat waren voor de uitreiking.
We zaten met een man of zestig (genomineerden, uitgevers en onbekenden) in de kleine zaal waar een programma werd gepresenteerd door Frank van Pamelen (voormalig 'Vroege Vogels' presentator). Arie Storm las namens de jury het rapport voor waar en ik mocht naar voren komen om de prijs, een cheque van 2500,= in ontvangst te nemen. Op zich was het een koud kunstje om van de eerste rij het gelijkvloerse podium op te lopen, maar ik had bedacht dat ik mijn redacteur, die schuin achter me op de tweede rij zat, eerst zou feliciteren. Omdat ik in zeer korte tijd twee witte wijn naar binnen had geslagen en ik eerst nog om A.F.Th. van der Heiden, die naast me zat, heen moest en we op een verhoging bleken te zitten, viel ik bijkans het podium op.
Ik had geen toespraak voorbereid (toch bijgelovig. Ik bereid de laatste tijd trouwens sowieso veel minder voor en dat bevalt goed) dus ik dankte een paar mensen en zei dat ik niet van jury's en prijzen hield omdat het zo arbitrair was, maar dat ik daar sinds een minuut heel anders over dacht (mager lachje uit de zaal). De anderhalf uur erna (er werden nog twee prijzen uitgereikt en de organisatie had filmpjes van de genomineerden gemaakt die leuk maar erg lang waren) heb ik gelukzalig voor me uitgekeken.
Een fijne middag derhalve. Sowieso was alles veel beter georganiseerd dan toen ik genomineerd was voor de Anton Wachter prijs. Daar hoorde ik tijdens een bibliotheekoptreden, enkele weken voor de uitreiking, van de interviewer dat ik hem niet gewonnen had. Hij had het in de krant gelezen. Ben ook nooit uitgenodigd voor de uitreiking. Onbeschoft, vooral omdat je als genomineerde (zeker als er lange tijd zit tussen nominatie en uitreiking) toch gaat hopen dat je wint.
Dan het boekenbal. Om eerlijk te zijn vond ik er niet veel aan. Ten eerste is het ontzettend druk en massaal: je kan er niemand vinden. Ten tweede is elk gesprek vluchtig omdat iedereen om zich heen aan het kijken is of er nog een belangrijke schrijver in de buurt is en ten derde was ik met de auto en kon dus niet drinken. Zoals dat hoort hebben we nog wel enkele decorstukken meegenomen, zijnde twee uit triplex gezaagde rennende mannetjes. Leuk voor de kinderen, dachten we, maar die keken alleen maar even op van hun 'Little Ponies' en speelden verder. Inmiddels missen de mannetjes hun voeten (of delen ervan), een arm en een neus.

3/08/2007

Vechten tegen de lucht

Ik voetbal met mijn zoontje. Dat wil zeggen, we hebben de bal een tijdje overgetrapt, maar hij vindt het saai worden en heeft iets nieuws bedacht.
‘Nu doe ik de bal zo en dan gooi ik de bal daar’. Hij wijst op het stukje van het grasveld aan de andere kant van het pad. ‘En als ie daar is’ vervolgt hij, ‘dan heb je gewonnen’.
‘OK’, zeg ik.
Hij gooit de bal –al best goed voor een kind van net vijf. Eigenlijk heel goed, hij heeft een buitengewoon goed ontwikkeld balgevoel, vind ik – die rolt net over het pad.
‘Nou, heb ik gewonnen’, zegt hij triomfantelijk. Ik applaudiseer.
Als ik aanstalten maak om de bal op te pakken zegt hij: ‘Nee, jij moet nu die tak gooien’.
Omdat ik mijn zoon inmiddels ken, ben ik niet verbaasd dat er weer een regel bijkomt.
‘Tak?’, vraag ik.
‘Ja, jij moet die tak pakken en dan daar gooien’, hij wijst naar de bal, ‘en dan moet je de bal pakken en dan die tak en dan zo lopen’. Met zijn vinger beschrijft hij een cirkel.
Hij vindt het allemaal volkomen logisch. Alsof het om een eeuwenoud spel gaat.
Ik heb inmiddels geleerd om niet teveel vragen te stellen want dat maakt het er over het algemeen niet duidelijker op.
Ik loop naar hem toe om de grote tak te pakken. Als ik vlakbij hem ben zegt hij, ‘nee, niet die tak, maar die’ en hij wijst op een klein wilgentakje. Ik pak het op en gooi het in de richting van de bal.
‘Ja, nou heb jij gewonnen’, zegt hij even blij als hij bij zijn eigen overwinning was.
‘Maar ik moet toch nog die bal pakken en zo lopen?’, vraag ik. Dat heb ik nog wel onthouden.
‘Nee’, lacht hij, ‘dat was een grapje. Nou ben ik weer.’
Zo spelen we een tijdje: we gooien takken, trappen tegen de bal, wisselen van kant, vallen op onze knieen, vangen ballen op met onze trui, springen over het pad.
Dan heeft hij er genoeg van. ‘We hebben allebei gewonnen’, besluit hij en gaat zitten.
We drinken onze pakjes sap leeg en kijken naar de andere vaders die met hun zoontjes spelen. Het is warm, het lijkt voorjaar.
‘Wanneer gaan we naar huis?’, vraagt hij.
‘Wil je al naar huis?’, vraag ik verbaasd.
‘Ja’, antwoordt hij, ‘want ik moet nog naar Supermannenland’.
Sinds hij een trui met Superman erop heeft gekregen, gaat hij elke dag even naar Supermannenland.
‘Moet je nog tegen de lucht vechten?’, vraag ik.
‘Ja’, zegt hij, ‘met m’n zwaard en dan doe ik zo en zo’. Hij zwaait wild met zijn armen om het voor te doen.
‘En dan pak ik m’n krachten en dan doe ik zo’, legt hij uit.
Hij heeft onder z’n bed een doos met krachten staan die hij op elk moment kan gebruiken. Voor alles.
‘OK’, zeg ik, ‘dan moeten we maar gaan’.
We staan op, pakken de deken en de bal en lopen terug naar huis.

2/16/2007

Van der Keuken's egotrip

Was altijd een aanhanger van het TV-programma 'De keuringsdienst van waarde', maar na vanavond niet meer.
Te gast bij 'De leugen regeert' was Teun van der Keuken, de maker van de serie afleveringen die gaat over slaafvrije chocolade. Voor diegenen die het nooit gezien hebben: Van der Keuken voert actie tegen chocoladefabrikanten omdat volgens hem, vooral in Ivoorkust, veel kinderen als slaven op de cacao-plantages werken.
Interessante actie; sympathiek ook.
De journalist Vincent 't Sas (al tien jaar woonachtig in Ivoorkust) beweert echter dat het allemaal wel meevalt met die slaven. Sterker nog, hij heeft een heel aantal plantages bezocht en nooit iets aangetroffen dat op slavernij lijkt.
Vanavond waren van der Keuken en 't Sas te gast bij 'De leugen regeert'.
Wie van de twee er gelijk heeft kan ik onmogelijk beoordelen. Ik was nooit in Ivoorkust en ik zit niet in de cacao-wereld.Ik hou niet eens van chocola.
Wat ik wel kon beoordelen was de uitzending en zoals vaak bij mensen die fanatiek met 'de goede zaak' bezig zijn, leek mij dat het ego van Van der Keuken belangrijker was dan de feiten.
De manier waarop van der Keuken zijn criticaster aanviel, niet uit liet spreken; de manier waarop hij tot drie keer toe van 't Sas ervan bleef beschuldigen dat hij de afleveringen van 'De keuringsdienst van waarde' nooit gezien had, terwijl gespreksleider Felix Meurders steeds benadrukte dat dat wel het geval was, verraadden een volstrekt gebrek aan zelfkritiek. Of, zoals Birgit Donker (hoofdredacteur NRC en deze keer lid van de Mediaraad) zei: 'Met journalistiek heeft dit weinig te maken, dit is activisme'.
Waarom komt er altijd een punt waarop activisten de werkelijkheid uit het oog verliezen en feiten gaan aanzetten of verdraaien? Waarschijnlijk omdat ze een heleboel werk hebben verzet en niet halverwege geconfronteerd willen worden met feiten die ze niet welgevallig zijn. Zoals een tegelzetter die net een keuken heeft getegeld en alles weer weg kan halen omdat hij niet de keuken, maar de badkamer had moeten doen.
Beetje kromme vergelijking wellicht, maar ik kom even niet op iets beters.
Als Van der Keuken zeker was geweest van zijn zaak, had hij zijn criticaster rustig en met feiten in de hoek gezet. Nu was het een verwend jongetje dat z'n zin niet krijgt.
Jammer, omdat het me ook doet twijfelen aan het journalistiek gehalte van al die andere 'Keuringsdienst van waarde' afleveringen waar ik zo van genoten heb. Wat hebben ze daar weggelaten? Wat hebben ze daar aangedikt?

2/06/2007

Meninkjes

Vandaag de eerste reacties op het nieuwe regeerakkoord, dat overigens maar voor een deel bekend is. Maar Nederland zou Nederland niet zijn als niet iedereen daar al een mening over heeft (waarom zou je mensen vermoeien met teveel feiten? Het is nooit te vroeg voor een conclusie).
Ondanks dat ik de SP een reactionaire en inmiddels veel te grote partij vind was ik weer onder de indruk van Marijnissen.
Ik vond hem vorige week bij Pauw en Witteman ook al ijzersterk toen hij heel goed formuleerde waarom het AD de ranzigheid voorbij was door op hun site amateurbeelden van de moord op een jongen te zetten (met in dezelfde uitzending een glansrol van Sugar Lee Hooper, die een sterkt staaltje verborgen autochtonenracisme ten beste gaf: ‘Scheveningers zijn hele lieve mensen. Die dat gedaan hebben waren niet van hier. Die waren uit Rotterdam ofzo.’). In dezelfde uitzending ook stelde Marijnissen als enige kritische vragen aan een donkere, Belgische ambtenaar van burgerlijke stand die door sommige aanstaande bruidsparen niet geaccepteerd werd vanwege zijn huidskleur. De rest van de tafel, inclusief Pauw en Witteman, zaten weer heel correct mee te verontwaardigen over zoveel racisme bij onze Zuiderburen, maar Jan wilde weten hoe het zat en of dat nou wel echt racisme was.
Ook vanavond bij NOVA vond ik hem stukken beter dan Halsema en Rutten, die nogal voorspelbaar in hun afwijzing van het beleid waren. Marijnissen bleek veel onafhankelijker te zijn (kan ook makkelijk want zijn partijgenoten zullen hem weinig tegenspraak [durven] geven): hij was redelijk mild over het regeerakkoord; zei als enige aan tafel dat zijn oordeel onder voorbehoud was omdat niemand het akkoord uberhaupt in z’n geheel heeft kunnen inzien en vond, in tegenstelling tot Halsema, dat het nieuwe milieubeleid wel degelijk een kentering was ten opzichte van het beleid van de afgelopen jaren.
Ik meende overigens te zien dat hij zich kapot ergerde aan de eendimensionale verontwaardiging van Halsema. Of was dat projectie?
In Nova vanavond uiteraard ook een blokje ‘Wat vindt de man in de straat?’ Nou, de man in de straat vond het helemaal niks. Werkelijk niemand had een goed woord over voor het nieuwe beleid, dat ze dus nog helemaal niet kenden. Ze verwachtten er allemaal niets van; de politici spraken in verkiezingstijd allemaal mooie woorden, maar draaiden daarna weer 180 graden. Inderdaad blijkt het wapengekletter van Bos in verkiezingstijd wel erg veel gekletter en weinig wapen te zijn, maar de man in de straat moet maar eens bij zichzelf nagaan hoe consequent hij zelf is. Ik heb het eerlijk gezegd helemaal gehad met het gekanker op politici. Het is allemaal de schuld van ‘de hoge heren in Den Haag’. Wel zo makkelijk, dan hoef je zelf niet na te denken. Een kwestie van luiheid. Een kwestie van afschuiven. Kwestie van 'het is sowieso nooit mijn eigen schuld'. Een kwestie van welvaart: vermoei me niet met feiten, ik heb al een mening.

1/27/2007

RAI

Van 29 maart tot 9 april weer het tweejaarlijkse hoogtepunt voor de mannelijke lijn in mijn familie: de AutoRai.
Ik weet niet meer precies hoe oud ik was toen ik er voor het eerst heen ging, maar ik moet een jaar of acht zijn geweest, want ik herinner me de Simca 1100, de Citroen DS en de Fiat 500.
De tijdcode die in de bovenvalk van mijn herinneringen meeloopt bestaat niet uit cijfers maar uit auto’s. Ik heb vaak meer vakantieherinneringen aan auto’s dan aan het landschap of aan de mensen die mee waren.
Ik dateer oude foto’s door te kijken naar de auto’s. Een Alfa Romeo Montreal: eind jaren zeventig; een VW Golf II: begin jaren tachtig; Een Citroen BX: tweede helft jaren tachtig; Een Ford Scorpio: eerste helft jaren negentig, enz.
Ik weet niet zeker waarom ik die afwijking heb. Waarschijnlijk is het genetisch bepaald.
Wij verheugen ons al weken op de Rai, zoals we het evenement noemen - ik heb veel later pas begrepen dat er ook wel eens andere dingen georganiseerd worden – en hebben van te voren de route al uitgestippeld: de nieuwe Citroen Picasso, de nieuwe Chrysler Voyager, de nieuwe Landrover Freelander. De volgorde is heel belangrijk; het moet een opbouw hebben. We moeten van mooi naar mooier naar mooist.
We lopen om auto’s heen, stappen erin, voelen aan het stuur, zetten de stoel naar voren en naar achteren, controleren de hoofdruimte, draaien aan schakelaars, stappen uit, beoordelen de lijn van de auto, trappen losjes tegen banden, checken de laadruimte en komen tot een eindoordeel: ‘mooie auto, maar jammer dat de achterbank niet deelbaar is’ of ‘beetje plastiekerig dashboard, maar wel ruim’.
Het hoogtepunt van ons bezoek is altijd de poging om door te dringen tot de stand van Hessing (Rolls Royce, Jaguar, Aston Martin). De auto’s die daar staan zijn zo duur dat alleen mensen die eruit zien alsof ze zo’n auto kunnen betalen, door worden gelaten. Ondanks dat wij onze arrogantste en meest vanzelfsprekende gezicht opzetten, lukt het meestal niet. De bewaker kijkt ons aan en knikt even met zijn hoofd; wij begrijpen het signaal en druipen af. De twee keer dat het wel lukte waren we zo zenuwachtig dat we, om geloofwaardig te blijven, zelfs de Bentley van drie ton begonnen af te zeiken. ‘Mwaahh, vrij krap achterin’, zei ik dan tegen de verkoper. Of, ‘Beetje proleterig dat witte leer’. De man begreep binnen de kortste keren dat wij ten onrechte waren toegelaten en stelde vilein de vraag: ‘Wat rijdt u nu?’
Daarmee bracht hij ons in een lastig parket, want als wij toegaven dat we in een Citroen Visa reden, zouden wij vernietigd worden door zijn blik; als we zouden zeggen, ‘een Jaguar X-serie’ zouden we liegen. Het was dus zaak de man voor te zijn en desgevraagd het antwoord te ontlopen of liever nog hem te overtroeven. ‘We gaan niet inruilen’, zeiden we dan bijvoorbeeld, 'het gaat om een auto voor mijn moeder'.
Het bezoek aan de Rai eindigt in een van de restaurants alwaar ons tafeltje bezaaid ligt met folders, prijslijsten en bekertjes koffie en waar we het eens proberen te worden over welke auto ons het meest verrast heeft.
Jeugdsentiment, denk ik.

1/14/2007

God's voorzienigheid

Gisteren een van mijn 'oudste' vrienden gesproken (oudste in de zin van eerste; we kennen elkaar al van de box). Hij is dominee en heeft binnenkort met een aantal collega's een studiedag. Het is de bedoeling dat ik daar wat adviezen ga geven over de opbouw en de presentatie van een preek.
Ter voorbereiding spraken we over het geloof en over het 'cultuurtje' (overigens gaat het hier om nogal vrijzinnige dominees: dus feitelijk weer een cultuurtje binnen een cultuurtje).
Ik zei hem dat het mij altijd opvalt dat dominees, zodra ze op de kansel staan, anders spreken dan ze in het dagelijks leven doen. Natuurlijk begrijp ik dat je in een grote galmende ruimte niet te snel moet spreken, maar het gaat niet alleen om het de snelheid, het gaat ook om de toon en het gewicht dat je de woorden meegeeft. Zoals de resident van Bantam uit de Max Havelaar (die ik net aan het herlezen ben) zo langzaam en gewichtig spreekt dat hij geen tijd om zijn z..... (.....innen af te maken).
Ik heb er niets op tegen dat iemand zo spreekt, zolang het klopt bij die persoon. Ik bedoel, burgemeester Opstelten van Rotterdam zou niet anders moeten spreken dan hij doet; dat langzame, zware, Olie B Bommel achtige past helemaal bij de man. Maar het zou raar zijn als ineens alle burgemeesters van Nederland zo zouden spreken.
De meeste dominees doen feitelijk een dominee na. Of althans, ze spreken zoals ze denken dat dominees zouden moeten spreken: langzaam vragen op werpend en na die vraag nog eens een stilte laten vallend zo dat de vraag goed aan komt.
Dat nadoen van voorbeelden is alom aanwezig: vijfentwintig jaar geleden zag je allemaal Freekjes op podia staan die een 'verhaallijn' hadden en 'harde' grappen maakten ; CD hoezen verklappen onmiddelijk of het om een hiphop plaat gaat (ongeinterresseerd naar de lens kijkende jongeren met hun handen gestrekt naar voren); om een alternatieve gitaarband (tegen de achtergrond van een grootsteedse achterbuurt boos de camera inkijkende mannen met kleren uit de schappen van het leger des heils) of om een zangeresje in de categorie Mariah Carey (witte hoes, gestileerde studiofoto met zwoel kijkend, beetje bezweet meisje zonder heel veel kleren aan).
Op het gevaar af al te soft therapeutisch over te komen, wil ik die studiedag op zoek gaan naar wat bij de deelnemers past. Waarom spreken bepaalde artiesten of politici zo aan? Omdat ze authentiek zijn. Het relatieve succes van Balkenende wordt volgens mij bepaald doordat de meeste mensen hem geloven, ondanks zijn onbeholpenheid. Of misschien juist dankzij zijn onbeholpenheid. Waarom verliest Bos tien zetels, terwijl hij mediatechniesch gezien op alle fronten beter is dan zijn rivaal? Omdat mensen zijn verontwaardiging niet geloven.
Natuurlijk zijn uiterlijk, techniek of een prachtig opgebouwd verhaal van belang, maar de essentie is of mensen je geloven. Dat moet dominees toch aanspreken.
We hadden het ook over het van papier voorlezen van de preek. Ik begrijp dat dat meestal niet anders kan, maar het gevaar is dat toehoorders achterover gaan leunen en afhaken. Daarom zou je volgens mij altijd moeten proberen iets met 'de zaal' te doen. Ik was altijd blij als er tijdens een optreden van mij iets in de zaal gebeurde (iemand die reageerde; een glas dat omviel; iemand die naar de WC ging) zodat ik als het ware uit mijn programma kon stappen en kon reageren. Dan werd het echt spannend. Zeker op avonden dat de zaal stug was, bleek dat vaak de redding. Mensen voelen het verschil tussen live en routine.
Ik had dus in mijn hoofd om op deze studiedag de deelnemers - waarvan enkele een preek gaan houden waarop ik dan reageer - hun papieren af te nemen, zodat ze gedwongen worden hun verhaal uit het hoofd te doen.
Of het nou de voorzienigheid van God is of ordinair toeval: de aantekeningen die ik tijdens ons gesprek maakte en die de leidraad zouden vormen van mijn verhaal liet ik in de trein liggen.

1/05/2007

Het is niet wat je ziet

In mijn favoriete tijdschrift 'Autoweek' vandaag een interessant stuk over milieu, auto's en 'schone' brandstoffen. Aangezien ik gek ben op tegendraadse maar gefundeerde meningen het volgende:
Een Range Rover sport (voor de leek: een van de grootste en zwaarste auto's van dit moment) is 25% MINDER belastend voor het milieu dan de GroenLinks-correcte, hybride Toyota Prius!
Het Amerikaanse CNW Marketing Research heeft twee jaar lang onderzoek gedaan naar auto's en de mate waarin zij belastend zijn voor het milieu maar daarin niet alleen gekeken naar brandstofverbruik en naar wat er uit de uitlaat komt, maar naar veel meer factoren. Zo is meeberekend wat het kost om de auto te ontwikkelen en te fabriceren. Maar ook wat het kost om de auto weer te slopen en te verwerken. En dan blijkt dat de zware Range Rover weliswaar meer brandstof verbruikt, maar ook dat de auto twee keer zo lang meegaat: er hoeven er dus veel minder van geproduceerd te worden. Daarbij zitten in een hybride auto veel onderdelen die snel slijten (er zitten immers twee motoren in) en veel onderdelen die lastig afbreekbaar zijn (zoals een electromotor en extra accu's).
Kortom: het is niet wat je ziet.
Nijmegen zou juist de Toyota Prius moeten weren en de Range Rover moeten omarmen.
Wie voor mij op milieucorrect gebied ook door de mand is gevallen is de eigenaar van de bio-winkel bij ons op de hoek. Ik kom er nog wel eens omdat wij graag biologisch eten (en omdat hij dichtbij zit). Ook al begrijp ik dat het etiket 'biologisch' gewoon een verkoopargument is; ik had toch nog steeds het idee dat eigenaren van biologische winkels zelf op een fiets reden en de trein namen. Ik dacht ook dat hij zich niet scheerde om het milieu niet onnodig te belasten. Inmiddels weet ik beter: hij rijdt in een enorme Mercedes (die altijd een straat verderop geparkeerd staat; zo slim is hij wel) en op oudejaarsavond stak hij een mat met klappers af die een lengte had van vijftien meter en die vijf, lange, doofmakende minuten knalde voor hij opgebrand was. Het duurde een kwartier voor ik mijn vriendin en kinderen, die drie meter verderop stonden, weer kon zien. We hoesten er nog steeds van.
Kortom: 'onze' bio-boer is de Toyota Prius onder de winkeleigenaren. Per saldo waarschijnlijk belastender voor het milieu dan Albert Heyn zelf, die rustig in zijn Engelse landhuis oud en nieuw vierde met een glaasje whiskey.

12/27/2006

Zen en de kunst van het tennisspel

In Vrij Nederland een mooi stuk over Martin Simek die de tweelingbroertjes Tim en Marlon begeleidt op hun lange weg naar tennisroem. De ene, Marlon, heeft veel talent maar traint te weinig, de ander, Tim, heeft minder talent maar werkt hard.
Het is een ontroerend verhaal omdat de jongens geen moeder meer hebben en niet weten wie hun vader is en omdat Simek zich over hun ontfermt.
Maar het stuk trof me ook omdat ik sinds deze zomer het beeld dat ik van mezelf heb, noodgedwongen aan het bijstellen ben onder invloed van mijn ervaringen op de tennisbaan.
Ik zal het uitleggen.
Ik heb mezelf altijd gezien als iemand die matig getalenteerd is, maar die door hard werken toch een eindje komt. Een soort Tim dus. Dat geldt in principe voor alles wat ik doe (studeren, optreden, zingen, een boek schrijven), dus ook voor sporten. Zo heb ik als kind redelijk veel getennist.
Deze zomer heb ik de draad, na twintig jaar geen racket te hebben aangeraakt, weer opgepakt (we wonen sinds kort vlakbij een tennisbaan) en zie, het gaat veel beter dan ik dacht. En dat vind ik niet alleen; de trainer bij wie ik elke week les neem zei me laatst dat hij het jammer vindt dat we elkaar niet dertig jaar eerder tegen zijn gekomen want dan had ik volgens hem heel ver kunnen komen. Omdat het mogelijk is dat hij dat tegen iedereen zegt, heb ik het even gecheckt bij wat mensen die ook les van hem hebben, maar die hadden dat nog nooit te horen gekregen, dus ik denk wel dat hij het meent.
Ik schrijf dit niet om op te scheppen over hoe goed ik zou hebben kunnen tennissen als ik het maar had geweten toen ik tien was en de goede trainer tegen het lijf was gelopen; ik schrijf dit omdat het mijn hele zelfbeeld deed wankelen: misschien ben ik getalenteerder dan ik denk, maar ontplooi ik mijn talenten niet (genoeg). Misschien ben ik eigenlijk een soort Marlon.
Ik herinner me de frustraties op de tennisbaan als het niet ging. En dat gebeurde nogal eens, want ik trainde veel te weinig om mijn slagen te kunnen controleren.
Hoezeer herkende ik het adagium van Marlon: "Of ik speel als een god of ik speel helemaal niet". Ook bij mij moest het allemaal meteen goed gaan, anders had ik er geen lol in.
"Talent verplicht", zegt Simek in het stuk. "Het is een zegen en een vloek tegelijk. Als je het niet optimaal benut, ben je er veel slechter aan toe dan de talentlozen. Dan word je een ongelukkig mens."
Was ik daarom zo rusteloos als ik thuis zat en naar Wimbledon keek?
Ik pieker me suf sinds ik weer tennis. Ben ik Tim of Marlon? Of iets ertussenin? Ben ik te lui (Perfectionisme is volgens Simek een geraffineerde vorm van luiheid) of te fanatiek?
Of ben ik te laf? Misschien is tegen jezelf zeggen dat je niet zoveel talent hebt wel een vorm van zelfbescherming: als het niet lukt hoef je jezelf niets te verwijten.
Ik ga hard trainen deze winter.

12/16/2006

Bill Bryson

Omdat ik me (ontontkoombaar geworden door alle media-aandacht) ook zorgen begon te maken over smeltende poolkappen en stijgende zeespiegels er maar eens een boek over gelezen: ‘A short history of nearly everything’ van Bill Bryson. Ik kan het iedereen aanraden. Het boek beschrijft de ontwikkeling van de aarde vanaf het ontstaan (4,5 miljard jaar geleden, voor zover de geleerden nu weten) tot nu. Het gaat over de oerknal; uiteendrijvende aardplaten; vulkanen; atomen; ijstijden; dinosauriers; meteorieten, kortom over al die dingen waar ik veel te weinig vanaf wist (alhoewel ik indertijd wel naar Jurrasic Parc ben geweest).
Wat in de hele discussie over de opwarming van de aarde en de bijna-hysterie daaromheen misschien goed is om te weten, is dat de aarde een ritmiek kent. Meerdere ritmieken eigenlijk. Onder invloed van onze stand ten opzichte van de zon (die voortdurend wijzigt en cycli van tienduizenden jaren veroorzaakt) en onder invloed van het verschuiven van de aardplaten (die een cyclus kennen van 500 miljoen jaar) warmt de aarde op en koelt hij af. En dat houdt weer direct verband met de hoeveelheid kooldioxide in de atmosfeer.
Ooit heeft de zeespiegel 60 meter hoger gestaan dan nu: ooit was het op deze hoogte tropisch; ooit was een groot deel van de aarde bedolven onder ijs.
De hoeveelheid kooldioxide op en in de aarde in principe altijd gelijk is. Het gaat er om hoeveel er vast zit in de aardkorst en hoeveel er in de atmosfeer zit. Door het verbranden van een boom (maar ook door het rotten ervan) komt er kooldioxide in de lucht. Bossen aanplanten om kooldioxide uit de lucht te halen heeft dus wel zin (de boom neemt het op), maar dan moeten die bossen wel blijven staan, anders komt het net zo makkelijk weer in de lucht.
De meeste kooldioxide zit vast in de aarde, bijvoorbeeld in kalkrotsen (die feitelijk bestaan uit miljarden fossiele schelpdiertjes die miljoenen jaren geleden leefden) en in de ruwe fossiele brandstoffen die we oppompen.
Het overgrote deel van de uitstoot van kooldioxide in de atmosfeer (85%) heeft een natuurlijke oorzaak. Wat wij er als mens aan toevoegen is dus maar 15%, maar dit kan wel net dat deel zijn dat het evenwicht doet verdwijnen.
De grootste uitstoot van kooldioxide komt van vulkanen. Dat verbaasde mij, want ik ken alleen de Vesuvius en de Krakatau. Veruit de meeste vulkanen bevinden zich op de bodem van de oceanen. In feite moet je de aarde zien als een rugbybal waar een naad overheen loopt. Die naad wordt gevormd door vulkanen. De aardkorst is daar open en de gloeiende, vloeibare steenmassa duwt daar de aardplaten uit elkaar. Daarbij komen gigantische hoeveelheden kooldioxide vrij.
Daardoor verschuiven de continenten heel langzaam en zal ooit Italie in de Balkan gedrukt worden en zal ooit Californie een eiland zijn. Door die verschuivingen ontstaan bergen. Nou ja, dat voert nu te ver.
Zoals ik een paar weken geleden al schreef (‘Wat Gore unconvenient vindt') zijn geologen in staat om de ijslagen op antarctica te ‘lezen’. De ijslaag is daar drie kilometer dik (in tegenstelling tot de ijskap op de Noordpool die heel dun is) en in heel oude lagen hebben ze ijs aangetroffen dat laat zien dat lang geleden er in korte tijd ook al een enorme toename van kooldioxide is geweest. Lang voordat er uberhaupt mensen waren.
Ik schrijf dit allemaal niet omdat ik wil ontkennen dat we ons zorgen moeten maken; ik schrijf het omdat het goed is om te weten (of eigenlijk is dat niet goed natuurlijk) dat ook wetenschappers maar heel weinig begrijpen van de processen die zich op aarde afspelen. En dat iedereen die heel zeker weet hoe het er over vijftig jaar uit zal zien uit zijn nek lult.
Dat neemt niet weg dat we beter het zekere voor het onzekere kunnen nemen en zo snel mogelijk zoveel mogelijk zouden moeten doen om de uitstoot van kooldioxide tegen te gaan. Daarbij, de vraag of de mens de grootste oorzaak is van de opwarming is maar ten dele van belang; het is duidelijk dat de aarde opwarmt en dus worden we geconfronteerd met het wassende water. Het probleem daarvan is niet alleen dat de dijken verhoogd moeten worden, maar meer nog dat de rivieren hun water niet meer kwijt kunnen. Als het water blijft stijgen zullen we dus land prijs moeten geven.
Ik sprak vorige maand een professor in de aardwetenschappen die me vertelde dat ‘Amersfoort aan zee’ echt niet meer alleen om te lachen is. Volgens hem kan het in 2050 zover zijn (maar goed, hij weet het ook niet). Hij zei me ook dat ze nu al kooldioxide uit de lucht kunnen halen en onder de grond kunnen (terug)stoppen (in lege gasvelden). Dat vond ik een geruststellende gedachte (uiteraard is Milieudefensie tegen het gebruik van deze techniek, zoals ze ook tegen kernenergie zijn en in (of uit) principe tegen alle techniek die na de Middeleeuwen is ontwikkeld).
Maar aan de andere kant: grote bedrijven kopen nu al grond in het Oosten van het land (waar het hoger is) om op tijd hun kantoren en fabrieken te kunnen verplaatsen. Dat vind ik eerlijk gezegd nogal verontrustend, want als bedrijven zich zorgen gaan maken (en open brieven gaan sturen aan het kabinet) is er echt wat aan de hand.

12/10/2006

SP (deel 2), Iggy Pop en interviewers

Ik wil nog even terug komen op mijn stukje van twee weken geleden over de SP. Ik heb de gedachte die ik daar aan het einde ventileerde -namelijk dat het voor die partij belangrijk is dat Nederland niet te rijk wordt- nog wat verder uitgewerkt.
Mensen die op Marijnissen stemmen bevinden zich volgens mij voor het overgrote deel aan de onderkant van de samenleving (dat geldt in mindere mate ook voor de PvdA). Het is dus in zijn belang dat mensen niet al te welvarend worden, want wie het goed gaat stemt geen SP (een enkele multimiljonair zoals Jan Mulder of Harry de Winter daargelaten. Maar die hebben zoveel geld dat ze, zelfs als het hele partijprogramma van de SP zou worden uitgevoerd, nog multimiljonair zijn. Ik vraag me trouwens af of Mulder de helft van zijn Postbankreclame-inkomsten in de partijkas van de SP stort). Wat ik wil zeggen is dat het voor Marijnissen van groot belang is dat er (kans)arme mensen zijn, anders verliest hij zetels.
Hoe doet hij dat? Door veel, heel veel geld uit te geven. De bijstand gaat tien procent omhoog; mensen die uit de WAO zijn gezet worden herkeurd en mogen weer een uitkering; de aanvullende beurs voor studenten ‘wordt flink verhoogd’, enz. (zie voor een volledig overzicht mijn weblog van twee weken geleden). Dat levert enorme schulden op en na een paar jaar moet er vanzelf weer flink bezuinigd worden. En wie raakt dat het eerst? ....
Ik denk dat (kans)armen beter af zijn met de VVD. Die partij heeft er het het meeste belang bij dat iedereen welvarend is, want dan worden ze vanzelf de grootste partij.
Nou ja.
Zat net te kijken naar het programma ‘Wereldgasten’ met Iggy Pop. Verbazingwekkend helder van geest ondanks alle troep die hij decennialang in neus en armen heeft gepropt. Goed interview ook van Leon Verdonschot: sympathiek maar niet dweperig; vriendelijk lachend maar met een zekere afstandelijkheid. Vorige week interviewde Joyce Roodnat regisseur David Lynch, maar dat werd niks want de bewondering droop er zo vanaf dat Lynch er helemaal ongemakkelijk van werd en van de weeromstuit heel ongeinspireerde antwoorden gaf. Net als, jaren geleden, het interview van Sonja Barend met Mick Jagger ook hopeloos mislukte omdat ze als een groupie van zestien vragen stelde als: ‘Hoe schrijf je nou een liedje’. Het verveelde Jagger zo dat hij tijdens de eindtune van het programma (Barend & Witteman) al opstond en uit beeld liep.
De interviewcultuur in Nederland is gebaat bij mensen als Verdonschot en bijvoorbeeld Rob Trip. Mensen die sympathiek zijn, maar daarom niet minder kritisch. Ik heb het wel gehad met de ‘harde’ school van interviewers. Bij Barend en Van Dorp wist je van tevoren altijd precies hoe ze hun gasten tegemoet gingen treden: een politicus werd zo hard en onbeschoft mogelijk aangepakt (zodat hij/zij nog meer dan al het geval was bleef steken in obligate antwoorden); een kunstenaar (schrijver, cabaretier, schilder) werd nooit een kritische vraag gesteld en een lekker wijf werd overspoeld met empathie (lees: versierd). Was een mooie vrouw tegelijkertijd politicus (Hirsi Ali) dan waren ze in verwarring.
Niet te dweperig, niet te hard; niet te kritiekloos, niet te onbeschoft. Ergens in het midden. Het gaat niet om jou (de interviewer), maar om de gast.
Mmmm, dit idee ook nog maar eens uitwerken.

12/06/2006

De bruiloft van

Gisteren al zappend hoorde ik ineens muziek die mij bekend in de oren klonk. Dat klopte want het was mijn eigen liedje. Wat blijkt: Het Talpa programma 'De bruiloft van..' gebruikt het refrein van 'Contract' als leader. Ik heb het programma nog niet gezien, maar begrijp dat ze iedere dag een uitzending van een half uur maken over een bruiloft van een 'gewone nederlander volgens hun eigen normen en waarden, smaak en voorkeuren, georganiseerd en betaald met eigen middelen..' (aldus de website). Ik neem aan dat dit het programma is dat Talpa van de ondergang gaat redden.
Ik hoop het wel in ieder geval, want het is financieel gezien fijn als je liedje iedere dag gedraaid wordt. Overigens ben ik niet degene die het zingt; wat je hoort is de versie van Bastiaan Ragas die het nummer in januari als single gaat uitbrengen. Ik heb de opname inmiddels gehoord en ik moet zeggen dat het heel goed klinkt. Gek alleen dat iemand niet even contact met je opneemt. Ik geloof dat als ik een liedje van een collega op mijn plaat zou zetten, dat ik even met hem/haar zou bellen. Niet om toestemming te vragen, want dat hoeft niet (je mag ieder stuk opnemen en op een CD zetten, zolang je maar auteursrechten afdraagt), maar gewoon omdat dat aardig is.
Vanmiddag gehoord dat MODWZHM op de shortlist van de LIBRA debutantenprijs is gekomen. We zijn nu nog met z'n drieen en mogen wachten tot 11 maart 2007 voor de uitslag bekend wordt gemaakt. Waarom duurt dat zo lang?
Verder naast de alledaagse bezigheden, voornamelijk aan het inlezen voor mijn nieuwe roman. Het laatste boek dat ik las, 'A short history of nearly everything' kan ik iedereen aanbevelen, alleen al vanwege de briljante titel. Volgende keer meer over de inhoud ervan.

11/30/2006

Wat Gore unconvenient vindt

Laatst naar ‘An unconvenient truth’ van, of eigenlijk over, Al Gore geweest.
Voor de mensen die het ontgaan is: een documentairemaker volgt oud-presidentskandidaat Al Gore op zijn jarenlange reis langs universiteiten en congreszalen om mensen ervan te overtuigen dat we aan de vooravond staan van een catastrofale klimaatverandering.
Alhoewel ik het geweldig vind dat iemand als Gore zich inzet voor een beter milieu, maakte de film op mij geen indruk. Sterker nog, ik kreeg allengs een steeds moeilijker te onderdrukken afkeer van Gore. Waarom? Omdat de documentaire zo ontzettend eendimensionaal en Amerikaans was.
Je werd als toeschouwer werkelijk om de oren geslagen met grafieken vol alarmerende stijgende lijnen, parabolen en afwijkende bogen. Talloze kaarten met dreigende pijlen in de Oceaan en wereldkaarten met landen die langzaam onder water liepen, kreeg ik te zien. Een schier eindeloze reeks tabellen met steeds groter wordende getallen wezen allemaal in een richting: de aarde warmt op en het is onze schuld.
Ik denk dat ie gelijk heeft -ik maak me ook grote zorgen- maar als je de boodschap er anderhalf uur lang inwrijft word ik vanzelf recalcitrant. Als je in anderhalf uur niet een tegenstander aan het woord laat, begin ik je vanzelf te wantrouwen. Als je een film lang heil en verdoemenis predikt krijg ik vanzelf kriebel.
Waarom wordt er niet uitgelegd dat de aarde in zijn vierenhalf miljard jarig bestaan onder invloed van de stand tot de zon en onder invloed van de verschuivende continenten voortdurend opwarmt en afkoelt? Waarom vertelt Gore niet dat altijd ijstijden zijn en periodes waarin het water a.g.v. opwarming 40 meter hoger staat (de kustlijn heeft ooit bij Bonn gelopen, maar ook bij Schotland)? Waarom hoor ik niet dat de waarde van Co2 in de lucht voor 85% wordt veroorzaakt door de natuur zelf (vooral door vulkaanuitbarstingen, veelal op de zeebodem, maar bijvoorbeeld ook door het rotten van bomen) en maar voor 15 % door toedoen van de mens? Waarom legt hij niet uit dat geologen aan de ijslagen op Antarctica kunnen zien dat er al eerder hele korte periodes van grote opwarming zijn geweest, ook voordat er uberhaupt mensen bestonden?
Kortom, waarom is er in deze film geen ruimte voor twijfel?
Geologen, klimatologen en biologen zullen allemaal toegeven dat ze feitelijk nog maar een fractie begrijpen van wat zich afspeelt binnen en boven de aarde. Of zoals de voormalig directeur van het KNMI in een interview zei: “We begrijpen nog geen 10 % van het klimaat.”
Natuurlijk, daar staat een overweldigende berg aan alarmerende cijfers en smeltende ijskappen tegenover, maar waarom worden feiten die ‘unconvenient’ zijn door Gore weggelaten?
Een jaar geleden opende de Volkskrant met twee satelietfoto’s van de Noordpool: een van enkele tientallen jaren geleden (ik weet niet meer precies van wanneer) en een van vorig jaar. Het verschil in grootte van de ijskap was schokkend. Pas enkele dagen erna bleek dat de oudste foto in de winter was genomen en de meer recente in de zomer.
Het is dat soort eenzijdige berichtgeving waar ik niet tegen kan. Alsof ik zelf niet in staat ben me grote zorgen te maken over hoe het verder moet.

11/23/2006

Nu SP, voor de wereld van gisteren!

Om me te kunnen verplaatsen in al die mensen die SP hebben gestemd, vandaag maar eens het negenenvijftig pagina's tellende partijprogramma gedownload en gelezen.
Mijn conclusie: de SP is een reactionaire partij. Niet progressief, niet behoudend, maar achteruitstrevend. 'Terug naar de jaren vijftig' zou het onderschrift van het partij programma moeten zijn. Terug naar die gezellige tijd van wederopbouw toen niemand geld had en we zo saamhorig waren en gelukkig.
Ik zal een paar voorbeelden geven.
* De WAO-ers die de afgelopen jaren opnieuw beoordeeld zijn en (deels) goedgekeurd zijn en weer aan het werk, worden opnieuw gekeurd omdat de keuringseisen 'onbillijk' waren. Oftewel: Terug naar de uitkering, allemaal.
* Er wordt meer geinvesteerd in industriepolitiek. Alsof er geen China of Oost Europa bestaan waar mensen voorlopig goedkoper zullen werken. Alsof we ons niet moeten toeleggen op wat we beter kunnen dan anderen. Nee, Nederlandse arbeiders terug naar de fabriek.
* Mensen moeten in dorpen blijven wonen. Daartoe worden grote supermarkten, banken en postkantoren verplicht filialen op het platteland open te houden. Vrij ondernemerschap? Nee, terug naar de staatswinkels.
* Werknemers uit andere EU landen (lees: Oost-Europa) mogen hier alleen komen werken als ze onder precies dezelfde condities werken als Nederlandse werknemers. Alsof we geen deel uitmaken van Europa, zonder grenzen. Nee, eigen arbeiders eerst.
* Elke liberalisering die is ingevoerd wordt teruggedraaid, zoals de liberalisering van de taxiwereld; van busbedrijven; van zorginstellingen; van de spoorwegen (al was dat niet eens een echte liberalisering). Kabelbedrijven komen weer in overheidshanden en ga zo maar door.
De overheid gaat zich, als het aan de SP ligt, op vrijwel elk terrein nadrukkelijk bemoeien met wat we moeten doen, hoe we het moeten doen en hoeveel we mogen ermee mogen verdienen. 'Een socialist is iemand die vindt dat de ander teveel verdiend' zei Reve ooit (hij citeerde ook weer iemand,maar ik weet niet wie) en daar lijkt het wel op.
Verder wordt er in het programma ook met geld gestrooid. Zo wordt de bijstand met 10 procent verhoogd; de aanvullende beurs voor studenten wordt 'flink verhoogd'; er komt meer geld voor mantelzorgers; de WAO uitkering wordt verhoogd; lesgeven moet 'beter worden beloond'; het openbaar vervoer wordt gratis voor jongeren onder 12 jaar en voor ouderen boven 65 jaar: het kunstbudget gaat omhoog; het minimumjeugdloon wordt verhoogd; de huurtoeslag gaat omhoog.
Prachtig allemaal, maar ik lees uit programma nergens hoe het weer verdiend wordt. Maar dat is natuurlijk ook de bedoeling: Nederland mag niet te rijk worden want er moeten voldoende armen overblijven om de SP bij de volgende verkiezing opnieuw aan een overwinning te helpen.
Ik vraag me sterk af of al die SP stemmers het partijprogramma hebben gelezen.

11/15/2006

Benzakour's column

Afgelopen maandag wat ophef over een column van Mohammed Benzakour in de 'humanist'. Ik zag de uitzending van Pauw & Witteman waarin hij te gast was. Weer een staaltje, van een mug een olifant maken.
Wat is er aan de hand? Benzakour schreef een column naar aanleiding van het feit dat het CBS meldt dat het huwelijk op een naoorlogs dieptepunt is beland. Hij vindt dat niet verwonderlijk omdat in het Westen de verwachtingen omtrent een huwelijk veel te hoog gespannen zijn. Het huwelijk is een grotesk sprookje dat niet vol te houden is, vindt hij. Het kan alleen maar tegenvallen. Een constatering waar ik het helemaal mee eens ben en precies de reden waarom ik niet wil trouwen.
Benzakour schrijft dat die teleurstelling in geval van een Marokkaans huwelijk minder groot is, omdat men toch weinig verwachtingen heeft. Letterlijk schrijft hij: 'In Marokko daarentegen begint en eindigt het huwelijkse plezier bij de eerste-3-dagen-ceremonieel. Beide partijen weten dat. Drie dagen goed vreten, lachen, vliesjes doorprikken, beschonken danspartijen en veel geloei. Daarna begint het echte leven en dat leven is stukken onfeestelijker.'
Tot zover is er niets aan de hand. Maar dan komt het gedeelte waar Pauw & Witteman (en nog velen) verontwaardigd over zijn. Benzakour schrijft: '..doordat deze noden lang tevoren waren ingecalculeerd kan het huwelijk alleen nog maar meevallen - zelfs als er klappen vallen. Een Arabisch koffiehuisgezegde luidt immers: 'Geef elke avond je vrouw een lel, als jij niet wilt, wil zij het wel' - vrij naar rijm.' Verder schrijft hij ook nog dat vrouwen dat weten, daarop berekend zijn en zelfs dat mannen die dat niet slaan, als watjes worden beschouwd.
Wat is er mis met deze column? Ik zie het niet. Als Benzakour zou schrijven dat hij het toejuicht dat vrouwen geslagen worden door hun man, zou ik de verontwaardiging delen. Maar wat hij doet is op humoristische, en daardoor ook wel schrijnende wijze weergeven hoe het er in in sommige 'milieus' in Marokko aan toe gaat. Ik ken die wereld niet, maar het zal zo zijn. Het menselijk patroon dat je je aanpast en went aan wat gebruik is (hoe wreed ook), is van alle tijden.
Waarom zijn er dan mensen verontwaardigd?
Ik kan drie redenen verzinnen: 1 omdat ze niet goed lezen; 2 omdat ze graag verontwaardigd zijn, zeker als het moslims betreft; 3 omdat ze een uitzending moeten vullen.
Over het algemeen vind ik columns niks, maar deze vond ik echt goed: mooi opgebouwd, humoristische en met inhoud. Je kan hem vinden op www.pauwenwitteman.vara.nl.

11/08/2006

Stemmen

Ik geloof dat wat mensen stemmen vooral te maken heeft met wat van ze verwacht wordt dat ze gaan stemmen. Veel meer dan argumenten geldt voor stemgedrag of het sociaal aanvaardbaar is. De partij waar je op stemt is als de schoenen die je draagt; als de auto waarin je rijdt; als de televisiegids die bij je op de bank ligt. Je laat ermee zien wie je bent.
Om een voorbeeld te geven: in de tijd dat Fortuyn in opkomst was had ik met collega's en vrienden veel gesprekken over politiek en zonder uitzondering waren ze het op bijna alle vlakken met hem eens. Maar ze stemden allemaal Groenlinks.
Volgens mij zie je dat bij de stemwijzer nu ook: meerdere mensen in mijn omgeving zijn geschrokken van de uitkomst ervan (EenNL, CDA, Christenunie), maar ik weet zeker dat ze dat niet gaan stemmen.
Wat ik ga stemmen weet ik nog niet en als ik het wel wist zou ik het niet zeggen. Ik betrap me erop dat ik van schrijvers of zangers liever niet weet wat hun politieke voorkeur is. Zo heb ik genoten van Leon de Winter (Kaplan, God's Gym), maar sinds hij zich zo actief mengt in de discussie over het Midden Oosten vind ik zijn boeken steeds minder goed. Onzin natuurlijk, maar het overkomt me toch. Sowieso vind ik dat je beter kan blijven doen waar je goed in bent. Robert Long heeft in zijn begintijd een paar prachtige platen gemaakt (Levenslang, Vroeger of later). Maar na een aantal jaren (toen de verkopen daalden) ging ie ineens vreselijke commerciele televisie doen en begon ie rare dingen te roepen. Ik vond zijn oude platen steeds minder goed worden.
Dus ik zeg niet wat ik stem.
Wel wil ik hier kwijt dat ik Andre Rouvoet met afstand de beste politicus vind. Maar daar stem ik natuurlijk niet op.

Erik's studio

Vandaag leid ik je rond door Erik's geweldige studio waar we de hele dag nieuwe nummers hebben opgenomen. Hij ligt vlak naast een overslagbedrijf aan het Amsterdam-Rijnkanaal, vlakbij de Douwe Egberts fabriek die je ziet liggen (en ruikt) als je op de A-2 bij Utrecht rijdt. De drie ruimtes (control room, opnameruimte en relaxruimte) zijn gelegen in een oud bedrijfspand met een groot hek ervoor, omgeven door een enorme parkeerplaats waar voortdurend vrachtwagen laden en lossen. Het doet me een beetje denken aan een supermarkt in een klein plaatsje ergens in het binnenland van Amerika waar verder alleen een paar huizen, een kerk en een Super Seven staan: zo'n asfalteiland middenin het niets.
Binnen hangt de sfeer van een studentenkamer: zeil op de vloer; een paar oude kleden erop om het geluid te dempen; twee bruine skyleren bankstellen in de controlroom om relaxed te kunnen zitten als je luistert; een enorme, oude maar goedklinkende mengtafel; softschuim op de muren om het zo droog mogelijk te laten klinken; poster aan de muur van Keith Richard, lang voor z'n val uit een kokosboom; overal halflege kopjes koffie en veel pornoblaadjes voor Erik (dus met honderden kleine advertenties met plaatjes van geile recorders, microfoons, monitors, compressors, voorversterkers en dergelijke). In de opnameruimte is de verlichting schaars; er hangt een peertje; hier en daar zijn wat spotjes op een randje geklemd en in de hoek ligt tuinslang met kerstlichtjes. Er staan een mooie piano; een paar gitaren; microfoonstandaards en overal liggen kabels.
Via de opnameruimte kom je in de 'relaxruimte' waar wij tussen het opnemen door onze broodjes kaas eten en koffie uit een thermoskan drinken. Er staan een tafel; vijf kuipstoeltjes; een ijskast en nog een bruine skyleren bank. Op het witte aanrecht staat links een leeg afdruikrek en rechts de vuile afwas. Er zijn vijf koffiekopjes, drie vorken, twee lepels en er is een mes.
Kortom de ideale plek om je helemaal aan de muziek te wijden. Wat we gedaan hebben.

De eerste

Nu dan toch eindelijk: de eerste Umbgrove graaft om. Het heeft mij de afgelopen jaren steeds aan discipline ontbroken om dit wekelijks te doen, maar nu gaat het echt gebeuren. Echt.
Na de teleurstelling van het niet winnen van de Anton Wachter prijs overheerst gelukkig toch het goede gevoel dat ik ervoor genomineerd was. Zes debuten in twee jaar tijd komen ervoor in aanmerking, dus waar zeur ik over.
Inmiddels staat MODWZHM ook op de longlist van de LIBRA. Ik probeer uit alle macht daar niet aan te denken en vooral om me daar niet op te verheugen.
Afgelopen vrijdag een aantal nummers gezongen in mijn geboorteplaats Vught in verband met de uitreiking van de Vughtse culturele prijs en zei daar op het podium dat ik aan de Speeldoos (het plaatselijke theater) zulke goede herinneringen bewaar omdat ik daar voor het eerst op een echt podium stond (bij het schooltoneel). Het was zonder meer het hoogtepunt van mijn middelbare schooltijd.
In de pauze kwam mijn vroegere conrector annex regisseur naar me toe en samen hebben we herinneringen opgehaald. Hij was vroeger nogal links (zoals het hele lerarencorps, terwijl bij schaduwverkiezingen onder leerlingen op onze school de VVD altijd won); hij had een Herman van Veen coupe, dus kaal bovenop en links en rechts een soort gordijn van haar en ik herinnerde hem eraan dat in zijn werkkamer de beroemde PSP poster hing met de naakte vrouw die naast een koe staat (of een paard, daar wil ik af zijn). Hij ontkende alles. Ik weet niet of het door de leeftijd komt maar ik denk de laatste jaren met weemoed terug aan mijn geboorteplaats en dat was vroeger wel anders.
Vrijdag gaan Alberto, Stephan en ik verder met het opnemen van de nieuwe CD die, naar het zich laat aanzien, in januari uit gaat komen. Inderdaad, later dan ik dacht, zoals bijna alles wat ik plan later wordt. Geeft niet, als het maar gebeurt.