3/06/2012

Tijd doden


Afgelopen vrijdag de presentatie van Hotel Sofia in de geweldige boekhandel De Vries in Haarlem (zie foto). Nu in een soort niemandsland: boek af, de eerste reacties druppelen binnen, onzekerheid over wat men er van vindt en ondertussen kan ik niet aan iets nieuws beginnen.
Zaterdagochtend belde de eerste vriend; hij had het in één ruk uitgelezen. ‘Prachtig boek’, zei hij, ‘naar het einde toe wordt het steeds pakkender.’
‘Dus het begin vind je niks’, zei ik. Je hoort wat je wilt horen. Of, je hoort alleen waar je bang voor bent.
Zondag sprak ik een andere vriend. ‘Ik heb nog geen tijd gehad om het te lezen’, zei hij. Hij zal er wel in begonnen zijn en het niks vinden, dacht ik.
Een boek moet zich zetten; na een aantal reacties weet je wat de teneur is. Tot dat moment is het nagelbijten.
Dus gisteren om de tijd te doden naar ‘The Descendants’ met George Clooney. Voor het eerst weer eens ’s middags naar de bioscoop wat toch iets ongemakkelijks heeft: je ziet mensen denken: wat doet een volwassen man ’s middag in de bioscoop. Heef hij geen werk?
Je ziet wat je wil zien.
Vanochtend om half negen aan mijn schrijftafel; geen idee wat ik moest doen. Sinds het boek af is mis ik de ‘verplichte’ uren schrijven.
Dus even naar de computerwinkel om een al maanden spelend computerprobleem op te lossen. Ik had er uitgebreid naar gezocht op internet maar kon de oplossing niet vinden. Binnen drie zinnen had de verkoper het probleem geanalyseerd en zette hij een kastje op de toonbank. ‘Dit heb je nodig,’ zei hij.
Heerlijk, mensen die iets zeker weten.

4/05/2011

Vrijheid

Vorige week een mooie aflevering van VPRO’s Tegenlicht over de hypocrisie van het westen; jarenlang steunden wij dictators in het Midden Oosten en Noord Afrika. Het feit dat zij mensenrechten schonden was minder belangrijk dan het feit dat wij daar onze olie vandaan haalden, dat onze banken zaken met de miljardairs konden doen en dat we wapens konden leveren. Meest schrijnende voorbeeld van die hypocrisie was de tour door het Midden Oosten die de Britse premier Cameron onlangs maakte met in zijn kielzog een aantal wapenhandelaren. Wapens waarmee de regimes de bevolking konden onderdrukken. Op de terugreis deed hij ook Egypte aan dat zich net bevrijd had van Mubarak en profileerde zich zo als de eerste Westerse leider die het nieuwe regime bezocht.
Het voordeel van pragmatisme is dat je geld verdient; het nadeel is dat het zich ooit tegen je keert: we bombarderen nu de wapens die we zelf leverden. Alhoewel je dat, uit economisch oogpunt, ook als voordeel uit kan leggen.
Hoe gecompliceerd de verhouding tot de dictators is bleek ook uit de deal die Italie maakte over immigranten uit Libie. Honderdduizenden in Libie verblijvende Afrikanen stonden klaar om de oversteek naar Europa te maken. Door een deal met Kadaffi bleven ze daar; zonder deal dreigde hij ze naar Italie te laten gaan.
Tegenlicht ging ook over de angst van het Westen voor radicale moslims die de macht zullen grijpen als de dictators weg zijn. De conclusie was dat die angst ongegrond was: immers, tijdens de betogingen op het Tahrirplein werden geen anti Amerikaanse noch anti Israelische leuzen gehoord.
Die mening deel ik niet: het lijkt me sterk dat landen die het nooit hebben gekend van het ene op het andere moment democratisch zijn. Het lijkt mij een illusie om te veronderstellen dat mannen die van generatie op generatie hebben geleerd dat vrouwen geen rechten hebben opeens het omgekeerde vinden. Het lijkt me naief te hopen dat homofilie ineens een geaccepteerd fenomeen is.
Mijn grootouders hadden buren: twee gezusters die na veertig jaar verblijf in het klooster uitgetreden waren. Ze hadden genoeg van het juk van het klooster, zagen het nut van de strenge regels niet meer in; voelden zich vervreemd van hun geloof. In het begin voelden ze zich bevrijd in hun nieuwe, eigen woning (voor het eerst!) zonder god, zonder strenge moeder overste.
Maar na verloop van tijd misten ze toch iets. Ze begonnen ze zich te verdiepen in in Bloesemtherapie en Bachremedie; ze adviseerden mijn vriendin die allergisch is voor wespen om met de wesp te praten als hij op haar arm zat omdat het beestje dat zou voelen en niet zou steken. Ze maakten een reis naar India en sindsdien hing er een portret van Satya Sai Baba, een of andere Indiase goeroe, boven hun tafel. Ze begonnen te mediteren.
Zo ongeveer stel ik me de ‘bevrijde’ landen ook voor.
Je kan je dictator wel afzweren, maar de leegte die hij achterlaat klinkt hol.

3/25/2011

Ter Apel

Toen ik vorige maand een lezing in Ter Apel aannam had ik me niet gerealiseerd dat het twee uur en drie kwartier rijden was. Ter Apel ligt namelijk vlak achter Emmen. Ik wist eerlijk gezegd niet dat het na Emmen ook nog Nederland heette.
Vanochtend reed ik er heen; je komt er via Barger Compascuum en Emmer Erfscheidenveen en Roswinkel. Het ligt niet ver van Tweede Exloermond en Mussel en Hahnentange.
Namen die bij mij beelden opriepen van moerassen met hier en daar een boerderij waar de electriciteit nog via kabels op houten palen naartoe werd geleid. Als er al electriciteit was. Namen die beelden opriepen van terneergeslagen mensen met laarzen en overalls en kromgetrokken ruggen van het zware werk op het land.
Namen die mij deden vrezen dat ik de vragen uit de zaal niet zou verstaan.
Ik begon aan mijn vooroordelen te twijfelen toen ik zag dat mijn mobiele telefoon bij aankomst nog ontvangst had.
De twijfel werd groter toen ik Hotel Boschhuis zag waar de lezing plaats had; een mooi, wit, ouderwets hotel tegenover een fraai gerestaureerd klooster.
De twijfel werd compleet toen ik ontvangen werd door de twee meisjes die de lezing georganiseerd hadden, Janniek en Iris; ze hadden normale kleren aan, ze liepen niet krom; ik kon ze goed verstaan; ze maakten een opgeruimde, ja zelfs gelukkige indruk.
Ze namen me mee naar de grote zaal van het hotel; het zag er goed uit: de stoelen stonden al klaar, er was een geluidsinstallatie, er was licht.
‘Wil je wat drinken?’, vroeg Iris.
‘Koffie’, zei ik om het niet te ingewikkeld te maken.
‘Cappucino, Espresso, Machiato?’, vroeg ze.
Ik pakte de boeken uit mijn tas uit.
‘Hoeveel leerlingen komen er eigenlijk?’, vroeg ik.
‘Ongeveer tweehondervijftig’, zei Janniek.
‘Komt de hele school dan?’
Ik was eerlijk gezegd al verbaasd dat er uberhaupt een school was.
Het bleek alleen om de bovenbouw te gaan van de plaatselijke school, die ruim duizend leerlingen telde.
‘Maar waar komen al die leerlingen dan vandaan?’, vroeg ik, want Ter Apel is niet veel meer dan een kanaal met wat huizen.
Ze bleken uit allerlei plaatsjes te komen: Nieuw Weerdinge, Exloerkijl, Jipsingboertange, Barenfleer.
Ik legde mijn papieren op het tafeltje op het podium waar een fles San Benedetto bronwater voor me klaar stond.
‘We hebben in alle klassen een voordracht gehouden over uw werk’, zei Iris.
'Oh', zei ik.
'Ja', ging ze verder, ‘we hebben een samenvatting gegeven van uw boeken, we hebben een liedje laten horen en uw interview bij Paul de Leeuw laten zien’.
Ik knikte. Alsof ik dat normaal vond. Alsof dat op alle scholen waar ik kom zo gaat.
Om kwart voor een druppelden de leerlingen binnen: rustig, zonder lawaai, zonder geschreeuw. Niemand had klompen aan.
Ik hield mijn verhaal, zij luisterden anderhalf uur lang aandachtig en stelden vragen die ik verstond.
Na de lezing at ik in het restaurant een broodje Hollandse garnalen met cocktailsaus; zo lekker had ik het al jaren niet meer gegeten. Ik betaalde er met creditcard.
Toen ik terugreed had ik bij Zwolle al heimwee.

3/22/2011

Hommen en Immers

Vandaag in de Volkskrant een interessant artikel – het is eigenlijk meer een halve advertentie - van de hand van ING bestuursvoorzitter Jan Hommen.
Ik hou er wel van als mensen de kans krijgen hun bekrompenheid ongecensureerd te etaleren.
In het artikel schrijft Hommen dat ING zijn best doet om haar leven te beteren na de financiele crisis. Letterlijk staat er: ‘Het nieuwe beleid dat ING heeft geintroduceerd weerspiegelt de veranderde maatschappelijke percepties over verantwoorde beloning. Het beleid is gematigder’.
Dat is opmerkelijk want Hommen ontvangt een vast salaris van 1.350.000,= euro en zou dit jaar een bonus van 1.200.000,= euro krijgen. Daar kwamen echter zoveel verontwaardigde reacties op dat hij besloten heeft af te zien van zijn bonus.
Hommen doet het voorkomen alsof hij ethische motieven heeft. Hij schrijft dat ING ‘zijn verantwoordelijkheid jegens onze klanten en de samenleving zeer serieus neemt.’
Je moet het maar durven.
Het gaat Hommen uiteraard om iets heel anders: negatieve publiciteit kost klanten. Het feit dat het pensioen van oud medewerkers inmiddels bevroren is, het feit dat ING overeind is gehouden door de belastingbetaler, het feit dat banken een kwalijke rol hebben gespeeld bij de crisis; he couldn’t care less.
Hommen heeft wel wat weg van Lex Immers, de voetballer van ADO Den Haag die na de overwinning op Ajax in het supportershome vol overgave ‘We gaan op Jodenjacht’ zong. Toen de dag erna bleek dat iemand een filmpje van de gebeurtenis op youtube had gezet, betuigde hij spijt.
‘Ik ben me op dat moment totaal niet bewust geweest van de beledigende toon naar een hele bevolkingsgroep’, zegt hij in een verklaring.
Ik ben zo benieuwd of Hommen en Immers de onzin die ze uitkramen zelf geloven. Dat zou schokkend zijn, maar met wat therapie kan je een eind komen.
Eerder denk ik dat een oud spreekwoord van toepassing is: brutalen hebben de halve wereld.

2/10/2011

Egypte en de mythe van de revolte

Zoals een recensie van een boek vaak meer zegt over de recensent dan over het boek, zo zegt de verslaggeving over de gebeurtenissen in Egypte meer over ons dan over Egypte.
Het beeld van een volk dat zich na 30 jaar eindelijk verzet tegen zijn dictator spreekt in Nederland – en naar ik aanneem in het hele Westen – zo tot de verbeelding dat er van objectiviteit, zo die al mogelijk zou zijn, geen sprake is.
Ik zal uitleggen waarom ik dat vind.
Het journaal doet nu al ruim een week vrijwel alleen verslag van het Tahirplein in Cairo. Het mag dan indrukwekkend zijn, al die mensen, maar wat zegt het over de rest van Egypte? Toegeven, af en toe krijgen we een shot van een plein in Alexandrie, maar verder?
Ik moest denken aan een stukje in het boek ‘Het zijn net mensen’ van Joris Luyendijk waarin hij op zoek gaat naar de Palestijnse protesten in Ramallah die we wekelijks op televisie zagen. Tot zijn verbazing komt hij in een heel rustig, vredig dorpje. ‘Waar zijn de rellen?’, vraagt hij aan iemand. ‘Dan moet u hier naar rechts en dan een kilometer rechtdoor en dan komt u bij een plein en daar beginnnen om elf uur de rellen’, antwoordt iemand (ik citeer uit mijn hoofd – ik heb het boek niet bij de hand, dus fout, maar de strekking klopt).
Met andere woorden, wat wij op televisie zagen; woedende, naar de Israelische politie stenen gooiende jongeren, was maar een heel klein stukje van de realiteit.
Waarom zijn er geen verslaggevers buiten Cairo? Of zelfs maar buiten het Tahirplein? Misschien omdat daar geen demonstraties zijn?
Verder had ik ook graag wat meer willen weten over de leiders van de revolte. In een land waar de geheime politie overal aanwezig is, ligt het voor de hand kritisch te zijn op iedereen, ook op de mensen die aan ‘de goeie kant’ staan.
Ik ben twee keer in Syrie geweest voor optredens, en wat ik daar geleerd heb is dat je in een politiestaat niemand kan vertrouwen, ook niet de aardige, goedlachse chauffeur die ons een week lang rondreed en ons de foto’s van zijn kinderen liet zien.
Ik kan me niet ontrekken aan de gedachte dat Westerse journalisten de idylle van de revolutie van het volk niet willen verstoren.
Terwijl ze zouden moeten weten dat revoluties vaak slecht aflopen: denk aan Islamitische revolutie in Iran, de Russische revolutie die leidde tot de Sovjet Unie of de Saur revolutie in Afghanistan.

1/27/2011

Norwegian Wood

Vroeger was het eenvoudig; als Volkskrantcriticus Peter van Bueren een film goed vond, vond ik het niks; als hij een film afkraakte ging ik erheen. Ik was het namelijk bijna altijd met hem oneens.
Maar van Bueren is al een tijd gestopt en sindsdien heb ik geen eikpunt meer; soms deel ik de kritiek van de recensent, een andere keer niet.
Gisteravond ging ik naar een film die door de Volkskrant ‘een ontroerende en bij vlagen zelfs hartverscheurende ervaring’ werd genoemd, te weten: ‘Norwegian Wood’ van regisseur Tran Anh Hung. De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van de schrijver Haruki Murakami.
De film gaat over een jongen, Tran, die een relatie krijgt met het voormalig vriendinnetje van zijn beste vriend die zelfmoord heeft gepleegd.
De film bestaat eigenlijk helemaal uit conversaties, alhoewel conversatie een groot woord is, want veel wordt er niet gezegd. De film zit vol met betekenisvolle stiltes waarin de acteurs elkaar diep in de ogen kijken en waarbij de kijker moet gissen naar wat ze bedoelen.
Het kan aan mijn gebrek aan verbeelding liggen, maar ik begon me daar na verloop van tijd aan te ergeren. Was er een diepere laag die ik niet begreep? Miste ik iets?
Zo werd mij bijvoorbeeld totaal niet duidelijk waarom bovengenoemde jongen al op 18 jarige leeftijd zelfmoord pleegt.
En ik kon ook niet uit de stiltes opmaken waarom alle meisjes die Tran ontmoet met hem naar bed willen en waarom die vrijpartijen steeds opnieuw verzanden in gestaar.
De relatie van Tran en het meisje verloopt niet vlekkeloos, to say the least. Zij is depressief – een gevolg van de zelfmoord van haar eerste vriendje of gewoon genetisch bepaald? - en belandt in een inrichting ergens in een Japans bos waar het altijd hard regent. Ze laat Tran opdraven wanneer ze wil, ze vraagt hem geduld te hebben omdat ze nog niet met hem naar bed kan, ze laat zich door hem troosten om hem daarna hartelijk uit te lachen.
Waarom Tran haar nou niet eens een keer de waarheid zei, of gewoon wegbleef, begreep ik ook niet. Plichtsbesef, vermoed ik, maar daar kan ik helemaal naast zitten.
Tijdens de twee uur en een kwartier durende film – er was geen pauze - begon ik me steeds vaker af te vragen of er uberhaupt wel een diepere laag was. Viel er wel iets te begrijpen?
De stiltes, het gestaar, de twee zelfmoorden – uiteindelijk pleegt het meisje ook zelfmoord - deden dat wel vermoeden, maar zeker was ik er niet van.
Een teveel aan drama verhult vaak een gebrek aan diepgang.
Soms verlang ik terug naar Peter van Bueren.

12/05/2010

Wikilaks

Ieder mens heeft het recht om iets te vinden en om dat vervolgens niet uit te spreken. Of om die mening slecht met een enkeling te delen.
Niemand spreekt de hele dag de waarheid.
Als iedereen de hele dag de waarheid zou spreken zou er geen huwelijk meer stand houden.
Mijn probleem bij het door Wikileaks op het internet plaatsen van gestolen, vertrouwelijke informatie is dat mensen, in dit geval diplomaten van de VS, het recht ontnomen wordt een geheim te hebben. Ieder mens heeft recht op een geheim.
Het gaat mij niets aan dat Amerikaanse diplomaten de Franse president autoritair vinden. Of dat ze Berlusconi incompetent en ijdel vinden. Eerlijk gezegd vind ik het ook nogal naief als je van dat soort informatie opkijkt.
Journalistiek moet gericht zijn op waarheidsvinding, maar de scheidslijn tussen sensatiezucht (of persoonlijke rancune) en gedegen journalistiek is dun.
Hoogleraar bestuurskunde Michiel de Vries betoogt in de Volkskrant van zaterdag dat Assange (de oprichter van Wikileaks) als held geeerd zou moeten worden. Hij maakt daarbij de vergelijking met ‘klokkenluider’ Max Havelaar. Nog even afgezien van het feit dat de term ‘klokkenluider’ wel erg armoedig is als het gaat om de schrijver van een van de allerbeste Nederlandse romans ooit, klopt de vergelijking ook niet.
Multatuli werkte jaren in Indie en kende het onrecht dat de inlandse bevolking werd aangedaan als geen ander. Hij ‘stal’ geen informatie. Terug in Nederland schreef hij een woedende aanklacht tegen het koloniale systeem, die tegelijkertijd ook menselijk en ontroerend is omdat het een verhaal is over gewone mensen.
Assange is een buitenstaander, iemand die het Amerikaanse diplomatieke systeem niet kent. Hij doet ook geen poging het materiaal dat hij aangereikt kreeg te filteren; hij zet gewoon 250.000 gestolen documenten op het net.
Diefstal van informatie is en blijft ordinaire diefstal, tenzij het iets onthult dat van zo’n groot maatschappelijk belang is, dat het waarheidsvinding heet.
Het archetypische voorbeeld is de onthulling van het Watergateschandaal.
Naar het zich laat aanzien zitten er tussen de Wikileaks documenten ook enkele van dit soort documenten. De informatie dat Arabische landen Amerika gevraagd hebben om Iran aan te vallen lijkt mij hier een voorbeeld van.
Wat mijn probleem met Assange is, is dat hij verzuimd heeft het echte onthullende nieuws van de rest te onderscheiden.
Hij kan wat leren van Multatuli: een goede roman schrijven is vooral een kwestie van weggooien.

11/17/2010

Streng

Dat in de PVV fractie relatief veel mensen zitten die agressief gedrag vertonen verbaast mij niet. De mens is inkonsekwent en hoe strenger in de leer, des te duidelijker dat wordt.
De zaak van PVV kamerlid Lucassen die mensen in zijn buurt terroriseerde omdat ze hun hond voor zijn huis uitlieten is een illustratie van die stelling. De veroordelingen van zijn collega Sharpe voor oplichting ook; Hero Brinkman’s vuistslagen op het gezicht van een barman die hem geen drank meer wilde schenken evenzeer.
Maar inconsekwentie blijft niet voorbehouden aan PVV-ers.
Dat katholieke priesters jongetjes misbruiken in internaten is een logisch gevolg van het celibaat.
Dat ieder jaar wel een streng conservatief Brits lagerhuislid betrapt wordt op een buitenechtelijke relatie ligt voor de hand.
Dat communistische leiders in de Sovjet Unie zelf baadden in weelde mag geen verbazing wekken.
Dat imams in Egypte hun geslachtsdeel in een geit stoppen is volstrekt verklaarbaar.
Wat al deze hardliners met elkaar gemeen hebben is dat ze geen twijfel lijken te kennen. Zij weten wat goed is en wat fout. Die eendimensionaliteit is even aantrekkelijk (voor somiige mensen) als dat zij onnatuurlijk is.
Overigens leidt het omgekeerde, jezelf en de buitenwereld geen enkele norm opleggen, ook tot diefstal en zelfverrijking. Denk aan de Rijkman Groeninks en Sir Goodwins van deze wereld.
Maar in hun strenge normloosheid en hun gebrek aan twijfel zijn zij te vergelijken met Lucassen com suis.
Dat de mens veel gecompliceerder en inkonsekwenter is dan sommigen zouden willen verwoordt de Amerikaanse schrijver Malcolm Gladwell als volgt:
‘Karakter is een verzameling gewoonten, neigingen en interessegebieden in losse samenhang die in bepaalde perioden afhankelijk zijn van de omstandigheden en de context.’
Oftewel, het ene moment hebben we de mond vol van fatsoen, het volgende moment schelden we de buurman uit voor kankerleier omdat hij zijn hond voor je deur uitlaat.
Ik denk niet dat Lucassen ooit iets van Gladwell gelezen heeft. Kan hij eigenlijk wel lezen?

10/26/2010

Uit de oude doos (3)

Het eerste optreden van comedytrain ooit was op 7 september 1990. Achteraf gezien een bijzondere moment: een soort landing op de maan; het begin van stand up comedy in Nederland. En alhoewel het mij nog steeds met trots vervult dat ik een van de vier eerste mannen op de maan was, kan ik niet zeggen dat het moment zelf erg heroisch was.
Laat ik even terug gaan naar hoe het begon.
Precies vier maanden daarvoor, op 7 mei word ik gebeld door ene Raoul Heertje die mij vraagt of ik belangstelling heb voor stand up comedy. Je had in die tijd nog geen google dus ik kon ook geen afbeelding van hem te voorschijn toveren. Het is zeer de vraag of ik lid van Comedytrain was geworden als dat wel gekund had.
Maar omdat ik toch niks te doen heb en ik sinds mijn afstuderen cabaretier ben, of althans, ik vind dat ik dat gewoon moet durven zeggen als iemand vraagt wat ik doe, zeg ik ja.
Vooral ook omdat Raoul me werk in het vooruitzicht stelt, want hij heeft in september een theater geboekt waar we acht keer mogen spelen. Ik zie het helemaal zitten: een theater met kleedkamers, een podium, lampen, een foyer, barmeisjes.
En dus fiets ik die zevende september opgewonden en veel te vroeg naar het Anthony theater in Amsterdam.
Als ik voor het opgegeven adres sta denk ik dat ik me vergist heb; het ligt namelijk midden op de wallen en het heeft meer weg van een bouwval waar net de krakers uit vertrokken zijn omdat het ook hun te gortig wordt. In die tijd had je nog geen kraakwet, en die was in dit geval dus ook helemaal niet nodig geweest.
Ik zet mijn fiets op slot, doe de deur open en kijk rond: er staan ongeveer twintig stoelen, tegen de muren zijn een paar kapotte gitaren gespijkerd, de bar of wat daarvoor door moet gaan hangt scheef is en ik betwijfel of de ruimte boven het miniscule podiumpje hoog genoeg is om rechtop te kunnen staan.
Verder hangt er een penetrante, weeige lucht die me nog het meest aan Camembert doet denken.
‘Lekker intiem he’, hoor ik plotseling een stem. Het blijkt de eigenaar Onno te zijn, een kruising is tussen Albert Mol en Jacques d’Ancona.
‘Ja’, zeg ik teleurgesteld.
‘Je zit heerlijk dicht op de mensen’, gaat hij verder, ‘en we zetten er zo lekker een spotje op. Doe jij je jas maar vast lekker uit.’
Ik doe mijn jas uit. Als ik hem op een van de stoelen leg zie ik dat het rode pluche vol zit met witte vlekken.
Als Onno me daarna meeneemt naar de donkere voorraadkast naast het podium en zegt dat dit de kleedkamer is word ik overvallen door een hevige twijfel. Heb ik iets verkeerd begrepen? Is Stand up comedy homojargon voor een gangbang? Is het podium daarom zo laag? Komt Raoul zo met vier latex pakjes aanzetten?
Een half uur later druppelen de anderen binnen; Raoul, John Jones, Theo Maassen. Ze gedragen zich normaal.
Als weer een half uur later het publiek binnenkomt besluit ik dat mijn angst ongegrond is: het publiek bestaat die eerste avond namelijk uit de ouders van Raoul, de broers van Raoul, de vriendin van Raoul, twee vrienden van Raoul, een paar vrienden van John en Theo en mijn vriendin. De enige betalende bezoekers zijn twee aangeschoten Engelsen die achterin de zaal gaan zitten en halverwege de voorstelling mopperend het pand verlaten omdat ze ‘pussy’ willen zien.
Mijn act, die ik de maanden daarvoor zorgvuldig heb voorbereid, mislukt volkomen; als een konijn dat in de lichtbundel gevangen is zeg ik met grote, verschrikte ogen mijn tekst op; ik maak geen contact met de zaal, ik improviseer niet, ik doe alles fout. Raoul en Theo doen het geloof ik iets beter, maar de enige die echt succes heeft is John met zijn act over zijn Surinaamse opvoeding.
Na afloop van de voorstelling probeert mijn vriendin nog iets aardigs tegen me te zeggen: ‘Je was heel goed te verstaan’, zegt ze, ‘je zag er goed uit en wat prettig was, je hoefde bij jou tenminste niet steeds zo te lachen.’
Ik onderga de vernedering, drink teveel, ga alleen naar huis en rol die nacht om twee uur gefrustreerd in mijn bed als een berg opziend tegen de komende, zeven voorstellingen en ervan overtuigd dat Comedytrain de serie in het Anthonytheater niet zal overleven.

10/08/2010

Grote woorden

Aan de veelgenoemde ‘verruwing’ van de omgangsnormen in Nederland ligt volgens mij vooral een gebrek aan zelfrelativering ten grondslag. Mensen nemen zichzelf veel te serieus. Er worden veel te snel grote woorden gebruikt.
‘Nederland zou 100 jaar in de tijd terug gaan als ik veroordeeld wordt’, zegt Geert Wilders over zijn proces.
En in zijn verklaring voor de rechtbank: ‘Ik kan niet anders dan concluderen dan dat de rechtbank mij geen eerlijk proces gunt’. Deze laatste woorden lijken misschien klein, maar zijn het niet. Een oneerlijk proces doet totalitaire regimes vermoeden; generaals; mensen die uit vliegtuigen worden gegooid.
Nigel de Jong vindt niet dat hij te ver gaat (‘Dat zit in mijn spel’), ook nadat hij voor de tweede keer iemand een beenbreuk heeft geschopt. Sportjournalist Hugo Borst op zijn beurt kwalificeert de Jong, zonder enige spot, als ‘crimineel’ (‘dat durf ik te zeggen’).
Het probleem van grote woorden is dat ze nog grotere woorden uitlokken.
Bij Albert Verlinde lijkt het licht helemaal uitgegaan. Hij vraagt de media om terughoudendheid inzake het overlijden van zijn zwager Antonie Kamerling. Kennelijk gelden als het om zijn naasten gaat andere wetten, want als het om ranzige journalistiek gaat heb ik hem nog nooit een voorbehoud zien maken.
Overigens putten allerlei Bekende Nederlanders zich de afgelopen dagen uit in grote woorden; iedereen was ‘helemaal kapot’, ‘geschokt’ of ‘verbijsterd’.
Het probleem van superlatieven is dat het normale zijn betekenis verliest.
Wilders, De Jong, Borst, Verlinde: ze hebben iemand nodig die zegt: ‘Hee, doe even normaal. Jij bent het maar.’
Nederland is een klas waar de twintig rustige kinderen worden gegijzeld door een paar brutale ettertjes die denken dat ze god zijn.

9/26/2010

Comedytrain

Er was een bijeenkomst van alle (oud) Comedytrainleden om te brainstormen over de grote avond die op 25 oktober in de stadsschouwburg plaats vindt ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan.
Ik zag er een beetje tegenop, zoals ik tegen alle bijeenkomsten, borrels, boekpresentaties en recepties opzie, zeker als ik mensen heel lang niet gezien heb. Ik ben altijd bang dat ik binnen een half uur alleen aan de bar sta omdat iedereen liever met elkaar praat dan met mij. Het is een onberedeneerde verlegenheid die mij er vaak van weerhoudt erop uit te gaan, maar ik heb me voorgenomen om dit jaar elke uitnodiging die ik krijg aan te nemen. Niet alleen omdat ik vind dat ik wat meer moet ‘netwerken’, maar ook omdat het bijna altijd heel leuk blijkt te zijn.
Zo ook deze keer.
Vrijwel de hele oude garde was er: Raoul Heertje, Bas Grevelink, John Jones, Pieter Bouwman, Lenette van Dongen, Owen Schumacher, Hans Sibbel. En er was veel bij te praten want de vorige keer dat ik ze zag, was ter gelegenheid van het vijftienjarig jubileum.
Comedytrain is in meerdere opzichten een buitengewoon gezelschap: ik was, geloof ik, het derde lid van de groep en maakte dus de eerste, roerige jaren mee waarin nog niemand van het fenomeen Stand-up comedy gehoord had en waarin we in cafees soms bijna letterlijk moesten vechten om de aandacht. Sinds ik er niet meer speel zijn er tientallen nieuwe comedians gekomen en gegaan, maar je blijft er voor altijd bijhoren en ik kan niet anders zeggen dat ik me er bij binnenkomst ook meteen weer thuis voelde. Het is altijd fijn als je het gevoel hebt dat men blij is je weer te zien.
Wat ook buitengewoon is, is dat comedytrain het enige niet gesubsidieerde multiculturele gezelschap is dat ik ken. Blanken, zwarten, Joden, Moslims, Christenen, homo’s, academici, drop outs; in comedytrain gaat het moeiteloos samen. De reden dat het in prachtwijken ondanks talloze projecten maar niet lukt om mensen met elkaar te laten integreren en hier wel is volgens mij heel eenvoudig: het moet uit vrije wil gebeuren. Je kan het niet opleggen. Iedereen die lid wil worden van Comedytrain wil hetzelfde, namelijk op een podium staan en grappen maken. En dan doen de verschillen er niet meer toe.
Artistiek leider Jan Jaap van de Wal hield een betoog over twintig jaar Comedytrain en eindigde met het idee de groep op te heffen omdat alle doelen bereikt waren en het inmiddels een gemakzuchtig gezelschap dreigt te worden. Daarna gingen we brainstormen over de jubileumavond wat een hele uitdaging was met vijfenveertig comedians die zichzelf graag horen spreken. Dat wil zeggen, diegene die het aandurven, want je moet in zo’n gezelschap sterk in je schoenen staan wil je wat durven zeggen. Voor je het weet maakt iemand een grap over je.
Zelfverzekerd door een glanzende carriere of juist onverschillig geworden voor hoon en spot door het ontbreken daarvan, voerde vooral de oude garde het woord. Of, zoals in mijn geval, opgelucht dat ik niet binnen een half uur alleen aan de bar stond.
Overigens had ik niet het idee dat we erg constructief bezig waren want ook na een uur brainstormen was mij in het geheel niet duidelijk wat er 25 oktober gaat gebeuren. Hoe dan ook, het jubileum is al geslaagd.

9/14/2010

Wilders (2)

Er zijn veel mensen die het aanstaande kabinet met de PVV als een groot naderend onheil beschouwen. Ze vinden dat Wilders voor verruwing in het debat zorgt, ze vinden dat hij bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet; ze maken zich zelfs zorgen om de rechtstaat.
Ik maak me ook zorgen om de rechtstaat, maar niet zozeer vanwege Wilders.
Laat ik vooropstellen dat ik ook niet van zijn woordkeuze en retoriek houd; het is express en onnodig kwetsend. Er zijn helaas meer islamcriticasters die daar last van hebben, of ik moet zeggen, hadden: Van Gogh, Fortuin.
Dat is nou eenmaal de prijs die je betaalt voor een vrije samenleving; je mag (bijna) alles zeggen. Je zou alleen hopen dat mensen het niet altijd doen.
Maar in plaats van over wat er wel gezegd wordt, maak ik me eerder zorgen om wat er niet gezegd wordt. Bijvoorbeeld door cabaretiers als Youp van ’t Hek en Dolf Jansen die doorgaans over alles en iedereen een mening hebben. Het kan zijn dat ik iets gemist heb, maar ik hoor ze nooit harde grappen maken over moslims. Niet dat ik vind dat je harde grappen over moslims moet maken, maar als een cabaretier overal grappen over maakt behalve over moslims vind ik dat verontrustend. Dan lijkt het erop dat hij dat niet durft.
Wat me ook zorgen baart is dat ik de critici van Wilders niet of nauwelijks hoor over de toename van geweld tegen homo’s en Joden, zoals vandaag weer blijkt uit cijfers van de politie (Landelijk Criminaliteitsbeeld Discriminatie). Het aantal meldingen van antisemitische discriminatie incidenten is in 2009 gestegen met bijna 50 procent, het aantal geregistreerde anti homo incidenten met 13 procent. Let op het woord: geregistreerde. In praktijk is het natuurlijk veel erger, de meeste mensen durven helemaal geen aangifte te doen of vinden het teveel gedoe of weten dat het toch niets oplevert.
Ten derde vindt ik het zorgelijk dat er zo weinig mensen compassie tonen met de situatie van Wilders die al jaren feitelijk geen priveleven meer heeft.
Toen er een fatwa werd uitgesproken over Salman Rushdie stond de hele wereld op z’n kop; iedere zichzelf respecterende politicus, schrijver, leider sprak zijn walging uit. Nu er een democratisch gekozen politicus vanwege zijn mening in safehouses moet wonen hoor ik niemand. Natuurlijk, als het ze gevraagd wordt spreken collega’s er schande van, maar er is nooit sprake geweest van een breedgedragen verontwaardiging.
Het lijkt er op dat mensen vinden dat hij het aan zichzelf te danken heeft; dat wie zich brandt op de blaren moet zitten; dat iemand die ‘kopvoddentaks’ durft te zeggen, minder recht heeft op vrijheid dan anderen.
Dat vind ik verontrustend.
Zwijgen is een grotere bedreiging voor de rechtstaat dan spreken. Hoe misplaatst en bekrompen de teksten soms ook mogen zijn.

9/09/2010

Goeroes zonder grenzen

Afgelopen vrijdag organiseerden wij, de Goeroes zonder grenzen, de eerste ‘Goeroes Relatie Verwendag (Women only)’.
Ik geloof niet dat ik er al eerder over schreef: Goeroes zonder grenzen is de naam van een act die ik samen met mijn vrienden Joep en Rutger maakte. We worden door bedrijven uitgenodigd om te spreken op congressen of bij andere bijeenkomsten en spelen dan drie bedrijvendokters die ieder na elkaar een presentatie geven: Joep speelt een te snelle jongen in paars overhemd; Rutger is een stijle, conservatieve ondernemer in pak en ik ben een zweverig, holistisch type met een wit gewaad aan . Omdat we als serieuze sprekers worden aangekondigd duurt het een tijdje voor mensen door hebben dat het een persiflage is, wat het uiteindelijk allemaal nogal hilarisch maakt. Als je een indruk wil krijgen kan je kijken op www.goeroeszondergrenzen.nl, waar ook een trailer te zien is.
Inmiddels bestaan we een jaar en speelden we ruim vijftig voorstellingen, wat meer is dan we ooit hadden durven dromen.
Overmoedig geworden door dit succes vonden we het daarom tijd worden om iets geks te doen; als je succesvol bent moet je dat immers ook uitstralen.
Het werd uiteindelijk de eerste ‘Goeroes Relatie Verwendag’ en omdat we het ludiek wilden houden werd het ‘Women only’.
Dus stuurden we in juni onze vrouwelijke relaties bij bedrijven een uitnodiging; we huurden een strandtent af in Zandvoort aan zee; we kozen een lekker menu uit, een borrelhapje, een welkomstdrankje; we bereidden een act voor; we lieten badges maken en boekten stervisagist Tom Sebastian voor een workshop ‘Tien jaar jonger in een dag’. Kosten noch moeite werden gespaard; wij gingen het begrip ‘relatiedag’ een nieuwe dimensie geven.
Het voelde ongelofelijk goed om dit allemaal voor onze relaties te doen; het voelde als een kadootje aan onszelf.
Dit licht euforische, zelfingenomen gevoel hielden we vast tot ongeveer anderhalf uur voordat de dames zouden komen. Toen sloeg de twijfel toe: waarom deden we dit ook al weer; we kenden die vrouwen niet of nauwelijks. Zouden ze onze act wel leuk vinden? Was Tom Sebastian eigenlijk wel op z’n plaats? Hadden we wel aan vegetarische maaltijden gedacht?
Plotseling kregen we visioenen van zwijgende vrouwen in mantelpakjes die ons vragend aankeken. We zagen tafels vol onaangeroerde schalen met heerlijk eten; we zagen onszelf hysterisch pogingen doen de sfeer erin te krijgen; we zagen norse vrouwelijke managers om half negen opstaan en zeggen dat ze hoofdpijn hadden en naar huis gingen.
Nooit voelde de afstand tussen man en vrouw groter dan in die laatste anderhalf uur. Even overwogen we om weg te gaan; om een briefje in de strandtent achter te laten met: ‘Lieve dames, door omstandigheden moeten wij weg, maar heel veel plezier!’
Maar natuurlijk bleven we. De dames kregen een drankje, wij deden onze act, zij moesten lachen en het ijs was gebroken. Achteraf hadden we het kunnen weten. Het is namelijk heel eenvoudig: een man wil aandacht; een vrouw wil verwend worden.

6/25/2010

Italie

Bij het loket van het station op het vliegveld Fulmicino in Rome kocht ik een eersteklas treinkaartje naar Spoleto. De man achter het loket keek op de klok en zei dat de trein pas om kwart over vijf vertrok.
Ik pakte mijn reisschema erbij dat ik de dag ervoor had uitgeprint en zei dat er volgens mij om vijf over vier ook een ging. Hij keek op het blaadje, haalde zijn schouders op en zei: ‘Oh’.
De trein rolde inderdaad volgens ‘mijn’ schema binnen en ik zocht tevergeefs naar een eersteklas coupe. Toen ik hem niet kon vinden vroeg ik de conducteur ernaar die begon te lachen en zei: ‘Al onze treinen zijn eersteklas’.
Ik was een week in Italie om te werken aan mijn nieuwe roman en om een oude vriend op te zoeken die er al tien jaar woont. Hij heeft een mooi appartement in het centrum van Spoleto dat uitkijkt over een kloostertuin. Er wonen nog vijf nonnen: drie van rond de tachtig en twee van Filippijnse afkomst die om en nabij de veertig zijn. Hun klooster is veel te groot en ze proberen het hoofd boven water te houden door kamers te verhuren. Voor twintig euro krijg je een doorgezakt bed, een bak koffie en een homp brood. Omdat het de goedkoopste bedden van de streek zijn logeren er soms hele voetbalelftallen die het ’s avonds in de kloostertuin op een zuipen zetten en zoveel lawaai maken dat je af en toe zelfs de weg niet meer hoort. De weg tussen Rome en Perugia waar al vijftien jaar geleden een geluidswal zou worden aangelegd die er nog steeds niet is.
Spoleto is een prachtig oud stadje dat zoveel historisch, cultureel erfgoed heeft dat de Italianen er achteloos mee omspringen.
Ze scheuren met hun Lanciaatjes en Fiatjes door de smalle, duizenden jaren oude straatjes; op elke hoek staat wel een kapelletje waar we in Nederland onmiddellijk een museum van zouden maken; iedere kerk heeft catacomben uit de Romeinse tijd waar we in Nederland direct een koord voor zouden spannen; kinderen trappen een balletje tegen de Cattedrale di S. Maria Assunta, herbouwd in de twaalfde eeuw; in het Romeins amfitheater worden hardhandig steigerpalen uitgeladen voor het muziekfestival later deze maand.
Italianen leven letterlijk bovenop het verleden. Je ziet muren waarvan de onderste stenen dateren uit de Romeinse tijd; daarboven liggen kleinere stenen van zeshonderd jaar later ; de poort dateert uit twaalf honderd en het bovenste gedeelte is nog geen honderd jaar oud. Alles wat overeind staat wordt gebruikt.
We spraken over hoe het is om in Italie te wonen: hij zei dat hij de gesprekken in Nederland (hij is elk jaar een paar weken in Nederland) zo vermoeiend vindt.
‘Het gaat het altijd over wat je doet, of over politiek’, zei hij. ‘Je moet je altijd verdedigen. In Italie gaan de gesprekken over het eten’.
Eten doen ze er veel en goed, vooral ’s middags. Rond het middaguur is het leeg op straat. Je ziet dichte deuren en donkere ramen met tralies. Het leven speelt zich af op de hogere verdiepingen; de ramen staan open; je hoort messen en vorken over borden schrapen, je hoort Italianen praten en je ruikt de heerlijke geuren van een goede keuken. Rond twee uur is het helemaal stil omdat iedereen siesta houdt.
Vanaf vier uur scheuren ze weer met hun autootjes door de straten.
Ik ken geen land dat zo duidelijk twee kanten heeft.
Of, zoals ik in een boek las: Italie is als een bloedmooie vrouw die in haar neus peutert.

5/19/2010

Een avond met J. M. Coetzee

Mijn vriendin en ik gingen naar de ‘Literaire avond met J.M. Coetzee’ ter ere van de zeventigste verjaardag van de Zuid-Afrikaanse schrijver en nobelprijswinnaar. De avond werd georganiseerd door het genootschap Literair Haarlem dat een programma had samengesteld met lezingen en optredens waarvan wij veel verwachtten; het betrof hier immers een van de grootste hedendaagse schrijvers ter wereld. Daarbij zat hij zelf op de eerste rij.
De avond, die plaats vond in de voor eenderde gevulde grote zaal van de Philharmonie te Haarlem, werd geopend door de burgemeester waarna een bandje volgde dat wij niet kenden. Zij zongen een over vijf minuten uitgesmeerd acht-regelig gedichtje waarvan vooral de refreinregel ‘Dat is het Droste effect’ door de zanger, die overigens het hele lied met zijn handen in zijn zakken stond, eindeloos herhaald werd.
Daarna volgde een tweede lied, ditmaal gezongen door een zangeres in een rode jurk. Waar het over ging werd ons helaas niet duidelijk omdat de violist van het bandje al na een halve minuut de smaak zo te pakken had dat hij zijn ‘vullertjes’ niet meer beperkte tot de ruimte tussen de tekstregels, maar in een lange solo het lied tot het einde toe vol fiedelde zodat je weliswaar de mond van de zangeres zag bewegen, maar enkel de viool hoorde.
Toen was het de beurt aan literair criticus, Pieter Steinz. Hij had schema’s opgesteld waarin invloeden van andere schrijvers op het werk van Coetzee werden blootgelegd. Ter verduidelijking zouden deze op een groot scherm geprojecteerd worden. Dat bleek nog niet zo makkelijk want Steinz had kennelijk nog nooit met een laptop gewerkt en er moest dan ook een technicus het podium op komen om de schema’s te voorschijn te toveren. Toen dat na enige moeite gelukt was bleek het om met de hand geschreven, ingescande krabbeltjes te gaan die op een afstand van drie meter al niet meer te lezen waren. Maar niets weerhield de spreker ervan zijn half uur durend betoog af te maken, ook niet het feit dat voor elk nieuw onleesbaar schema de technicus weer op moest komen draven. En ook niet dat er ineens een Skype pop-up te voorschijn kwam met de, ditmaal wel leesbare, tekst: ‘Hoi schatje, tijdje weg geweest. Hoe is ‘t?’
Na zijn bijdrage was het weer tijd voor muziek. Er werd een sopraan aangekondigd die drie liederen van Schubert zou zingen, waarbij de door Goethe geschreven teksten op hetzelfde scherm te zien zouden zijn.
De zangeres, die een mooie gebloemde jurk aan, had kwam enthousiast het podium oplopen. ‘Wie is het feestvarken eigenlijk?’, vroeg ze vrolijk. Coetzee, die op de eerste rij zat, bleef voor zich uit kijken zoals hij dat al de hele avond had gedaan.
‘Ik wilde maar niets zeggen want er wordt al teveel gezegd’, ging de zangeres verder, ‘daarbij kunt de teksten toch meelezen.’
Dat bleek ijdele hoop.
Halverwege het eerste lied kreeg de zangeres het ook door; ze onderbrak haar pianiste en zei op het scherm wijzend: 'Dit klop niet'.
Dat had ze juist gezien en dus kwam de technicus het podium weer op lopen in een poging de de fout te herstellen maar het laatste schema van Steinz bleek niet meer van het scherm te branden hetgeen hem er uiteindelijk toe bracht de laptop maar gewoon dicht te klappen en het podium onverrichter zake te verlaten.
Hierop verliet de voorzitter van Literair Haarlem zijn plek op de eerste rij en liep naar achteren om even later zwetend terug te keren met de mededeling dat de tekst door omstandigheden niet zichtbaar was. Maar, vulde hij aan, de teksten stonden wel op een vel papier dat in de foyer lag en dat we voor aanvang mee hadden kunnen nemen. Helaas had vrijwel niemand dat gezien zodat de sopraan besloot tot een uitvoerige inleiding op de liederen.
We waren toen inmiddels anderhalf uur verder.
Gelukkig kwam daarna Nelleke Noordervliet die de avond in haar eentje redde met een mooie, geestige en boeiende lezing over de betekenis van het werk van Coetzee, waarbij ze geen technische hulpmiddelen gebruikte.
Aan het slot van de avond kwam de schrijver zelf op. Hij zei: ‘Bedankt voor de warme ontvangst’ (wat naar ik begreep voor zijn doen uitzonderlijk uitvoerig was), las drie bladzijden voor uit zijn laatste roman en vertrok weer.
Ik vroeg me af of hij ooit zo'n ontvangst had meegemaakt.

4/29/2010

Rotary

Ik moest een lezing houden voor de Rotary.
De Rotary is een organisatie die zich ten doel stelt om goede doelen te ondersteunen. Daartoe komen elke woensdagavond in heel Nederland (Nederland telt bijna 500 Rotaryclubs) een aantal mannen (en een enkele vrouw) samen om met elkaar te eten en te drinken en om te bespreken wat er allemaal moet gebeuren.
Er is ook altijd een spreker; de ene keer is het iemand van de club zelf die iets vertelt over zijn werk of over een boek dat hij gelezen heeft; de andere keer is het iemand van buiten.
Dit keer was ik dat.
Toen ik aankwam stonden de heren van club Velsen Zuid buiten op het terras van ‘de theeschenkerij’ te borrelen. Het was precies de lokatie die ik me bij de Rotary had voorgesteld: een mooi oud theehuis middenin een parkje waar herten en reeen graasden tussen de honderdjaar oude eiken en lindes. Het zou een goed decor zijn voor een verfilming van een Couperus-roman.
Van binnen voldeed het gebouwtje al evenzeer aan mijn verwachtingen; een hoge zaal met ornamenten; een donkere eikenhouten vloer; hoge spiegels, een lange bar en goedkope, donkerbruine tafels en stoelen. Het had iets koloniaals; iets van vergane glorie. Het paste wel bij dit gezelschap waar de gemiddelde leeftijd zestig was en het voor vrouwen pas sinds twee jaar is toegestaan om lid te worden. Overigens had – zo te zien - nog geen vrouw de behoefte gevoeld.
Na de borrel gingen we aan tafel om de broodmaaltijd met gehaktbal te nuttigen, en toen iedereen klaar was stond de voorzitter op om een paar agendapunten door te nemen zoals de aanstaande zeiltocht met de (Rotary)club uit Santpoort en de busreis in mei naar een bevriende club in Duitsland. Tijdens dit gedeelte van de bijeenkomst ging er een sigarenkistje rond waaruit de leden een lootje pakten waarna zij er een euro voor in de plaats legden. Het bleek een soort bingo te zijn waarvan de opbrengst – als ik het goed begrepen heb – naar een kinderopvang project in Nigaragua ging.
Ik moest even denken. Nicaragua? Was dat niet dat land dat vijfentwintig jaar geleden in het nieuws was? Ging het niet om contra’s en Sandinisten en het oprukkende communisme?
De koude oorlog, het paste er helemaal bij. Net als de lange ‘burgermeestersketting’ van de voorzitter en het feit dat ieder die iets wilde zeggen eerst ging staan. En net als de reacties na afloop van mijn lezing: vriendelijk, beleefd, maar ook gereserveerd. Omdat het natuurlijk ook een eer is om daar te mogen spreken.

4/13/2010

Thijsse's hof

Er zijn niet veel mensen als we op zondagochtend het hek binnengaan van Thijsse’s hof. Thijsse’s hof is een plantentuin die ooit werd aangelegd ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van Jac. P. Thijsse, die ik ken van de vergeelde Verkade-albums uit de boekenkast van mijn ouders.
Bij de ingang worden we aangesproken door een man in een groene overall en met een witte baard. Hij lijkt zo weggelopen uit een van de boeken van Rien Poortvliet, die naast de Verkade albums van Thijsse stonden. Op zijn pak zit een bordje ‘Beheerder’ gespeld.
‘Mag ik jullie wat moois laten zien?’, vraagt hij aan mijn dochters.
Ze kijken me vragend aan. Mijn vriendin heeft gisteren net een preek gehouden naar aanleiding van de uitzending van Peter R. de Vries over pedofiel Koos H. die voor de geheime camera uitlegt hoe hij dertig jaar geleden meisjes meelokte en vermoordde, dus mannen die dit soort vragen stellen zijn verdacht. Zeker als ze witte baarden hebben.
‘Toe maar’, zeg ik, ‘leuk.’
De man neemt ons mee naar een vijvertje waar groene en bruine kikkers zitten. Je kan het verschil niet alleen zien, maar ook horen, legt hij uit: een groene kikker kwaakt, een bruine bromt.
‘Kijk die twee’, zegt mijn dochter. Ze wijst op twee parende kikkers.
‘Prachtig he’, zegt de man, ‘echt schitterend.
Ik kijk hem vanuit mijn ooghoeken even aan.
‘Ja leuk’, zeg ik.
We zijn even stil en kijken naar de kikkers.
Dan zegt hij: ‘er zit een nijlgans in de grote vijver’.
‘Mooi’, zeg ik.
‘Helemaal niet’, zegt hij, ‘de nijlgans jaagt de ijsvogel weg.’
Hij kijkt een beetje beteuterd voor zich uit.
Dan ineens weer vrolijk: ‘Ik heb nog wat voor jullie’.
We lopen achter hem aan naar een houten huisje dat even verderop staat.
‘Normaal gesproken maak ik dit alleen open voor scholen’, zegt hij, ‘maar jullie vinden het vast leuk om het even te zien’.
Hij steekt de sleutel in het slot en doet de deur open.
Binnen hangen prikborden met foto’s en tijdschriftartikelen aan de muur; op de vloer staan een paar vitrines met opgezette vogels.
De luiken zijn dicht, de enige verlichting komt van een peertje in de punt van het dak.
Waren mijn dochters ook meegegaan, als ik er niet bij was geweest, vraag ik me af.
‘Kijk, dit is een fazant’, zegt de man die ik steeds minder leuk begin te vinden, ‘mooi he, echt prachtig. En dit is een merel en hier heb je een puttertje. Schitterend he. Kan je het zien?’
Mijn dochter knikt.
JA, knikt ze.
Maar toch pakt de groene kabouter haar op en laat haar het puttertje zien.
‘Gewoon effe leuk’, zegt hij, ‘als het niet druk is kan je wat extra’s doen.’
‘Mmmm’, zeg ik.
Als we weer buiten staan vraagt hij of hij de bijenkast nog even moet laten zien.
‘Nee, we lopen zelf wel even rond’, zeg ik.
Als we weglopen roept hij ons na: ‘Bij de vijver zitten nog mooie hagedissen’.
Ik knik en steek mijn duim op.
‘Die zijn nu aan het paren’, roept hij, ‘echt prachtig.’

4/08/2010

Amadeus

Omdat mijn dochter (tien) een werkstuk over Mozart maakt, besloot ik haar en haar tweelingzusje de film ‘Amadeus’ te laten zien. Hij is weliswaar bedoeld voor 12 jaar en ouder, maar met die leeftijdscodering is het natuurlijk hetzelfde als met snelheidscontroles: er zit altijd een meetcorrectie in. Je kan op de snelweg ook rustig 130 rijden zonder een bon te krijgen.
Het enige waar ik me zorgen over maakte was de scene waarin de man met het zwarte masker in opdracht van Salieri (of was het Salieri zelf? Dat is me nog steeds niet duidelijk) Mozart benadert om een Reqiem te schrijven.
Ik was vroeger altijd bang voor Zorro en de man van de Sandeman reclame vanwege hun zwarte masker en hun zwarte cape.
Dus bereidde ik ze erop voor, wat ik beter niet had kunnen doen omdat mijn dochters vervolgens iedere vijf minuten vroegen wanneer die enge man nou kwam.
Toen de scene uiteindelijk kwam en mijn dochters door de vingers van hun handen keken, bleek ik loos alarm te hebben geslagen. ‘Pffft, is dit nou alles?’, vroegen ze semi verveeld.
Ze genoten van de film, al vonden ze Mozart wel een raar mannetje.
‘Lachte ie echt zo raar?’, wilde mijn ene dochter weten.
‘Geen idee’, antwoordde ik, ‘het is maar een film, misschien is het verzonnen.’
‘Zagen de mensen er vroeger echt zo uit?’, vroeg mijn andere dochter.
‘Ja’, zei ik, ‘iedereen droeg toen een pruik.’
‘Waarom heeft Salieri dan nooit een pruik op?’, vroeg ze.
Het was met nog niet eerder opgevallen. Ze heeft een scherp oog, dacht ik.
Ik was vergeten hoe groot de rol van Salieri, componist en tijdgenoot van Mozart, was. Hij die als geen ander het goddelijke talent van Mozart zag, maar niet kon verkroppen dat hij door hem overschaduwd werd. Uiteindelijk besluit hij hem op alle mogelijke manieren tegen te werken.
Na Mozart’s vroege dood leeft hij nog tweeendertig jaar. Salieri ziet het als een cynische daad van God; in die jaren wordt zijn werk steeds minder en dat van Mozart steeds meer gespeeld. ‘Ik ben de kampioen van de middelmaat’, roept hij aan het eind van de film uit, ‘de beschermheilige van de middelmatigen’.
Ik keek naar mijn dochters naast me op de bank en vroeg me af of ik ze wel genoeg voorbereid op de middelmatigheid van het leven.
‘Een zeven voor aardrijkskunde is echt heel goed’, zei ik.
Mijn dochters keken me verbaasd aan.
‘Waar heb je het over?’, vroegen ze.

3/23/2010

Voorjaar

Ik schoof het raam open. Dat is makkelijker opgeschreven dan gedaan, want de contragewichten van het enorme, achttiende eeuwse raam van mijn kantoor zijn te licht waardoor ik iedere keer als ik het open wil doen eerst mijn werktafel opzij moet schuiven zodat ik er tenminste recht voor sta. Alleen dan heb ik genoeg kracht om het open te krijgen. Om mijn rug heel te houden moet ik vervolgens diep door de knieen buigen wat knap lastig is omdat de ombouw van de radiator in de weg staat. Als ik het raam eenmaal omhoog heb moet ik het met een hand vasthouden en met de andere het blok hout dat aan de zijkant ligt ertussen schuiven. Daarna kan de werktafel weer terug.
Ik snoof de voorjaarslucht op en luisterde naar de geluiden. Dat is het mooie van een geopend raam: niemand ziet je; je hebt niks met de wereld te maken en toch maak je er deel van uit. Ik hoorde scholieren praten, fietsers belden, brommertjes scheurden. Opgewektheid alom.
Na drie minuten merkte ik dat ik te optimistisch was geweest. Mijn kantoor zit aan de noordzijde van de straat zodat ik wel de zon zie op de huizen tegenover mij, maar niet de warmte voel. Op zich is dat een perfecte ligging: noorderlicht is het mooiste licht en praktisch is het ook, vooral in de zomer als het bloedheet is.
Maar je hebt minder open raam uren.
Ik deed het raam weer dicht – kwestie van het blok hout wegtrekken en zorgen dat je vingers er niet tussen zitten - en besloot even naar buiten te lopen om de eerste voorjaardag mee te maken. Die mag je niet ongemerkt voorbij laten gaan, vind ik sinds ik de veertig gepasseerd ben.
Dus deed ik mijn jas aan en liep naar buiten richting Markt. En ja hoor, iedereen zat op het terras. Met dikke jassen aan weliswaar; in het begin van het voorjaar is men nog bereid ver te gaan voor een kop koffie en een beetje zon.
Ik slenterde wat door de stad, langs Brinkman, Stempels, La Plume; ik zag twee dames van rond de zestig met hoogblond, gefohnt haar uit Rob Peetoom (“Haal het mooiste uit jezelf”) komen. Ik zag dat de man van de viskraam zijn voortent had opgerold.
Tevreden ging ik terug naar mijn kamer, maar het schrijven wilde niet lukken. Steeds had ik het gevoel dat ik iets miste, hier alleen aan mijn werktafel gezeten. Als het raam open had gekund, had ik dat gevoel vast niet gehad.
Om half vijf stapte ik op de fiets om op tijd thuis te zijn om mijn dochter naar pianoles te brengen.
‘Ze gaat zelf’, zei mijn vriendin, toen ik thuis kwam.
‘Wat?’, vroeg ik.
‘Naar pianoles.’
Ik wist dat deze dag zou komen, maar het overviel me toch.
‘Maar ze kijkt niet achterom als ze naar links moet’, zei ik.
‘Alle kinderen uit haar klas fietsen al zelf naar school’, zei mijn vriendin, ‘ze moet het toch een keer doen.’
‘Tuurlijk’, zei ik, ‘volgende week. Maar ik denk dat het beter is dat ik nog een keer meefiets. Weet ze de weg wel?’
‘Ze kan het allang’
‘Ja maar ...’
Maar mijn vriendin was niet te vermurwen en zo stond ik even later mijn dochter uit te zwaaien, haar eerste zelfstandige fietsschreden zettend op deze eerste, mooie voorjaarsdag.

3/16/2010

Versterplein 2

Op verzoek hierbij de tekst van het lied dat ik schreef voor de CD van Nationaal Monument Kamp Vught die in mei verschijnt (zie ook mijn blog van 6 januari)

Versterplein
(Nieuwe cowboys op het plein)

Je gaat terug naar het plein
Bij de school en het station
Waar je vroeger cowboy speelde
Jij altijd van de Indianen won

Het is kleiner dan je dacht
Tussen de tegels groeit gras
Je kijkt naar de wolken
Je denkt aan hoe het was

Je ziet jongens spelen
Nieuwe cowboys op het plein
Als je de tijd weglaat
Had jij het kunnen zijn


Je denkt aan het voorjaar
Schoolreis met je klas
De bus van Pelikaan
Drop en Sinas in je tas

En na een eindeloze dag
Staan de moeders op het plein
Jullie onder de banken
Hee, waar zouden ze nou zijn?

Je ziet jongens spelen
Nieuwe cowboys op het plein
Als je de tijd weglaat
Had jij het kunnen zijn


Je houdt een foto in je hand
Van de school en het station
Juni vierenveertig
Er staat een rij voor het perron

En daar een lege bus
De moeders op het plein
De kinderen met hun tas
Staan te wachten op de trein

God dat je dat nooit hebt geweten
Toen je speelde op dat plein
Als je de tijd weglaat
Had jij het kunnen zijn

3/05/2010

Crisis

De verkoopster van Vittorio Marchesi (overhemden en maatpakken) staat buiten haar winkel te roken. Het is al de derde keer deze ochtend dat ze daar staat. Ze ziet er piekfijn uit: zwarte rok, wit blousje, hakjes, haar in een staart. Ze heeft alleen niemand om indruk op te maken want er is vandaag nog geen klant naar binnen gegaan.
De crisis hijgt de winkeliers in de Zijlstraat in hun nek. Vanuit mijn kantoor kan ik het het goed volgen: bij Bandolera gaat gemiddeld een dame per uur de winkel binnen en die komt er meestal zonder tas weer uit; bij Geddes & Gillmore is de korting zo hoog dat ze de kleding bijna weggeven; Jan Valks heeft opheffingsuitverkoop en de etalage van Stefanel is leeg. Twee weken geleden kwam er een vrachtwagen voorrijden waarin alle kleding uit de zaak verdween; inmiddels hangen er grote borden ‘Te huur’ voor de ramen.
Vorige week was ik in een zaak iets verderop waar op het raam stond ‘Vandaag laatste dag open’. Alles ging met vijfenzeventig procent korting weg. Ik kwam er tegen vijven binnenlopen, zocht in de kledingrekken die kris kras door elkaar stonden en kocht er een jasje en een broek die ik achter een bloempot moest passen omdat de pashokjes al uit elkaar geschroefd tegen een muur stonden.
Al die tijd stond de verkoper te bellen. Geen wonder dat hij failliet is, dacht ik. Maar aan de andere kant kon ik me ook voorstellen dat hem de motivatie ontbrak om op zijn laatste dag klanten te helpen.
Zo te horen belde hij met zijn vriendin. Het was geen hartelijk gesprek. Ook dat nog, dacht ik: zaak failliet, vriendin weg. Ongeluk komt nooit alleen.
Toen ik bij de kassa stond hing hij eindelijk op.
‘Vijfenzeventig procent korting’, zei hij. Ik meende iets verwijtends in zijn stem te horen.
Ik betaalde, hij deed de kleren in een tas en zei: ‘Veel plezier ermee. Ruilen kan alleen met de b...’
Hij stopte middenin zijn zin.
‘... met de bon’, maakte ik zijn zin af, ‘en ruilen – ik keek op mijn horloge - binnen een uur.’
Hij lachte een beetje en ik geneerde me voor mijn misplaatste gevatheid.
Toen ik terug liep moest ik denken aan een aasgier die al aan het lichaam van een buffel pikt die nog niet dood is.

2/22/2010

Streep

Er is een mooi gedicht van Toon Tellegen. Het begint zo:

Ik trok een streep:
tot hier,
nooit ga ik verder dan tot hier.

Toen ik verderging
trok ik een nieuwe streep,
en nog een streep.

Ik moest eraan denken toen het de afgelopen weken over Afghanistan ging.
Wat me stoorde in de discussie was de stelling dat Nederland zijn geloofwaardigheid verliest als het bij zijn besluit blijft om de troepen eind van dit jaar terug te trekken.
Frankrijk en Duitsland waren indertijd falikant tegen de inval in Irak. Zijn zij daarom niet meer geloofwaardig? Is hun rol op het internationale toneel daardoor uitgespeeld?
Het omgekeerde lijkt me eerder het geval: een land dat zich zo makkelijk laat intimideren dat het zijn besluiten, die met heel veel moeite genomen zijn, terug draait hoef je niet serieus te nemen.
Af en toe moet je een streep trekken en juist niet verder gaan.
Jaren geleden schreef ik een tekst voor liedje van Xander de Buisonje. Toen ik de CD waar het liedje op stond in handen kreeg zag ik dat er in het boekje spelfouten stonden in de tekst en dat mijn naam bij de credits ontbrak. Ik belde zijn platenmaatschappij en kreeg een of andere ongeinteresseerde jurist aan de lijn die zei dat hij het jammer voor me vond maar dat hij er helaas niets aan kon doen. Ik besloot dit keer een streep te trekken en zei hem dat hij er wel degelijk wat aan kon doen, namelijk nieuwe boekjes drukken waarin de spelfouten verbeterd waren en waarin mijn naam niet ontbrak.
De man viel bijkans van zijn stoel en begon te roepen dat ik gek was en dat mijn carriere als liedjesschrijver voorbij was. De volgende dag viel de brief van mijn advocaat op zijn deurmat en omdat ik juridisch gezien gelijk had moest hij inderdaad nieuwe boekjes laten drukken.
Ik schrijf dit niet om mezelf op de borst te kloppen, maar om wat er daarna gebeurde: drie maanden later namelijk belde een producer van diezelfde platenmaatschappij op of ik wat wilde schrijven voor Ruth Jacott. En weer een paar maanden later zette Bastiaan Ragas (ook dezelfde platenmaatschappij) een liedje van mij op zijn CD.
Mensen die dreigen dat je je geloofwaardigheid verliest staan meestal heel zwak. Als je het gelijk aan je kant hebt moet je geen nieuwe strepen trekken.

2/11/2010

Koolmeesje

We zaten aan het ontbijt toen er een koolmeesje tegen het raam vloog.
We renden naar de voordeur en zagen hem liggen in het gras. Het zag er niet goed uit: hij bewoog niet en zijn nekje stond een beetje scheef.
‘Hij is dood’, zei mijn zoon.
‘Of bewusteloos’, zei mijn dochter.
‘Mogen we hem houden?’, vroeg mijn andere dochter.
‘Ah jaa’, zeiden de andere twee, ‘mogen we hem houden?’
‘Laten we eerst maar proberen hem beter te maken’, zei mijn vriendin die enige ervaring had met gewonde vogels omdat haar vader eens een kauw voor de poorten van de dood had weggesleept. Ze hadden het gewonde dier daarna zo goed verzorgd dat nog een jaar lang elke ochtend langskwam om zijn dankbaarheid te tonen. Of om het graan op te eten dat daar elke dag voor hem werd neergelegd.
‘Pak maar een doos uit de schuur’, zei ze, ‘dan stoppen we hem daarin.’
Mijn dochters renden weg, mijn vriendin pakte een handdoek en mijn zoon maakte alvast kruimels van zijn brood voor het geval het koolmeesje honger zou hebben.
Van de lethargische stemming van voor de klap was niets meer te merken.
Toen mijn dochters terug waren, deed mijn vriendin de handdoek in de doos, pakte het vogeltje op en legde het erin. Daarna nam ze het mee naar binnen en zette het op tafel.
We zaten er omheen en keken ernaar; we hadden geen honger meer.
Het beestje begon te trillen.
‘Hij heeft het koud’, zei mijn dochter.
‘Ik pak wel een dekentje’, zei de ander en weg was weer.
Het vogeltje bleef een tijdje liggen en richtte zich toen ineens op.
‘Hij leeft nog’, zei mijn zoon.
‘Mogen we hem houden?’, vroeg mijn dochter weer.
‘Als ie zelf weg kan vliegen, laten we hem gaan’, zei mijn vriendin.
‘Ik hoop maar dat hij zijn nek gebroken heeft’, zei mijn zoon.
‘Of een hersenschudding’, zei mijn dochter.
Maar daar leek het niet op, want het koolmeesje begon alweer te lopen.
‘We brengen hem naar buiten’, zei mijn vriendin.
‘Aah’, zeiden de kinderen.
Buiten gekomen pakte mijn vriendin het vogeltje op en zette het op haar schouder.
‘Dat deden we met het kauwtje ook altijd’, zei ze, ‘dan kan hij makkelijk wegvliegen.’
Maar het koolmeesje ging niet. Het bleef zitten. Een minuut, twee minuten, drie minuten.
We kregen het koud.
‘Nou, schiet op’, zei mijn vriendin. Maar het beestje dacht er niet over.
Hoe langer het duurde, hoe blijer mijn kinderen werden.
‘We maken een hele grote kooi’, zei mijn dochter.
‘Ja’, zei de andere, ‘met zo’n draaiding erin.’
‘En dan gaan we heel goed voor hem zorgen’, zei mijn zoon.
‘Net zo goed als voor de cavia’s?, vroeg ik vilein. De cavia’s worden namelijk nogal verwaarloosd; ik heb ze al meerdere keren van de hongerdood gered.
‘Nee echt’, zei mijn dochter, ‘ik beloof het. Dan gaan we elke dag het hok schoonmaken en ...’
Toen vloeg het koolmeesje weg.
Het viel even stil.
‘Jammer’, zei mijn dochter.
‘Ja’, zei mijn zoon, ‘maar misschien komt hij wel terug.’
‘Vast wel’, zei ik.

2/04/2010

IPCC

Het was mijn vaste voornemen om voorlopig niet meer over het IPCC en/of climagate te schrijven, maar de afgelopen dagen verschenen er zoveel berichten over (al dan niet opzettelijke) fouten van het IPCC in de media, dat ik het toch maar doe.
Voor de volledigheid zet ik het nog even op een rijtje:
1 Het IPCC meldt dat de gletsjers van de Himalaya in 2035 verdwenen zijn. Dat moet zijn: 2350.
2 Het IPCC schrijft dat de hoeveelheid landijs in de Himalaya af zou nemen van 500.000 km2 tot 100.000 km2. Dat is onjuist, de aangehaalde 500.000 km2 betreft het totale landijsoppervlak op aarde.
3 Bovenstaande informatie komt uit een WWF rapport en is niet wetenschappelijk.
4 Het IPCC meldt dat 55% van Nederland onder zeeniveau ligt. Dat moet zijn 26%.
5 Het aantal meetstations waarmee de temperatuur op aarde gemeten wordt daalde van zesduizend naar vijftienhonderd. De weergegevens van plattelandsgebieden, hoger gelegen plaatsen en plekken dicht bij de Noordpool worden niet langer meegeteld voor het wereldgemiddelde. Sinds 1990, toen duizenden stations niet meer werden gebruikt om gegevens over temperaturen te meten, schoot de gemiddelde temperatuur van de aarde plotseling omhoog. Metingen verricht door satellieten laten een lichte daling van de temperatuur op aarde zien in de afgelopen tien jaar.
Minister Cramer schrijft op haar weblog dat ze zich de fouten van het IPCC zeer aantrekt en dat ze ‘pissig’ is over dit slordige werk. Maar direct daarna schrijft ze dat de conclusies van het IPCC wel degelijk overeind blijven.
Die mening deel ik niet, maar ik begrijp het wel. Het kost tijd voordat je van je geloof valt. Net zoals de leden van de sekte die een aantal jaren geleden in een bungalow park op de Veluwe het eind der wereld afwachtten, ook even moeite hadden met het feit dat er gewoon een nieuwe dag aanbrak.
Hoe kan je nog langer conclusies van een onderzoeksinstituut onderschrijven als er zulke enorme fouten worden gemaakt?
Het begint allemaal steeds meer te lijken op de aanloop naar de Irak oorlog: onjuiste informatie; verzonnen wapendepots; politici die blijven beweren dat ze juist gehandeld hebben.
We zijn gewoon een klimaatoorlog ingerommeld.

1/06/2010

Versterplein

Het Versterplein in Vught is een doodgewoon plein met grijze stoeptegels, een klimrek en een rechthoekige rand van struiken en bomen die het scheiden van de straat.
Aan twee kanten staan huizen, aan de kopse kant staat mijn oude lagere school, daartegenover ligt het station.
Het was koud toen ik mijn auto parkeerde en uitstapte.
Mijn oude school zag er vervallen uit. Toen ik door de hoge ramen naar binnen keek zag ik tot mijn stomme verbazing dat er geen stoelen en tafels meer in stonden. Ik liep naar de hoofdingang en zag dat de school een verzameling ateliers geworden was.
Gelukkig zag het plein er nog precies zo uit als ik het mij herinnerde.
Ik was daar omdat Jeroen van den Eijnde, directeur van Nationaal monument kamp Vught, mij had gevraagd of ik er een lied over wilde schrijven voor een CD met bijdragen van verschillende (van origine) Brabantse zangers.
Het Versterplein is namelijk niet alleen het plein waar ik vroeger Star Trek speelde tijdens het speelkwartier, maar ook het plein van waar in juni 1944 honderden kinderen uit kamp Vught werden afgevoerd naar de vernietigingskampen.
In de archieven vond ik een foto van zo’n deportatie. Hij was genomen vanuit een dakraam van een van de omliggende huizen. Je ziet een aantal moeders en kinderen met tassen en koffers in een rij op het plein staan. Even verderop staat de bus waarmee ze uit het kamp naar het station zijn gebracht.
Een macabere foto.
Ineens realiseerde ik me dat ik maar negentien jaar na het einde van de oorlog geboren ben. Dat is eigenlijk helemaal niet lang. Ik bedoel, negentien jaar geleden woonde ik op de Overtoom in Amsterdam en zette ik met Comedytrain mijn eerste wankele schreden op het gammele podium van een of ander rokerig cafe. Ik herinner het mij als de dag van gisteren.
Ik liep naar het station en zag een vrouw op een bankje zitten. Ze stak een sigaret op en gooide het lege pakje op de grond. Ik moest er eigenlijk wat van zeggen, maar ik durfde het niet. Stom, want je moet hufterig gedrag in de kiem smoren. Anders staat ze binnen de kortste keren mensen in veewagons te duwen.
Ineens moest ik denken aan ons jaarlijkse schoolreisje, tegen het eind van het jaar. In juni? Ik zag mijzelf staan als jochie van tien: rugzakje om met een pakje Sinas, een Milkey Way, wat boterhammen. Even verderop de bus die ons naar de Efteling zou brengen en op het plein de moeders die ons uitzwaaiden.
1974, maar dertig jaar na die foto.

12/18/2009

Boos

Ik was boos op mijn zoon. Dat gebeurt wel eens vaker en – gelukkig – gaat het nooit ergens over. Dit keer was het omdat ik hem tien keer had gevraagd uit bad te komen en hij het maar niet deed. Hij was te druk met het afvuren van playmobilpoppetjes door middel van een uit een oude shampoofles afkomstige waterstraal.
Toen ik uiteindelijk SCHIET OP brulde keek hij me in opperste verbazing aan. Dat doet hij meestal als hij weet dat hij te ver is gegaan.
‘Ik wist niet dat ik eruit moest’, zei hij.
HOEZO NIET, IK HEB HET TIEN KEER GEZEGD, riep ik.
‘Ja maar ik versta je niet’, zei hij. En daarna mompelde hij: ‘Abuboja, retsi kon’ (of zoiets), om duidelijk te maken dat hij een andere taal sprak en mij dus niet kon verstaan.
Ook die truc kende ik al.
‘Geen grapjes nou’, zei ik, iets rustiger.
‘Retsi rakka poempa.’
‘Jacob, kom uit bad.’
‘...’
‘KOM NU UIT BAD’.
Toen hij nog geen aanstalten maakte om eruit te komen begon ik aan mijn riedel die hij inmiddels ook wel uit zijn hoofd zal kennen:
‘Waarom moet ik alles tien keer vragen? Je begrijpt toch wel dat ik daar boos om word. Doe nou toch eens wat ik je zeg. Dat is makkelijker voor ons allemaal.’
‘Bieba kletsi wok’, zei hij.
‘OK’, zei ik, ‘ik tel tot drie. Een, twEE, DRIE.’
Maar ook dat maakte geen indruk en dus besloot ik hem aan zijn armen uit bad te trekken. Na twee mislukte pogingen van hem om terug in bad te stappen, lukte het mij om hem af te drogen en hem zijn pyjama aan te doen.
‘En nu zelf je tanden poetsen’, zei ik in de wetenschap dat dit op dit moment van de strijd een onmogelijke missie was.
En inderdaad, hij ging demonstratief met zijn armen over elkaar op de rand van het bad zitten.
Omdat ik geen zin had in weer een scene liep ik de badkamer uit, sloeg de deur dicht, riep: ‘ZOEK HET ZELF MAAR UIT en ging beneden voor de TV zitten.
Ik had meteen spijt van mijn actie, maar vond dat ik niet meteen naar boven moest gaan omdat hij toch ook iets moest leren.
Na enige tijd hoorde ik hem boven zijn tanden poetsen en zijn bed in klimmen.
Ik liep de trap op naar zijn kamer en zag dat hij met zijn hoofd onder de dekens lag.
‘Slaap je al?’, vroeg ik.
Hij zei niets.
Ik sloeg het dekbed een stukje terug. Hij trok het meteen weer naar zich toe.
‘Sorry dat ik boos werd’, zei ik, ‘maar je moet echt beter luisteren.’
Weer zei hij niets.
Ik trok het dekbed weer weg, gaf hem een kus en zei dat ik van hem hield.
Toen ik bij zijn deur was gekomen viel mijn oog op het zwarte tafeltje. Er lag een briefje op. Daarnaast lag zijn horloge dat hij voor Sinterklaas had gekregen.
Ik pakte het briefje en las: ‘Liefe Papa, je mag mijn horloosje leenen.’
Ik liep terug naar zijn bed en aaide over zijn hoofd.
‘Wat fijn dat ik je horloge mag lenen’, zei ik.
Hij pakte mijn arm.
‘Ja’, zei hij, ‘maar je mag hem maar een dag lenen.’

11/27/2009

Klimaat demagogie

Er is beroering ontstaan over duizend emails die door hackers uit de computer van een toonaangevende Brits onderzoeksinstituut zijn gestolen. Ze geven een beeld van klimaatwetenschappers die niet welgevallige cijfers – namelijk dat de aarde helemaal niet opwarmt - uit onderzoeken proberen te houden.
Ik moet onmiddelijk toegeven dat ik er maar een paar gelezen heb, maar wat ik las zag er niet goed uit. Een van de belangrijkste citaten is dit: "The fact is that we can’t account for the lack of warming at the moment and it is a travesty that we can’t. The CERES data published in the August BAMS 09 supplement on 2008 shows there should be even more warming: but the data are surely wrong. Our observing system is inadequate."
Het zou mij overigens niet verbazen als er gemanipuleerd wordt met cijfers. Het gebeurt namelijk altijd als er grote belangen op het spel staan.
Zo hebben sigarettenfabrikanten in de jaren vijftig jarenlang geprobeerd cijfers tegen te houden die bewezen dat er verband bestond tussen roken en longkanker. En zo probeerde de olie-industrie in de jaren zeventig onderzoeken tegen te werken die aantoonden dat lood in benzine slecht is voor de gezondheid.
De belangen zijn enorm: regeringen hebben hun hele beleid afgestemd op het scenario dat de aarde opwarmt en de zeespiegel stijgt; bedrijven hebben miljarden geinvesteerd in groen ondernemen en in groene producten. De aarde moet gewoon opwarmen.
Het is jammer dat er de afgelopen jaren zo weinig aandacht geweest is voor de ‘Al Gore’ sceptici, vooral omdat zij zinnige argumenten naar voren brachten. Maar zoals zo vaak moet je mensen niet storen met feiten als ze al een mening hebben.
Hier toch nog even een paar interessante punten:
- Tachtig tot negentig procent van de CO2 uitstoot heeft een natuurlijke oorzaak. Vooral de tienduizenden kilometers lange vulkanenrij op de oceaanbodem zorgt daarvoor.
- Tienduizend jaar geleden was er een ijstijd en over tienduizend jaar is er weer een. Met andere woorden het klimaat kent cycli die verschillende oorzaken hebben. Een ervan is dat de zonnewarmte elke twintigduizend jaar sterkt varieert.
- In de drie kilometer dikke ijslaag van Antarctica kunnen geologen als het ware periodes aflezen. Het blijkt dat er al vaker periodes waren waarin de CO2 waarde veel hoger was dan nu. Alleen waren er toen nog geen mensen op aarde.
- De aarde is 4,5 miljard jaar oud. De metingen die verricht worden zijn hoogstens een paar honderd jaar oud. Het getuigt van enige hoogmoed om te veronderstellen dat wij invloed zouden kunnen uitoefenen op het klimaat.
Ik denk dat het beste wat we erover kunnen zeggen is dat we het niet weten. Of zoals de voormalig directeur van het KNMI in een interview zei: “We begrijpen nog geen 10 % van het klimaat.”
Dat neemt niet weg dat we op zoek moeten naar andere dan fossiele brandstoffen, al was het maar omdat die op raken. Maar eenzijdige berichtgeving en manipulatie hebben uiteindelijk altijd een tegenovergesteld effect; ‘Roken is dodelijk’ staat er tegenwoordig op pakjes sigaretten. En het lood is uit de benzine verdwenen.

11/26/2009

Gesprek in de biowinkel

Er kwam een vrouw de biowinkel binnen. Ze had een lange rok aan met gekleurde strepen en ze leek een beetje op Wieteke van Dort.
‘Ik zoek zongedroogde tomaten’, zei ze tegen de eigenaar, ‘maar ze moeten absoluut zonder pesticiden zijn.’
De man liep naar een schap voor in de winkel toe en pakte een potje.
‘Deze’, zei hij.
‘Is het echt zonder pesticiden?’, vroeg de vrouw.
‘Ja hoor, helemaal’, antwoordde hij.
De vrouw keek nog eens in het schap, haalde er een ander potje uit en bekeek de etiketten.
‘De bijen gaan er ook dood van’, zei ze terwijl ze zich omdraaide en het potje dat de eigenaar haar had gegeven op de toonbank zette.
‘Dat is niet helemaal zeker’, zei de man.
‘Jawel’, zei ze, ‘mijn vriendin heeft er net op de Franse radio een hele uitzending over gehoord en daar zeiden ze dat het door de pesticiden komt.’
‘Ja maar dat is toch niet helemaal zeker, hoor.’
‘Nou’, zei de vrouw, ‘er was deze week een uitzending over op de Franse radio, dus...’
‘Ja maar ik ken een imker hier in het dorp...’, zei de eigenaar.
‘Ja, die ken ik ook...’, zei de vrouw.
‘...en zijn bijen sterven ook uit, terwijl er hier in de duinen geen pesticiden worden gebruikt.’
De vrouw trok haar schouders en haar wenkbrauwen tegelijk op en zei: ‘Het was op de Franse radio, deze week nog, een hele uitzending.’
Daarna draaide ze zich weer om en keek in het schap waar de sappen stonden.
Ik legde mijn afbakbrood op de toonbank.
‘Ze weten het niet’, zei eigenaar tegen mij, ‘ze begrijpen er niks van.’
‘Misschien zijn ze suicidaal’, probeerde ik.
‘Tja’, zei de eigenaar terwijl hij zijn voorhoofd fronste, ‘ze weten het niet’.
‘Het was een grapje’, zei ik.
De vrouw zette een fles op de toonbank.
‘Zitten hier echt geen pesticiden in?’, vroeg ze.
De eigenaar hield z’n hoofd scheef en zei: ‘Dit is een biologische winkel mevrouw, er zitten nergens pesticiden in.’
‘Jawel hoor’, zei de dame, ‘ik zag daar laatst een programma over op televisie: er worden heel vaak producten als biologisch verkocht zonder dat ze het zijn.’
De man zuchtte en zei: ‘Hier niet.’
Hij pakte de fles en het potje en sloeg de bedragen aan op zijn kassa.
‘Ik zal eens navragen welke uitzending dat was’, ging de vrouw verder terwijl ze haar portemonnee pakte, ‘ze zijn er absoluut zeker van dat het door die pesticiden komt.’
Het was even stil, de vrouw betaalde en de eigenaar stopte het geld in de lade.
‘Ze weten het niet’, zei de eigenaar, ‘wisten ze het maar.’

11/16/2009

Kunstwerk

Mijn vriendin en ik hadden voor onze verjaardag geld gevraagd voor een kunstwerk en dit weekend gingen we op pad. We troffen het, want het was ‘Kunstlijn’ in Haarlem en omstreken wat inhield dat allerlei kunstenaars hun atelier openstelden voor bezoekers.
Al in het eerste atelier zagen we een schilderij dat we allebei mooi vonden. Nou, schilderij is niet helemaal het goede woord. Maar het zat in een lijst. De kunstenares had op stukken doorzichtig plastic met verschillende kleuren olieverf naakte mensen getekend en die stukken deels over elkaar gelegd en dat geheel weer op wit linnen bevestigd en in een lijst gedaan. Door de verschillende lagen ontstond er een zekere diepte die wij spannend vonden. We bekeken het werk van alle kanten, liepen er langs, gingen even weg en kwamen weer terug; we bleven het mooi vinden.
Maar we besloten het nog niet te kopen omdat je per slot van rekening nooit kon weten of we ergens anders nog iets mooiers zouden vinden.
Zo gaat het ook altijd als ik naar ‘een leuk restaurantje’ zoek. Ik neem nooit het eerste – hoe leuk het er ook uitziet; hoe goed de menukaart ook is; hoe vriendelijk de bediening; ik moet minstens drie restaurants gezien hebben voor ik zeker weet dat de eerste de beste was. Het heeft iets calvinistisch; je moet eerst moeite gedaan hebben om te mogen genieten.
Dus liepen we nog vier ateliers af en zagen o.a. een halve BH van gedroogde spaghetti met als titel ‘Breastfeelings’; een geheel rood schilderij van een man dat ‘green man’ heette; het olieschilderij ‘Duet’ waarop twee enorme borsten geschilderd waren; een bronzen vis met als titel ‘vis’ en in de lichtfabriek hing een onthoofde vogel van gips en linnen met de naam ‘Come back’. In die ruimte overheerste overigens een penetrante stank maar ik durfde er niets van te zeggen omdat ik er niet zeker van was of die lucht onderdeel was van het kunstwerk.
Hoe dan ook, het schilderij uit het eerste atelier kon de concurentie met het andere werk met gemak aan. Sterker nog, we begonnen er al over te spreken in termen van ‘ons’ schilderij en we maakten ons op de terugweg al zorgen of het in de tussentijd niet verkocht was.
Dat bleek niet het geval.
Dus besloten we het te kopen, alhoewel het iets boven het budget was.
Die avond hingen we het op boven het groene dressoir en de volgende morgen lieten we het trots aan de kinderen zien.
‘Eehh’, zei mijn dochter Laura (10) tien terwijl ze een vies gezicht trok.
‘Wat is er?’, vroeg ik.
‘Dat is toch vies’, zei ze.
‘Wat dan?’ vroeg mijn vriendin.
‘Ja, dat zie je toch wel’, viel mijn andere dochter Lena haar zusje bij.
‘Nee’, antwoordde ik verbaasd.
‘Die mensen zijn bloot’, zei ze op een toon die verried dat ze er niets van snapte dat wij dat niet zagen.
‘Ooh’, lachte ik, ‘maar het is toch mooi.’
Het viel even stil. Ze keken allebei vol afschuw naar het schilderij.
‘Is dit kunst?’, vroeg Laura.
‘Ja’, zei ik.
‘Kostte het dan geld?’, vroeg Lena.
‘Ja’, antwoordde ik.
‘Hoeveel?’ vroeg ze.
‘Zeg ik niet.’
‘Meer dan twintig euro?’
‘Ja.’
‘Meer dan vijftig euro?’, vroeg Lena.
‘Ja’, antwoordde ik.
‘Echt?’, vroeg Laura.
Het viel weer stil. Toen begonnen ze te lachen, draaiden ze zich om en liepen naar boven om het aan hun broer te vertellen.

11/07/2009

Kinderen voor kinderen

Waarom ergerden we ons nou zo aan het dertigjarig jubileum van Kinderen voor kinderen, vroeg ik me af toen ik de TV uitzette?
Mijn vriendin wist het meteen; het kwam door al die brutale kindertjes die en kunnen zingen en kunnen dansen en die heel geroutineerd de camera in kijken en die het allemaal maar durven.
Ik ergerde me vooral aan de collectieve blijdschap op de gezichten van al die VARA coryfeeen en hun (klein) kinderen die in het publiek zaten, waardoor er geen plaats meer was voor het ‘gewone’ publiek.
Ik ergerde me aan de politiek correcte teksten over onderwerpen die alleen de (volwassen) tekstschrijvers interesseren. En aan de welhaast perfecte mix van etnische achtergronden in het koor. Ik ergerde me aan de keurig ingestudeerde dansjes en aan het schijnbaar spontane feestje toen de aftiteling al liep.
Het had iets weg van een partijdag op het plein van de Hemelse Vrede: de strak geregisseerde parade; de partijbonzen op de eerste rij; de verplichte, unanieme vrolijkheid van de aanwezigen.
De omroep die zo graag te boek staat als kritisch en verschillig gaf zich bij dit jubileum over aan een devotie die je zelfs op de EO jongerendag zelden meer aantreft.
Ik denk dat ik daar zo’n last van had. Niets zo treurig als geregisseerde blijheid.
Mijn kinderen vonden het mooi. Ze willen misschien ook wel zanger worden, maar ze zijn lang niet brutaal genoeg voor Kinderen voor kinderen.
Gelukkig is er een troost: uit dertig jaar Kinderen voor kinderen is nog nooit een talent voortgekomen. Of je zou Frizzle Sizzle talentvol moeten noemen, maar dat is een definitiekwestie.
Ik begrijp wel waardoor dat komt. Autenthiek talent laat zich niet kneden. Het gaat geen oubollige liedjes zingen die geschreven zijn door oude mannen; het wil zelf schrijven. Het krijgt geen zang en dans en camera les, maar zoekt het zelf wel uit. Echt talent rommelt en valt en schaaft tot het uiteindelijk iets is. Zoals zo mooi bleek uit ‘Het uur van de wolf’ dat een uur daarna werd uitgezonden. Het ging over Roosbeef. Voor wie haar niet kent, een zangeres van twintig jaar die debuteerde met de prachtige CD: ‘Ze Willen Wel Je Hond Aaien, Maar Niet Met Je Praten’. Alleen die titel al verraadt meer echtheid en talent dan dertig jaar Kinderen voor kinderen bij elkaar.

10/30/2009

Paul Rosenmoller

Paul Rosenmoller ging in de eerste aflevering van zijn nieuwe serie ‘Paul Rosenmoller en ...’ op zoek naar de stand van zaken in voormalig Oost Duitsland. Op 9 november is het twintig jaar geleden dat de Berlijnse muur openging. Nog steeds een onvoorstelbare gebeurtenis die mij vooral leerde dat alles mogelijk is. Dat was onmogelijk lijkt kan zich zomaar realiseren: je let even niet op en alles is anders, zoals zo prachtig is verfilmd in ‘Goodbye Lenin’. Dat is eng, maar in sommige gevallen zoals in 1989, ook prachtig.
Rosenmoller vroeg zich af of de eurorie die er destijds was, vooral onder de Oost Duitse bevolking, niet in teleurstelling was omgeslagen.
Je kon het antwoord al vanaf de eerste minuut zien aankomen.
Paul behoorde namelijk in de jaren tachtig tot de linkse voorhoede die vond dat het in Oost Duitsland allemaal wel meeviel; die vond dat Honecker weliswaar een eigenaardige, maar eigenlijk best vriendelijke man was; die vond dat het communisme toch ook veel goeds bracht.
Het is in dat verband ook wel aardig om de tekst van ‘Over de muur’ van Het Klein Orkest – een hit uit de jaren tachtig - er nog eens bij te pakken. Het eerste couplet gaat over Oost Berlijn; het tweede over West Berlijn. Over beiden zingt Harrie Jekkers: ‘Er is in die tijd veel bereikt’. Eigenlijk, zegt hij, hebben ze allebei hun voor en hun nadelen.
Dat is precies de gedachte die Rosenmoller nog steeds schijnt aan te hangen: Goed, het was niet ideaal, maar het communisme bracht toch ook gelijkheid en zekerheid. En iedereen had werk.
Het feit dat hij die mening nu nog – na alles wat we inmiddels weten – durft uit te dragen is verbijsterend. Ze moet haast wel voortkomen uit onvermogen om zijn ongelijk van toen toe te geven. Anders is het domheid of een vorm van opzettelijke geschiedvervalsing.
Oost Duitsland was namelijk een hel; een model politiestaat; een land waarin niemand elkaar vertrouwde omdat de ander -zelfs je man of vrouw - voor de inlichtendienst kon werken. In de documentaire ‘De val van de muur’ van de ZDF zegt iemand: ‘De stasi is waarschijnlijk de beste binnenlandse inlichtingendienst die er ooit in de wereld bestaan heeft’. Dan weet je genoeg.
Desondanks is de hele aflevering doordrongen van nostalgie naar de DDR tijd. ‘Mensen zeggen mij dat er vroeger werk was voor iedereen’, zegt Rosenmoller bijvoorbeeld, ‘nu is er werkeloosheid.’ En: ‘Veel Oost Duitsers hebben heimwee naar die tijd’. En: ‘Oost Duitsers zeggen mij dat ze solidariteit missen’. En: ‘Mensen die ik sprak vertellen me stuk voor stuk wat ze goed vonden aan het socialistische systeem.’
Nergens in de uitzending gaat het over de drie miljoen Oost Duitsers die tussen 1949 en 1961 hun land ontvluchtten; nergens gaat het over de veertigduizend mensen die een poging deden om door het ijzeren gordijn te breken; nergens gaat het over de betonnen platen, de automatische mitrailleurs; de honden; de mijnen; de prikkeldraden; de chemische wapens die de Oost Duitsers ervan moesten weerhouden om hun land te verlaten.
Nee, Rosenmoller zegt doodleuk dat de DDR geen onrechtstaat was. Of nee, zo zegt hij het niet. Hij zegt: ‘Mensen zeggen mij dat het geen onrechtstaat was.’ Kennelijk voelt hij ook wel aan dat je zoiets eigenlijk niet kan zeggen.

10/18/2009

Het goede doel en de DSB bank

Mijn kinderen stonden vandaag voor de deur spullen te verkopen ‘voor het goede doel en de DSB bank’.
Mijn dochters gingen op hun fiets de straat rond met borden waar het op stond en mijn zoontje zat mijn zijn vriend achter een omgedraaide verhuisdoos met daarop een pen; twee briefkaarten; een armband van paperclips en een lolly. En een geldbakje.
Het was mooi, koud weer, maar ze wilden absoluut niet naar binnen. Pas na een uur wachten, toen de buurvrouw voor 20 cent de armband had gekocht, kwamen ze thuis.
Ik vroeg ze waarom ze geld inzamelden en mijn dochter vertelde dat ze het zo zielig vond voor die mensen.
Dat is waar.
Zelf vond ik Dirk Scheringa het aandoenlijkst: die grote man die stad en land afreist om zijn bank te redden. Niemand geloofde er nog in; de minister niet; zijn voormalig concurenten niet (die lachten zich een kriek toen ze hem zagen rennen); de Nederlandse pers niet, maar hij bleef ‘60% kans zien’ om zijn bedrijf te redden. Prachtig. Het laatste nieuws is dat ook Lone Star is afgehaakt, maar nu is er altijd nog ‘plan B’.
Het is een soort Houdini act, maar waarschijnlijk zijn laatste, de fatale.
Misschien dat ik hem daarom ondanks alles toch sympathiek vind. Dat hij schofterige methodes gebruikte om aan zijn geld te komen is verkeerd, maar de overgave waarmee hij voor zijn bedrijf vecht is – althans voor mijn oordeel over hem - een verzachtende omstandigheid. Daarbij, ze deden het allemaal: Aegon, Delta Loyd, Nationale Nederlanden, Fortis, Centraal Beheer, etc.
Het mocht, dus deden ze het. Het zijn net kinderen.
Sinds bij ons het jeugdjournaal wordt gekeken, sijpelt deactualiteit door de kieren van het huis naar binnen. Waar het vroeger alleen maar ging over de cavia of ‘Buurman en buurman’, gaat het nu af en toe ook over Afghanistan, de nobelprijs voor Obama of over de kredietcrisis.
En over Michael Jackson.
Sinds deze zomer hoor ik weinig anders meer dan ‘Thriller’ en ‘Off the wall’.
‘Geptediepartissomti’ zingt mijn zoon (‘If you wanne be starting somethin’) en hij doet hem na, met zijn ene hand in zijn kruis en de andere in de lucht. Hij maakt ritmische danspasjes, zet zijn ene voet voor zijn andere, draait zijn hoofd met korte knikjes van links naar rechts en eindigt steevast met armen wijd, hoofd naar achteren.
Laatst heeft hij zelfs een show gegeven in de klas.
Vorige week ging het mis, toen hij iets te fanatiek ‘de draaikolk’ op de bank deed, zijn evenwicht verloor en naar beneden stortte.
De tandarts is nu bang dat de zenuw van zijn linkervoortand is afgestorven.
Maar ja, Michael Jackson had ook geen gemakkelijk leven.

10/07/2009

Jan Valks

Vanuit mijn raam heb ik uitzicht op Tweedehands goederen en antiek zaak “Jan Valks”. Het is een slecht onderhouden, klein zaakje waar ik de eerste maand die ik hier nu zit nog nooit iemand binnen heb zien gaan.
‘Hier’ is mijn nieuwe kantoor dat zich bevindt in de Zijlstraat in Haarlem, een soort provinciale variant van de PC Hooftstraat. Je vindt er kledingzaken als Stefanel, Vittorio Marchesi, Riverwoods, Geddes & Gillmore en the Society Shop. En Jan Valks dus.
Ik wilde eigenlijk iets schrijven over de DSB bank. En over al die mannetjes die ‘legale diefstal’ plegen (zoals Ewout Irrgang van de SP terecht stelt) en over mijn eigen woekerpolis die ik zestien jaar geleden afsloot en waarvoor ik, zo bleek, nog steeds ieder jaar bijna tweeduizend euro afsluitprovisie betaal. Niet bij de DSB overigens, maar bij ASR, een verzekeringsmaatschappij die momenteel zo’n leuke reclame heeft met twee jonge meiden die met een twintig jaar oude Volkswagenbus met vakantie gaan. De slogan is: “Wij zijn benieuwd naar jou”. Dat zou ik ook zijn als ik in zestien jaar tijd al tweeendertig duizend euro aan je had verdiend voor niet meer dan het jaarlijks opsturen van een polisblad.
Maar ja, wat levert zo’n stukje, creatief gezien, op?
Jan Valks is inspirerender.
Dus ik loop naar beneden, steek de straat over en kijk in de etalage. Er liggen zilveren lepeltjes; kettingen met stenen en parels; armbanden en een paar zilveren theeserviezen. Bij de voorwerpen liggen handgeschreven kaartjes: “Nu geen 450 euro maar 375 euro”. Ik geloof niet dat het veel heeft geholpen.
Als ik de winkel wil binnengaan zie ik dat er ook een kaartje voor de deur hangt: “Tijdelijk alleen op afspraak geopend”. Aan de gele kleur van het kaartje te zien is ‘tijdelijk’ een rekkelijk begrip voor Jan.
Ik druk mijn gezicht tegen de ruit. Het is donker in de winkel. Alleen achterin de zaak schijnt wat licht door een half openstaande deur. Zou hij hier wonen?
Op de deur staat een telefoonnummer dat je kan bellen als je een afspraak wil. Even twijfel ik of ik hem zal bellen, maar ik wil hem niet teleurstellen: komt er na maanden eindelijk een klant, blijkt ie niks te kopen.
Ik draai me om en loop terug. Het is rustig in de Zijlstraat; een moeder en haar dochter staan voor een etalage en wijzen naar een jurk; twee dames met kinderwagens gaan Stefanel in; een oudere dame vraagt iets aan de verkoopster van Vittorio Marchesi.
En Jan Valks? Zou er nog iemand benieuwd zijn naar hem?

9/24/2009

God's code

Mijn zoontje (zeven) is de laatste tijd nogal bezig met God.
Gisteren ging hij voor het slapen gaan op zijn bed in de Lotushouding zitten (geen idee van wie hij dat heeft), deed zijn ogen dicht en verzon een verhaaltje ‘speciaal voor God’.
En voor mij, want ik zat nou eenmaal ook in de kamer.
‘Dolfje Weerwolfje en Nora liepen in het bos’ begon hij, ‘en ze hoorden een raar geluid.’ Ik ben de plot vergeten -hij was het spoor binnen een paar minuten zelf trouwens ook bijster- maar ik weet wel dat het een spannend verhaal was waarin veel bliksem, geritsel in het donker en geschiet met pistolen in voor kwam. Enig religieus element ontbrak.
Toen hij klaar was zei hij: ‘Zo, nou ga ik nog even bellen.’
Hij belt elke avond met God.
‘Wat bespreek je dan met hem?’ vroeg ik.
‘Oh, even hoe het gaat enzo’ antwoordde hij en hij toetste de geheime code op de houten rand van zijn bed, hield zijn vuist naast zijn oor en zei:
‘Hallo God, met Jacob.....ja....ja...goed...dan moet je een kopje thee maken...ja...OK, tot morgen.’
Toen hing hij op.
‘Thee?’ vroeg ik.
‘Ja’, antwoordde hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was, ‘hij was verkouden.’
Ik weet niet van wie hij het heeft; niet van mij in ieder geval. En ook niet van mijn dochters. Misschien van mijn vriendin, want die wil nog wel eens beweren dat de aarde door God geschapen is, vooral als ze vindt dat ik iets te stellig beweer dat de aarde vierenhalf miljard jaar geleden door een geweldige implosie is ontstaan.
Dit weekend vertelde Jacob ook dat hij voor zijn geboorte al bij God was.
‘Ik zat naast hem’, vertelde hij.
‘Wat deed je dan de hele dag?’ vroeg ik.
‘Oh, potje schaken.’
Zijn god is in ieder geval heel aards.
‘En toen’ vervolgde hij, ‘werd ik ineens naar beneden geschoten in het hoofd van mamma.’
‘Oh?’ zei mijn vriendin.
‘Ja’, zei hij, ‘door een heel klein gaatje waar ik precies doorheen paste. Want er zitten namelijk nog meer kinderen boven, wel honderd, en die passen allemaal precies door een gaatje. Daarom weten ze waar ze naartoe moeten.’
‘Dus elk kind past maar door een gaatje?’ vroeg ik.
Hij knikte bevestigend.
Vanavond riep hij me. Hij stond in pyjama voor het raam en wees naar een prachtige wolk die beschenen werd door de avondzon.
‘Daar woont hij’ zei hij.
‘Ik zie hem niet’, zei ik.
‘Dat klopt’, antwoordde hij, ‘jij kent de code niet.’

5/20/2009

Caravelle

Het begint weer te kriebelen: de ‘nieuwe’ T5 komt eraan. Dat wil zeggen de gefacelifte versie van het huidige model, met een nieuw front en met nieuwe zuinige en stille motoren.
T5 is de officiele naam voor een Volkswagenbusje. De T staat voor ‘Transporter’, de 5 geeft aan dat het gaat om de vijfde generatie van het beroemde, door Ben Pon op een bierviltje getekende, hippiebusje. Ik kocht er vijf jaar geleden een en ik zou niet meer in een ‘gewone’ auto willen rijden.
De hoge zit, het stoere uiterlijk, de enorme binnenruimte plus het idee dat je er, als het nodig is in zou kunnen slapen (ik heb altijd een deken achterin liggen) maken het rijden in een T5 tot iets bijzonders. Het is iedere keer alsof je met vakantie gaat. Of in ieder geval, je hebt het gevoel dat je zo zou kunnen doorrijden naar Zuid Frankrijk. Niet dat we dat ooit gedaan hebben, maar het is prettig dat het kan.
Mijn bus is overigens geen gewone Transporter maar de overtreffende trap daarvan: een Caravelle. Prachtige naam.
Het is bij mijn weten de enige Duitse auto die een Franse naam heeft. Ik heb geen idee waarom, maar wat doet het ertoe: het klinkt als een klok. Heel wat anders dan een Ford Transit of een Mercedes Vito of een Nissan Primastar. Het heeft iets elegants; iets Parijs’. Een Caravelle hoort thuis op de Champs Elysee; het hoort bij een rode loper voor de premiere van een Franse film; het hoort bij avondjurken en glimmende neuzen van schoenen.
Maar het blijft natuurlijk een bus met de bijbehorende minder subtiele rijeigenschappen. Zo is de vering niet zo heel soepel en hoor je de motor nogal, vooral bij hoge toerentallen. Als ik over een gat in de weg rijdt lijkt het alsof de achteras afbreekt en overigens is mijn bus ook niet vrij van kraakjes.
In het begin ergerde ik me daar nogal aan en probeerde ik obsessief uit te zoeken waar het geluid vandaan kwam. ‘Wat doe je nou?’, vroeg mijn vriendin als zij achter het stuur zat en ik met mijn hoofd onder het dashboard hing. ‘Kraakje’, zei ik.
Maar kraakjes zijn lastig: net als je denkt te weten waar het zit, lijkt het geluid ergens anders vandaan te komen.
Het gekke is dat ik er na vier jaar ineens geen last meer van had. Alsof een auto van die leeftijd kraakjes mag hebben.
Lang geleden had ik een tweedehands T4. Slechte koop. Hij was van een bouwbedrijf geweest en er stond 170.000 kilometer op de teller. ‘Hij heeft wat kilometerervaring’, zei de handelaar. Ik had toen al nattigheid moeten voelen. Op zich hoeft een hoge kilometstand trouwens niet uit te maken, maar dit exemplaar was van een bouwbedrijf geweest dat er met volle belading (er zat ook nog een enorm imperiaal op het dak) kennelijk op volle snelheid honderdzeventigduizend kilometers mee gereden had. Alles ging in het eerste half jaar stuk: de cilinderkop; de voorgloeiers; de waterpomp. De bijrijdersstoel kon na enige tijd niet meer voor of achteruit. De handelaar verleende geen garantie, behalve dat hij een loshangende afwerkingsstrip in het plafond vastschroefde. Pas een week later zag ik dat hij een te grote schroef had gebruikt waarvan de punt door het dak naar buiten stak.
Ik verkocht de auto na drie jaar voor een schijntje, maar liefde maakt blind en zeven jaar en twee ‘gewone’ auto’s later kocht ik dus een Caravelle.
Het is geen verstandige keuze: een Renault Espace is bijna even groot, rijdt beter en kost een stuk minder. Maar ja, het busgevoel is onbetaalbaar.
Vanaf september staat de nieuwe versie in de showroom. Ik vrees dat ik iets doms ga doen.

5/11/2009

Pers

De journalist van de regionale krant begon het interview zo:
‘Jij komt uit een kakmilieu, he?’
Enigszins overrompeld mompelde ik: ‘Nou ja, ehm’.
‘Jawel’, ging hij door, ‘jij was echt zo’n kakker uit Vught. Hoe heette die buurt waar jij woonde ook al weer?’
‘Wat bedoel je?’ probeerde ik.
‘Die buurt waar jij woonde, hoe heette die?’
Ik wist het wel, maar zei het niet.
‘Wat was het nou ook al weer?’ bleef hij aanhouden.
‘Het villapark’, zei ik uiteindelijk maar om er vanaf te zijn.
‘Ja, haha’ lachte hij, ‘het villapark. Die naam alleen al. Tsjonge.’
De afgelopen week had ik een heel aantal interviews vanwege de release van onze vijfde CD ‘Stilte Opname’. Ik doe graag interviews al lijkt een interview soms meer op een invuloefening van de journalist.
Het begon vorig weekend bij ‘Radio Noord Holland’ en ‘Spijkers met koppen’. Fijne programma’s waar zinnige vragen worden gesteld door interviewers die de CD ook daadwerkelijk beluisterd hadden.
Afgelopen woensdag volgde de officiele presentatie, waarbij nogal wat pers aanwezig was. Alberto, Birgit, de band en ik, deden een mini concert in de centrale hal van het AMC waar op de achtste verdieping het Emma kinderziekenhuis gevestigd is. Peter Faber bood het eerste exemplaar aan en de directeur hield een praatje.
Ik moet zeggen dat ik nogal verbaasd was toen ik hoorde dat er uberhaupt pers zou komen – ik had nog nooit een journalist bij een CD of boekpresentatie langs gehad -, maar toen we het podium betraden zag ik dat er inderdaad een hele batterij fotografen en een paar televisiecamera’s stonden. Ze waren onder andere van de ‘Weekend’, de ‘Story’, ‘SBS shownieuws’ en ‘AT 5’ en ze waren – zo bleek al snel - voor Birgit gekomen. Dat maakte ik althans op uit het feit dat er voortdurend foto’s van haar gemaakt werden, ook als ze helemaal niet zong en op de rand van het podium naar mij zat te luisteren. Ik vond dat overigens geen probleem, want elke aandacht voor dit project -waarvan de opbrengst naar het Emma kinderziekenhuis gaat- is goed.
Na afloop werden we geinterviewd door SBS shownieuws.
‘Waarom heb je voor Birgit gekozen?’, vroeg de verslaggeefster aan mij. Ik legde uit dat ik haar had gezien in een musical en erg onder de indruk van haar zangkwaliteiten was. Ik wilde net vertellen dat ik zo prettig met haar had samengwerkt toen de verslaggeefster zich om draaide en aan Birgit vroeg: ‘Was het voor jou niet zwaar om die liedjes te zingen nu je zelf zwanger bent?’
Goeie vraag, vond ik, maar het bleek alleen maar een bruggetje te zijn naar het onderwerp waarvoor ze eigenlijk gekomen was: de zwangerschap van Birgit. ‘Is de babykamer al ingericht’, wilde ze weten en ‘kan je nog lopen op die hakken?’ en:‘Ben je veel misselijk?’ en ‘Weet je al of het jongetje of een meisje wordt?’
Zo ging het vijf minuten door waarna ze ons hartelijk dankte voor het interview. Die avond zag ik dat de showflits als titel had: ‘Birgit Schuurman presenteert haar nieuwe CD’.
AT 5 deed het beter, behalve dat Frank Awick mijn naam uitsprak als ‘Umbgroeff’, maar hij is de enige niet.
Donderdag had ik een leuk interview met het Parool en twee radio-interviews, waarbij een journalist mij ’s avonds laat thuis bezocht en het steeds had over mijn CD met kinderliedjes. ‘Maar het zijn helemaal geen kinderliedjes’, zei ik tussen twee blokken interview door als er een nummer werd gedraaid. ‘Oh’, zei hij, ‘geeft niet’, om het nummer vervolgens af te kondigen met: ‘Van de CD met kinderliedjes van Arthur Umbgrove’.
Ben benieuwd wat er deze week in de Weekend staat.