3/13/2013

Nauwgezet en wanhopig


Ik bestelde de DVD ‘Nauwgezet en wanhopig’.  Voor de jongere lezers: N&W is een achtuur durend televisieprogramma uit 1989 waarin vier schrijvers worden geïnterviewd: Marquez, Semprun, Steiner en Konrad.
Wat je noemt: slow television. Naast wat sfeerbeelden van Budapest, Madrid, Cambridge en Aracataca; de plaatsen waar ze opgroeiden; krijg je alleen de schrijvers te zien, zittend in hun stoel, vertellend over hun jeugd, de oorlog en de tijd erna. Het gaat over grote thema’s: geloof, hoop, liefde, dood. Het gaat over het falen van de grote systemen: de kerk, het communisme. Interessant is ook het jaar waarin het is opgenomen: het jaar waarin de muur valt. De hongaar Konrad, die vrijwel alleen maar dictaturen heeft meegemaakt (eerst de nazi’s, daarna de communisten) gelooft duidelijk nog niet dat de wereld echt aan het veranderen is.
Ik had het programma indertijd ademloos gekeken en was benieuwd of ik het nu ook nog vol zou houden; verpest als ik ben door de snelheid van alles.
Het ging gelukkig moeiteloos.
Naast al het interessants dat de schrijvers zeggen, viel me nog iets op; ik voelde het meeste sympathie voor de Spaanse schrijver Semprun. Terwijl hij vroeger overtuigd Stalinist was en bij diens dood zelfs een lofgedicht maakte. Overigens keerde hij later op die dwaling terug, maar toch. Ik vind mensen die pro Stalin of pro Mao waren doorgaans naief of dom of gewoon slecht.
Het zou logischer zijn geweest als ik me vereenzelvigd had met Konrad, de sympathieke Joodse Hongaar die aan het eind van de oorlog hele dagen uit het raam kijkt in de hoop dat zijn ouders om de hoek van de straat komen. Of met Marquez.
Waarom dan toch Semprun?
Door onbelangrijke dingen, vrees ik. Door het feit dat hij uit een welgestelde familie komt. Door zijn charmante manier van praten. Door zijn relativeringen. Door het overhemd dat hij draagt; door de manier waarop hij een glas vastpakt. Door zijn knappe gezicht.
Oftewel: om redenen die er niet toe doen, maar die alles bepalen.
Zo werkt het vrees ik met alles: je kiest niet op inhoud, je kiest voor degene op wie je (denkt dat je) meeste lijkt.

2/25/2013

1998



Ik bind me liever niet
Denk ik, terwijl ik je aankijk
Ik wil je niet kwetsen
Zeg ik als ik je zoen
Ik blijf liever alleen
Fluister ik als we elkaar bijna fijndrukken

Je kan nooit iemand bezitten
Je moet altijd onafhankelijk blijven
Je moet je nooit vastleggen

Ja, glimlach je als we bijna
van het bed vallen, natuurlijk

2/14/2013

Restjes oorlog



Ze was zo bang om geluid te maken
Dat ze het grind weghaalde om het huis
Zodat je niet meer hoorde als ze liep

Ze dacht dat iedereen last van haar had
De buren, de mensen aan de andere tafel
het winkelend publiek

We zeiden dat het onzin was
We begonnen te schreeuwen en te stampen
We maakten zoveel geluid als we konden

Maar het hielp niet
Ze dacht dat ze haar overal konden horen

2/04/2013

Bankenadel



Het gedrag van bestuurders van (systeem)banken en verzekeraars doet me denken aan dat van de Duitse adel ten tijde van het keizerrijk. Ook zij leefden in hun eigen sprookjeswereld. Er werd getrouwd met gelijken; baantjes werden onderling verdeeld; men leefde in grote weelde en voelde zich ver verheven boven het gewone volk.
Dat ze weinig realisteitszin hadden bleek bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog; de Duitse adel was zeer optimistisch over de kracht van hun met veren getooide legertjes.  
Zelfs toen de oorlog vuiler en hardnekkiger bleek, gaf de adel weinig blijk van realiteitszin. Zoals Annejet van der Zijl beschrijft in haar boek over Prins Bernhard reisde de adel af en toe een paar dagen naar het front, om de jongens die daar met tienduizenden tegelijk in de loopgraven stierven, een hart onder de riem te steken.
Dat ze door de legerofficieren als ‘Schlachtenbummler und Kriegstouristen’ gezien werden, hadden ze niet helemaal door.
Pas toen Duitsland verslagen was openbaarde zich een nieuwe wereld: het volk greep de macht; het communisme en fascisme waren geboren; landgoederen werden afgepakt; de adel raakte alles kwijt.
Als ik lees dat de nieuwe CEO van SNS ruim een half miljoen euro per jaar gaat verdienen en dat dat een miljoen minder is dan wat hij bij Achmea kreeg, dan kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat er weinig realiteitszin is bij bestuurders. Let wel, het gaat hier om bedrijven die door ‘het volk’ gered moeten worden als het mis gaat.
Het argument voor dit soort hoge beloningen is altijd dat je topmensen nodig hebt en dat die nou eenmaal zoveel verdienen.
Dat is precies hetzelfde soort oogkleppen-denken als dat van de Duitse adel ten tijde van het keizerrijk.
Op deze manier is het wachten op een nieuw volksopstand. 

2/01/2013

Aanrommelen


Als eerstejaars van het studentencorps keek ik huizenhoog op tegen leden van de Senaat.
Het corps is een redelijk hïerarchisch instituut; er zijn tientallen commissies, met wisselend aanzien; de Senaat is het hoogst haalbare.
In Groningen waar ik lid was, vergadert de Senaat in een prachtige kamer op de bovenste verdieping van de socïeteit. Een gewoon lid komt er maar een keer in zijn leven; tijdens de jaarclubinauguratie. Voor de rest is het verboden terrein.
Het helpt mee aan de mystificatie van de Senatoren: ze beslissen over hele gewichtige zaken en ze doen dat op een ondoorgrondelijke manier. Als gewoon lid dicht je de Senaat een grote wijsheid toe.
Toen ik in mijn vierde jaar zelf in de Senaat zat, zag ik dat de werkelijkheid niet geheel overeenkwam met de mythe. Gedragen door aanzien en populariteit leek het op afstand heel wat , maar in feite rommelden we maar wat aan. We namen beslissingen waarvan we de konsekwenties totaal niet konden overzien. We hadden geen idee. Terwijl we toch een grote verantwoordelijkheid hadden: de omzet van het corps was in die tijd 1 miljoen gulden per jaar. Een flink bedrag voor zeven, onervaren, teveel drinkende jongens en meisjes van eenentwintig.
Ik moest hieraan denken tijdens de persconferentie van minister Dijsselbloem over de redding van SNS.
Zo werkt het in het bedrijfsleven ook: gedragen door het aanzien en de beloning lijkt het heel wat, maar in feite rommelt een raad van bestuur maar wat aan. Een goede bestuurder realiseert zich dat; een slechte bestuurder neemt zichzelf serieus. 

1/11/2013

Gedicht




We zochten haar overal
Onder bij het strand
In de schuur
Naast het hok

Alles was op slag vergeten
De ruzies, het geschreeuw
Het eeuwige verwijt
Het harde praten
Het was weg, alsof het nooit bestaan had

We zochten haar
In het huis
In de bijkeuken
In de kelder
Op zolder
Maar we vonden haar niet

11/27/2012

De overname van Griekenland


Driekwart van de fusies en overnames in het bedrijfsleven mislukt. Waarom? Omdat het ontzettend lastig is om twee culturen samen te laten gaan. In ‘De prooi’ beschrijft Jeroen Smit mooi de richtingenstrijd  tussen ABN-ers en AMRO-ers  die twintig jaar na de fusie nog steeds in alle hevigheid woedt.
Overnames van landen mislukken over het algemeen ook. De Amerikanen dachten democratie in Irak te kunnen brengen; Nederland dacht tot halverwege de vorige eeuw dat ze Indîe kon inlijven.
Het is naïef om te denken dat de Grieken onder invloed van boetes en hoge rentes zullen veranderen. Generaliserend gezegd hechten Grieken minder aan hard werken dan Nederlanders. Ik heb daar geen moreel oordeel over; misschien is er juist veel voor te zeggen om het rustiger aan te doen, maar dat die twee culturen niet goed samen gaan, is duidelijk.
Er leeft in Griekenland, maar ook in een land als Italïe, een diep wantrouwen tegen de overheid. Een half jaar geleden belde ik met een vriend die al vijftien jaar in Rome samenwoont met een Italiaan. Het ging financiëel niet zo goed. Waarom? Omdat hij onder premier Monti voor het eerst in zijn leven belasting moest betalen.
Je kan zeggen: dat is hoopvol. Ik vrees echter dat Monti het niet zo heel lang uithoudt en dat zijn aanpak slechts een druppel op een gloeiende plaat zal blijken.
Cultuur zit nou eenmaal in de porieën van een samenleving.
De halsstarrige pogingen van de Noord Europese regeringsleiders om Zuid Europa in de pas te laten lopen doet denken aan het misplaatste ‘idealisme’ van Bush ten tijde van de inval in Irak.
Een fusie of een overname is alleen succesvol als het tussen gelijkgestemden plaatsvindt. 

11/09/2012

Overgave en relativering


Er zijn mensen die ik niet persoonlijk gekend heb maar die ik desondanks op bepaalde momenten mis. Zoals John Lennon.
Wat had ik hem graag in een talkshow commentaar zien leveren op de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Wat had ik hem graag gehoord over de ophef in het Midden Oosten naar aanleiding van de Deense Mohammed cartoons. Wat was ik benieuwd geweest naar zijn reactie op de aanslagen in New York.
Als je interviews met the Beatles terugkijkt zie je dat hij de enige was die echt wat te vertellen had. Hij had goeie oneliners, een scherpe blik, hij had humor en hij kon goed relativeren. Ik vond zijn cynisme iets geruststellends hebben.
Wie ik ook wel eens mis is Ronald Reagan. Ik vond het wel moedig; dat onophoudelijke gebeuk tegen het communisme. Onverschrokken, overtuigd van zijn gelijk, maar ook hier weer met een enorme dosis relativering. Uit één van zijn laatste speeches als president: ‘As soon as I get home to California I plan to lean back and take a long nap. Now I come to think of it: things won’t be all that different after all.’
Dichter bij huis mis ik Van Kooten en de Bie sinds ze niet meer op TV zijn. Ik had de Bie zich graag zien opwinden over het gedoe rondom de inkomensafhankelijke zorgpremie. De documentaire van Coen Verbraak gaf een mooi inzicht in hun samenwerking: er werd ruim vijfendertig jaar keihard gewerkt, maar ze waren de eerste om hun rol te relativeren.
Dat kan duiden op valse bescheidenheid, of op een gespleten persoonlijkheid.
Hoe dan ook; het is juist die combinatie van overgave en relativering, die me zo aanspreekt. De rare paradox: je moet wat je doet bloedserieus nemen; tegelijkertijd moet je jezelf tot op het bot kunnen relativeren. 

10/11/2012

Les Intolerables


Gisteren zag ik voor de tweede keer de film ‘Les intouchables’. De eerste keer had ik er enorm van genoten, maar ik las de afgelopen tijd in verschillende kranten dat de film rascistisch zou zijn. Dat was me niet opgevallen, maar zoals wel vaker moet je een film nog een keer zien om de diepere lagen te ontdekken.
En inderdaad: het is schandalig.
Een paar voorbeelden:
De gehandicapte, blanke hoofdrolspeler huurt een donkere meneer in om hem te verzorgen. Dat is natuurlijk wel erg stereotype: alsof alle blanke, rijke mannen van middelbare leeftijd nog steeds een soort slavendrijvers in maatpak zijn.
Het verschil tussen de twee is ook enorm: de donkere man woont in een achterbuurt; de blanke in een schitterend paleisje middenin Parijs. Hij heeft personeel in overvloed; huurt een vliegtuig als hij dat wil; rijdt een Maserati. Voorspelbaar. Ik ken meerdere blanken (toegegeven, niet veel) die geen miljonair zijn.
En dan dit: de man schrijft hoogdravende brieven aan een vrouw die hij enkel van het schrijven kent. Ondanks dat hij naar haar hunkert, durft hij geen afspraakje met haar te maken. Weer dat beeld van de introverte, blanke intellectueel die emotioneel op slot zit.
Hij heeft ook regelmatig last van hyperventilatie. Subtekst: blanke mannen zijn het contact met hun oorsprong kwijt.
Vervolgens geeft hij veertigduizend euro uit aan een schilderij dat bestaat uit een paar klodders verf; weer het beeld van een hoogdravende, blanke kunstkenner. Als dan ook nog blijkt dat hij alleen maar van klassieke muziek houdt is het vooroordeel compleet: een blanke man kan niet dansen.
Nou is dat in zijn situatie sowieso lastig omdat hij in een rolstoel zit.
Dat vond ik eerlijk gezegd ook nogal denigrerend: die link tussen zijn handicap en het feit dat hij sympathiek was. Het leek er op dat de regisseur wilde zeggen: hij is sympathiek OMDAT hij in een rolstoel zat. Alsof een blanke, rijke man zonder handicap niet sympathiek zou kunnen zijn.
Sommige mensen ontlenen hun identiteit aan het signaleren van racisme.

9/24/2012

Reünie


Het gebouw was nieuw, maar de weg er naartoe was hetzelfde gebleven: het kruispunt met de N 65, het fietspad langs Regina Coeli; de parkeerplaats.
Ik vroeg me af hoe vaak ik die weg gefietst had; naar en van school. Ik kwam op anderhalf duizend keer, maar rekenen is nooit mijn sterkste vak geweest.
Ik vroeg me ook af wat ik allemaal dacht onderweg en realiseerde me weer eens dat alles wat je niet vastlegt gewoon verdwijnt. Misschien is dat wel de essentie van een reünie: dat je samen probeert vast te houden wat aan het wegglijden is.
De mensen die ik sprak waren gaan doen wat in de lijn van mijn verwachting lag: het knapste meisje van de klas was met een expat getrouwd; de jongen die vroeger altijd de sterkste wou zijn zat nu in het vastgoed; het dromerige meisje deed iets met concepten.
Ik realiseerde me hoezeer je op de middelbare school al samenvalt met wie je later bent.  Alsof je in de jaren daarna alleen maar  ‘aangescherpt’ wordt. Het voelde vertrouwd, alsof we doorgingen waar we dertig jaar geleden waren opgehouden.
Er werden foto’s gemaakt, nummers uitgewisseld, er werd gepraat over mensen die er niet waren. Omdat ze niet konden, of omdat ze onvindbaar waren of dood (omgekeerd zag ik iemand lopen van wie ik zeker wist dat ze allang overleden was).
Nostalgie is er alleen voor mensen die het zich kunnen permitteren.
Later op de middag was er in het muzieklokaal een aparte bijeenkomst van het voormalige popkoor. Toen we, for the sake of all time, schoorvoetend probeerden ‘When I’m sixty four’ te zingen, bleek  iedereen, binnen een paar maten, zijn partij nog uit het hoofd te kennen. Is het geheugen willekeurig of onthou je juist wat je belangrijk vindt?
Toen ik naar huis ging was het al donker. Ik liep langs het veldje waar vroeger de noodlokalen van gang acht stonden, langs de snackbar die vroeger Tien Plus heette naar mijn auto. Iets verderop stonden een jongen en een meisje te zoenen. Het was alsof het erbij hoorde.

9/13/2012

Democratie


De neergang van Wilders is volgens velen zijn eigen schuld: hij had niet moeten breken; hij had zijn campagne niet moeten terugbrengen tot één item; hij had zijn partij beter in de hand moeten houden.
Ik denk dat het verlies van Wilders  vooral een overwinning is van zijn collega politici. Niet omdat ze inhoudelijk sterker waren; niet omdat ze betere debaters waren, maar wel omdat ze hebben besloten geen cordon sanitair te vormen.
Daarom is het ook een overwinning van de journalistiek.
Overal, in de tweede kamer, op radio en TV, mocht Wilders mensen beledigen en groepen in de samenleving wegzetten. Nooit kon hij zich succesvol beroepen op het feit dat hij niet mocht zeggen wat hij dacht. Ja, toen er een rechtzaak tegen hem werd aangespannen. Maar die won hij.
Ook het feit dat hij als gedoger mee mocht regeren is een overwinning, vooral van Rutte. Goed, het betekende twee jaar stilstand, maar het voorkwam erger. Democratie is nou eenmaal langzaam.
Wilders is terug in zijn hok. Ik vind de PVV een belangrijke partij, net zoals ik de Partij voor de Dieren belangrijk vind of de SP. Maar ze moeten niet te groot worden. Ze moeten de luizen in de pels blijven die een scherp oog hebben voor misstanden en niet ophouden daar lastige vragen over te stellen.
Het verlies van Wilders toont aan de je de kiezer kan vertrouwen. Democratie heeft, mits je de vrijheid van het woord koestert, een zelfreinigende werking. 
Ik denk dat Nederlandse politici en journalisten het handboek voor moeilijk opvoedbare kinderen goed gelezen hebben. 

9/10/2012

Overheid


Afgelopen zaterdag zei Theo Maassen in Pauw en Witteman dat uit onderzoek blijkt dat de gelukkigste mensen in landen met een grote, sterke overheid wonen. Hij noemde Zweden als voorbeeld.
Hij had ook Noord Korea kunnen noemen; daar is  volgens een peiling 99,9 procent van de bevolking heel erg gelukkig.
Hoe ver de macht van de overheid moet gaan is een vraag die ik zelf maar niet beantwoord krijg.
Aan de ene kant vind ik het schandalig dat beroepen die er echt toe doen -verpleegkundigen, onderwijzers, politie - zo slecht betaald worden. Aan de andere kant geloof ik in een vrije markt die zichzelf reguleert.
Aan de ene kant verafschuw ik de beloningen en de bonuscultuur in bijvoorbeeld het bankwezen of de voetballerij. Aan de andere kant vind ik het geen enkel punt dat iemand die in een garage computers in elkaar schroeft  daar uiteindelijk miljardair mee wordt.
Het is een geruststellende gedachte dat mijn stem van geen enkel belang is. De enige overheid die er voor Nederland toe doet is de Duitse. En op één of andere manier heb ik een enorm vertrouwen in Angela Merkel. Waarschijnlijk omdat ze zo saai is.

9/04/2012

Peilingen


Of we straks een centrum links of centrum rechts kabinet krijgen wordt in hoge mate bepaald door Maurice de Hond en consorten. Of liever gezegd, door de media die de peilingen (verkeerd) duiden.
Dat staat te lezen in een interessant artikel van Tom van der Meer en Armen Hakhverdian op de site van de Universtiteit van Amsterdam.
Zij stellen dat de droge uitkomst van opiniepeilingen de kiezer niet beïnvloedt, maar de positieve of negatieve duiding ervan wel. En daar gaat het fout: want de wekelijkse verschuivingen in zetelaantallen zijn het gevolg van meetonzuiverheid. Met ander woorden: één of twee zetels erbij of eraf betekent helemaal niets.
Toch worden dit soort verschillen breed uitgemeten in de pers en geduid als een trend. Omdat kiezers graag bij de winnaar horen ontstaat er een effect dat zichzelf versterkt: de winst van de virtuele winnaar van twee zetels wordt groter, het verlies aan de andere kant ook.
In één van mijn favoriete James Bond films, Tomorrow never dies, probeert een megalomane mediamagnaat een oorlog tussen Engeland en China te ontketenen om er vervolgens over te kunnen berichten. Hij creëert het onderwerp om meer lezers en kijkers te krijgen. Dat is in grote lijnen wat opiniepijlers en journalisten in Nederland ook doen.

7/19/2012

Kopland

Schrijven is uitvinden wat er in je leeft, schrijft Rutger Kopland in het gedicht Zijn brieven.
Dat is waar.
Maar niet alleen schrijvers proberen dat. Ook componisten. Je zou kunnen zeggen dat wiskundigen en natuurkundigen dat, op een iets ander niveau ook proberen te doen; door patronen te zoeken in de schijnbare chaos. Al moet je bij hun misschien eerder spreken van ontdekken. Ook historici doen een poging; door de geschiedenis te bestuderen proberen ze iets van het heden te begrijpen.
Misschien kan je zeggen dat iedereen die zich de vraag stelt: waarom, in feite probeert uit te vinden wat er in hem leeft. Het antwoord wordt gezocht in taal, in noten of in cijfers.
In het gedicht Tijd schrijft Kopland: zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt/naar iets in zichzelf, iets ziet daar/wat het meekreeg.
Dat suggereert dat een baby iets weet dat het later kwijt raakt.
Iets verderop staat: zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten/van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat/
een verte voorbij onze ogen. Dus ook de oude man weet iets wat wij niet weten.
Het lijkt erop dat Kopland bedoelt dat wij in het begin en aan het einde van ons leven een inzicht hebben, maar dat inzicht de rest van ons leven kwijt zijn. Misschien is het wel een vooropgezet plan: door dat gemis wordt er prachtige muziek gemaakt, worden er dingen ontdekt en worden er schitterende gedichten geschreven.
Zo mooi dat ik er één maar helemaal overneem:


Vertrek van dochters 


Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien 

aan hun gezichten die langzaam veranderden

van die van kinderen in die van vrienden,

van die van vroeger in die van nu. 


En gevoeld en geroken als ze me kusten,

een huid en een haar die niet meer voor mij
 
waren bedoeld, niet zoals vroeger,

toen we de tijd nog hadden. 


Er was in ons huis een wereld van verlangen,

geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun

kamers waarin ze verzamelden wat ze mee
 
zouden nemen, hun herinneringen. 


Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie 

precies datzelfde uitzicht, precies die

zelfde wereld van twintig jaar her,

toen ik hier kwam wonen.

7/11/2012

Komrij

Terwijl mijn dochter in de keuken zat te computeren, keek ik naar een herhaling van de prachtige documentaire De gelukkige schizo uit 2005 over Gerrit Komrij.
Het mooie van overlijden is dat het je op iemands leven wijst.
De makers volgden Komrij in zijn prachtige, witte villa in Vila Pouca da Beira, tijdens het schrijven van een dichtbundel en gingen met hem terug naar het noorden van Portugal waar hij, samen met zijn vriend, twintig jaar geleden vertrok na een conflict met de plaatselijke bevolking. Ik kon het me helemaal voorstellen: die hooggeletterde, decadente man met zijn vriend tussen de merendeels analfabete, rurale bevolking voor wie het leven vooral hard en zwaar is.
Jammer voor de makers van het programma ‘Ik vertrek’ dat het te lang geleden is, want het had vast prachtige televisie opgeleverd: het conflict resulteerde namelijk in bizarre toestanden: ‘Op het laatst', aldus Komrij, 'was het een zaak van met geweren rondlopen en nachten in hinderlagen liggen.’
Komrij is zoals je verwacht dat een schrijver is: een buitenstaander, een kluizenaar; niet echt toegerust voor het dagelijks leven. In ochtendjas, met een boek in de hand schuifelend van vertrek naar vertrek; overal boekenkasten tot aan het plafond. Af en toe neerstrijkend op een stoel aan weer een zwaar, donkerhouten bureau of zeventiende eeuwse tafel om met een vulpen in één keer een paar volzinnen op het geschepte papier te zetten. Een huishoudster kookt; zijn vriend haalt de post op in het plaatselijke café terwijl de dichter vanaf zijn balkon nog eens uitkijkt uit over het dal.
De zinnen waren af en toe prachtig: ‘Ik ben uit een vast, warm ouderlijk huis gekomen; een hele idyllische, stille jeugdplek en heb me van daaruit in de wereld gekatapulteerd en zonder op dit moment nog het idee te hebben dat ik ben geland.’
Dat niet geland zijn herken ik. Net als het verlangen naar totale afzondering. Alleen is dat verlangen er niet permanent. Het wordt onderbroken door verlangen naar een gesprek met een vriend of door het verlangen naar een optreden. Of, zoals gisteravond, door mijn dochter die vroeg wanneer ik nou eindelijk eens ging koken, want daar hebben wij (nog) geen huishoudster voor. Iedere schrijver is een buitenstaander: de ene permanent; de ander bij vlagen.

6/13/2012

Hoax

Ik was op zoek naar iets nieuws; naar een andere manier om publiciteit te krijgen voor mijn derde roman, HOTEL SOFIA. Want als je niks doet ben je afhankelijk van het goede humeur van een paar recensenten en wat redacteuren bij radio en tv. En van het toeval, natuurlijk. Ik wilde niet het risico lopen dat mijn boek na twee jaar hard werken binnen twee maanden uit de boekhandel verdwenen zou zijn. Om het clichee over de ‘geboorte’ van een roman te gebruiken: ik wilde mijn kindje niet te vondeling leggen. Daarbij had ik tijd. De eerste maanden nadat een boek af is, lukt het me toch niet om met iets nieuws te beginnen. Dan schuifel ik een beetje onwennig door mijn kamer; bezorgd of het wel in goede handen is. Dus wilde ik na het verschijnen van mijn derde roman, HOTEL SOFIA, iets dóen. Al was het maar om afleiding te hebben. Toen iemand tegen me zei: ‘Jouw boek leest als een film’, wist ik het. Ik vroeg Jean van de Velde, Thomas Acda, Mark Rietman, Manuel Broekman en Anne Wallis de Vries mee te spelen in een ‘making of filmpje’ van de – niet bestaande – film HOTEL SOFIA. Vervolgens verstuurde mijn uitgever persberichten waarin stond dat de film in januari 2013 uit zou komen. Twee weken later verspreidden we het bericht dat de verfilming was gestaakt omdat ‘het boek toch beter is dan de film’. Het werkte: NU.nl; de Telegraaf, AD, Parool, Filmfestival.nl en RTL Boulevard besteedden aandacht aan HOTEL SOFIA. Misschien is de onderliggende drijfveer van reclame maken voor je boek wel dezelfde als voor het opvoeden van kinderen: jezelf de indruk geven dat je er alles aan gedaan hebt.

5/15/2012

Tofik

Het gaat bij verkiezingen niet om argumenten maar om alles eromheen. Tofik Dibi zal nooit leider van Groenlinks worden: zijn schouders staan te ver naar voren en hij beweegt teveel. Hij ziet eruit als een jongetje van dertien dat een liedje moet zingen voor de vriendinnen van zijn moeder op haar verjaardag. Mona Keijzer daarentegen zit kaarsrecht en beweegt nauwelijks. Je moet maar eens opletten; gisteren bij Knevel en van den Brink heeft ze maar drie keer bewogen. Dat is ijzersterk. Ook als ze niet aan het woord was, domineerde ze de tafel, enkel en alleen door haar houding. Sybrand van Haersma Buma staat ook goed, rustig. Hij beweegt meer dan Keijzer, maar zijn bewegingen zijn gecontroleerd. Niet zoals bij Tofik bij wie je steeds bang bent dat hij een glas water omstoot. Balkenende bewoog ook niet goed: te houterig. Een oom die je je baby liever niet in handen geeft als hij op kraamvisite is. Obama vertrouw je dat wel toe; Merkel ook; Sarkozy niet. Misschien is dat wel de onderliggende vraag die de keuze voor een leider bepaalt: mag hij of zij mijn baby vasthouden. De argumenten komen later wel.

5/07/2012

4 mei

Ik wilde op 4 mei met mijn zoontje (10) naar de herdenking op de eerebegraafplaats Bloemendaal. Het is een prachtige plek, middenin de Kennemer Duinen, waar verzetshelden als Walraven van Hall, Hannie Schaft en Gerrit Jan van der Veen begraven liggen. Het doet denken aan de Waalsdorpervlakte die ik ken van de herdenkingen op tv waar ik als kind naar keek. Het leek me goed om hem een keer mee te nemen: omdat het zo indrukwekkend is om met honderden mensen tegelijk stil te zijn. En omdat ik vind dat, ondanks zevenenzestig jaar vrede, de gruwelijkheden van de oorlog herdacht moeten blijven worden. Onbegonnen werk; mijn zoontje speelt het liefst met de plastic soldaatjes en tanks die hij twee jaar geleden op koninginnedag voor 1 euro kocht. Voor hem is oorlog spannend. En een koopje. Omdat het wel eens druk zou kunnen zijn, besloot ik met de fiets te gaan. Aan het begin van de Zeeweg werd ik tegengehouden door een man met een geel vest. ‘U moet lopen’, zei hij. Ik keek voor me. De autoweg was afgezet; het fietspad was leeg. ‘Het is afgezet’, zei hij ten overvloede. ‘Maar het is nog twee kilometer.’ De man knikte. Ik keek op mijn horloge; het was kwart voor acht. ‘Dan red ik het niet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Gaat het nou niet door?’, vroeg mijn zoon die achterop zat. Ik verwachtte dat de aanblik van een beteuterd kind de man van gedachte zou doen veranderen. Maar hij vertrok geen spier. Verontwaardigd door het totale gebrek aan compassie begon ik mij op te winden: ‘Waar slaat dat nou op,’ zei ik, ‘de weg is helemaal leeg; het fietspad is leeg. Ik ga voor het eerst met hem naar een herdenking. Dat kan je hem toch niet ontnemen.’ Het hielp allemaal niet; hoe bozer ik werd, des te glaziger keek de man mij aan. Uiteindelijk stapte ik af en liep met mijn fiets aan de hand verder. ‘Zeikerd’, mompelde ik toen ik buiten zijn gehoorsafstand was. Na dertig meter stapte ik weer op. Mijn zoons ogen begonnen te glimmen. ‘Ik dek ons wel’, zei hij terwijl hij met zijn hand een pistool nabootste en het op de man richtte die met zijn rug naar ons toe stond. Een oorlog ligt altijd op de loer. Het begint bij iemand die je tegenhoudt.

3/27/2012

Jacob in Ahoy


Zaterdag ging ik met mijn zoon (10) naar Paul mcCartney in Ahoy. Het was zijn eerste popconcert en hij was er al dagen mee bezig. ‘Moet jij huilen als je hem ziet?’, wilde hij weten. En: ‘Heeft hij bodyguards?’; ‘Komt ie met z’n helikopter?’
Toen we er om zes uur waren stond er een rij van honderd meter op het plein voor de ingang. Even zonk mij de moed in de schoenen; dit soort ongemak is de reden dat ik bijna nooit naar concerten ga.
Gelukkig had Jacob nergens last van. ‘Dan kunnen we zo een handtekening vragen als hij aan komt lopen’, zei hij.
Ik zei dat hij al binnen was of dat hij anders de achteringang wel nam.
Daar geloofde hij niks van en dus bleef hij de hele tijd om zich heen kijken om te zien of hij ergens een limousine zag. Hoop maakt wachten een stuk lichter.
Toen we uiteindelijk binnen waren, de eerste ring van Ahoy opliepen en de mensenmassa beneden ons heen zagen werd hij stil. Ik ook. Alleen al die aanblik is de moeite van het gaan meer dan waard.
‘Waar gaat hij nou optreden?’, vroeg hij na een tijdje.
Ik wees naar het podium, ongeveer veertig meter verderop.
Even was hij uit het veld geslagen. ‘Maar dan zie je hem niet.’
Ik wees op de enorme projectieschermen die aan weerszijden van het podium hingen.
Even later begon een half uur durende videocollage over sir Paul. Hij is niet de meest bescheiden man op aarde, maar in zijn geval vind ik dat niet erg. Een paar mensen hebben zoveel prachtigs gemaakt dat de rest er niet meer toe doet. Ook niet dat ze ‘Mull of Kintyre’ hebben gemaakt.
Toen mcCartney opkwam was Jacob zo onder de indruk dat hij vergat te klappen. Ademloos keek hij hoe Paul 'Goejeafond' zei en 'Hello Goodbye' inzette. Ademloos bleef hij drie uur lang kijken.
McCartney zong ongeveer dertig liedjes; het ene nog mooier dan het andere; bijna allemaal nummer één hits. Bizar om je te realiseren welke hits hij níet had gezongen; dat zijn er nog veel meer.
Toen het om half twaalf klaar was had Jacob niet één keer gegaapt.
In de file op de parkeerplaats bleef hij alert op de achteruitgang; pas toen we op de A 13 reden viel hij in slaap. Ik denk dat hij droomde van helikopters en limousines.

3/06/2012

Tijd doden


Afgelopen vrijdag de presentatie van Hotel Sofia in de geweldige boekhandel De Vries in Haarlem (zie foto). Nu in een soort niemandsland: boek af, de eerste reacties druppelen binnen, onzekerheid over wat men er van vindt en ondertussen kan ik niet aan iets nieuws beginnen.
Zaterdagochtend belde de eerste vriend; hij had het in één ruk uitgelezen. ‘Prachtig boek’, zei hij, ‘naar het einde toe wordt het steeds pakkender.’
‘Dus het begin vind je niks’, zei ik. Je hoort wat je wilt horen. Of, je hoort alleen waar je bang voor bent.
Zondag sprak ik een andere vriend. ‘Ik heb nog geen tijd gehad om het te lezen’, zei hij. Hij zal er wel in begonnen zijn en het niks vinden, dacht ik.
Een boek moet zich zetten; na een aantal reacties weet je wat de teneur is. Tot dat moment is het nagelbijten.
Dus gisteren om de tijd te doden naar ‘The Descendants’ met George Clooney. Voor het eerst weer eens ’s middags naar de bioscoop wat toch iets ongemakkelijks heeft: je ziet mensen denken: wat doet een volwassen man ’s middag in de bioscoop. Heef hij geen werk?
Je ziet wat je wil zien.
Vanochtend om half negen aan mijn schrijftafel; geen idee wat ik moest doen. Sinds het boek af is mis ik de ‘verplichte’ uren schrijven.
Dus even naar de computerwinkel om een al maanden spelend computerprobleem op te lossen. Ik had er uitgebreid naar gezocht op internet maar kon de oplossing niet vinden. Binnen drie zinnen had de verkoper het probleem geanalyseerd en zette hij een kastje op de toonbank. ‘Dit heb je nodig,’ zei hij.
Heerlijk, mensen die iets zeker weten.

4/05/2011

Vrijheid

Vorige week een mooie aflevering van VPRO’s Tegenlicht over de hypocrisie van het westen; jarenlang steunden wij dictators in het Midden Oosten en Noord Afrika. Het feit dat zij mensenrechten schonden was minder belangrijk dan het feit dat wij daar onze olie vandaan haalden, dat onze banken zaken met de miljardairs konden doen en dat we wapens konden leveren. Meest schrijnende voorbeeld van die hypocrisie was de tour door het Midden Oosten die de Britse premier Cameron onlangs maakte met in zijn kielzog een aantal wapenhandelaren. Wapens waarmee de regimes de bevolking konden onderdrukken. Op de terugreis deed hij ook Egypte aan dat zich net bevrijd had van Mubarak en profileerde zich zo als de eerste Westerse leider die het nieuwe regime bezocht.
Het voordeel van pragmatisme is dat je geld verdient; het nadeel is dat het zich ooit tegen je keert: we bombarderen nu de wapens die we zelf leverden. Alhoewel je dat, uit economisch oogpunt, ook als voordeel uit kan leggen.
Hoe gecompliceerd de verhouding tot de dictators is bleek ook uit de deal die Italie maakte over immigranten uit Libie. Honderdduizenden in Libie verblijvende Afrikanen stonden klaar om de oversteek naar Europa te maken. Door een deal met Kadaffi bleven ze daar; zonder deal dreigde hij ze naar Italie te laten gaan.
Tegenlicht ging ook over de angst van het Westen voor radicale moslims die de macht zullen grijpen als de dictators weg zijn. De conclusie was dat die angst ongegrond was: immers, tijdens de betogingen op het Tahrirplein werden geen anti Amerikaanse noch anti Israelische leuzen gehoord.
Die mening deel ik niet: het lijkt me sterk dat landen die het nooit hebben gekend van het ene op het andere moment democratisch zijn. Het lijkt mij een illusie om te veronderstellen dat mannen die van generatie op generatie hebben geleerd dat vrouwen geen rechten hebben opeens het omgekeerde vinden. Het lijkt me naief te hopen dat homofilie ineens een geaccepteerd fenomeen is.
Mijn grootouders hadden buren: twee gezusters die na veertig jaar verblijf in het klooster uitgetreden waren. Ze hadden genoeg van het juk van het klooster, zagen het nut van de strenge regels niet meer in; voelden zich vervreemd van hun geloof. In het begin voelden ze zich bevrijd in hun nieuwe, eigen woning (voor het eerst!) zonder god, zonder strenge moeder overste.
Maar na verloop van tijd misten ze toch iets. Ze begonnen ze zich te verdiepen in in Bloesemtherapie en Bachremedie; ze adviseerden mijn vriendin die allergisch is voor wespen om met de wesp te praten als hij op haar arm zat omdat het beestje dat zou voelen en niet zou steken. Ze maakten een reis naar India en sindsdien hing er een portret van Satya Sai Baba, een of andere Indiase goeroe, boven hun tafel. Ze begonnen te mediteren.
Zo ongeveer stel ik me de ‘bevrijde’ landen ook voor.
Je kan je dictator wel afzweren, maar de leegte die hij achterlaat klinkt hol.

3/25/2011

Ter Apel

Toen ik vorige maand een lezing in Ter Apel aannam had ik me niet gerealiseerd dat het twee uur en drie kwartier rijden was. Ter Apel ligt namelijk vlak achter Emmen. Ik wist eerlijk gezegd niet dat het na Emmen ook nog Nederland heette.
Vanochtend reed ik er heen; je komt er via Barger Compascuum en Emmer Erfscheidenveen en Roswinkel. Het ligt niet ver van Tweede Exloermond en Mussel en Hahnentange.
Namen die bij mij beelden opriepen van moerassen met hier en daar een boerderij waar de electriciteit nog via kabels op houten palen naartoe werd geleid. Als er al electriciteit was. Namen die beelden opriepen van terneergeslagen mensen met laarzen en overalls en kromgetrokken ruggen van het zware werk op het land.
Namen die mij deden vrezen dat ik de vragen uit de zaal niet zou verstaan.
Ik begon aan mijn vooroordelen te twijfelen toen ik zag dat mijn mobiele telefoon bij aankomst nog ontvangst had.
De twijfel werd groter toen ik Hotel Boschhuis zag waar de lezing plaats had; een mooi, wit, ouderwets hotel tegenover een fraai gerestaureerd klooster.
De twijfel werd compleet toen ik ontvangen werd door de twee meisjes die de lezing georganiseerd hadden, Janniek en Iris; ze hadden normale kleren aan, ze liepen niet krom; ik kon ze goed verstaan; ze maakten een opgeruimde, ja zelfs gelukkige indruk.
Ze namen me mee naar de grote zaal van het hotel; het zag er goed uit: de stoelen stonden al klaar, er was een geluidsinstallatie, er was licht.
‘Wil je wat drinken?’, vroeg Iris.
‘Koffie’, zei ik om het niet te ingewikkeld te maken.
‘Cappucino, Espresso, Machiato?’, vroeg ze.
Ik pakte de boeken uit mijn tas uit.
‘Hoeveel leerlingen komen er eigenlijk?’, vroeg ik.
‘Ongeveer tweehondervijftig’, zei Janniek.
‘Komt de hele school dan?’
Ik was eerlijk gezegd al verbaasd dat er uberhaupt een school was.
Het bleek alleen om de bovenbouw te gaan van de plaatselijke school, die ruim duizend leerlingen telde.
‘Maar waar komen al die leerlingen dan vandaan?’, vroeg ik, want Ter Apel is niet veel meer dan een kanaal met wat huizen.
Ze bleken uit allerlei plaatsjes te komen: Nieuw Weerdinge, Exloerkijl, Jipsingboertange, Barenfleer.
Ik legde mijn papieren op het tafeltje op het podium waar een fles San Benedetto bronwater voor me klaar stond.
‘We hebben in alle klassen een voordracht gehouden over uw werk’, zei Iris.
'Oh', zei ik.
'Ja', ging ze verder, ‘we hebben een samenvatting gegeven van uw boeken, we hebben een liedje laten horen en uw interview bij Paul de Leeuw laten zien’.
Ik knikte. Alsof ik dat normaal vond. Alsof dat op alle scholen waar ik kom zo gaat.
Om kwart voor een druppelden de leerlingen binnen: rustig, zonder lawaai, zonder geschreeuw. Niemand had klompen aan.
Ik hield mijn verhaal, zij luisterden anderhalf uur lang aandachtig en stelden vragen die ik verstond.
Na de lezing at ik in het restaurant een broodje Hollandse garnalen met cocktailsaus; zo lekker had ik het al jaren niet meer gegeten. Ik betaalde er met creditcard.
Toen ik terugreed had ik bij Zwolle al heimwee.

3/22/2011

Hommen en Immers

Vandaag in de Volkskrant een interessant artikel – het is eigenlijk meer een halve advertentie - van de hand van ING bestuursvoorzitter Jan Hommen.
Ik hou er wel van als mensen de kans krijgen hun bekrompenheid ongecensureerd te etaleren.
In het artikel schrijft Hommen dat ING zijn best doet om haar leven te beteren na de financiele crisis. Letterlijk staat er: ‘Het nieuwe beleid dat ING heeft geintroduceerd weerspiegelt de veranderde maatschappelijke percepties over verantwoorde beloning. Het beleid is gematigder’.
Dat is opmerkelijk want Hommen ontvangt een vast salaris van 1.350.000,= euro en zou dit jaar een bonus van 1.200.000,= euro krijgen. Daar kwamen echter zoveel verontwaardigde reacties op dat hij besloten heeft af te zien van zijn bonus.
Hommen doet het voorkomen alsof hij ethische motieven heeft. Hij schrijft dat ING ‘zijn verantwoordelijkheid jegens onze klanten en de samenleving zeer serieus neemt.’
Je moet het maar durven.
Het gaat Hommen uiteraard om iets heel anders: negatieve publiciteit kost klanten. Het feit dat het pensioen van oud medewerkers inmiddels bevroren is, het feit dat ING overeind is gehouden door de belastingbetaler, het feit dat banken een kwalijke rol hebben gespeeld bij de crisis; he couldn’t care less.
Hommen heeft wel wat weg van Lex Immers, de voetballer van ADO Den Haag die na de overwinning op Ajax in het supportershome vol overgave ‘We gaan op Jodenjacht’ zong. Toen de dag erna bleek dat iemand een filmpje van de gebeurtenis op youtube had gezet, betuigde hij spijt.
‘Ik ben me op dat moment totaal niet bewust geweest van de beledigende toon naar een hele bevolkingsgroep’, zegt hij in een verklaring.
Ik ben zo benieuwd of Hommen en Immers de onzin die ze uitkramen zelf geloven. Dat zou schokkend zijn, maar met wat therapie kan je een eind komen.
Eerder denk ik dat een oud spreekwoord van toepassing is: brutalen hebben de halve wereld.

2/10/2011

Egypte en de mythe van de revolte

Zoals een recensie van een boek vaak meer zegt over de recensent dan over het boek, zo zegt de verslaggeving over de gebeurtenissen in Egypte meer over ons dan over Egypte.
Het beeld van een volk dat zich na 30 jaar eindelijk verzet tegen zijn dictator spreekt in Nederland – en naar ik aanneem in het hele Westen – zo tot de verbeelding dat er van objectiviteit, zo die al mogelijk zou zijn, geen sprake is.
Ik zal uitleggen waarom ik dat vind.
Het journaal doet nu al ruim een week vrijwel alleen verslag van het Tahirplein in Cairo. Het mag dan indrukwekkend zijn, al die mensen, maar wat zegt het over de rest van Egypte? Toegeven, af en toe krijgen we een shot van een plein in Alexandrie, maar verder?
Ik moest denken aan een stukje in het boek ‘Het zijn net mensen’ van Joris Luyendijk waarin hij op zoek gaat naar de Palestijnse protesten in Ramallah die we wekelijks op televisie zagen. Tot zijn verbazing komt hij in een heel rustig, vredig dorpje. ‘Waar zijn de rellen?’, vraagt hij aan iemand. ‘Dan moet u hier naar rechts en dan een kilometer rechtdoor en dan komt u bij een plein en daar beginnnen om elf uur de rellen’, antwoordt iemand (ik citeer uit mijn hoofd – ik heb het boek niet bij de hand, dus fout, maar de strekking klopt).
Met andere woorden, wat wij op televisie zagen; woedende, naar de Israelische politie stenen gooiende jongeren, was maar een heel klein stukje van de realiteit.
Waarom zijn er geen verslaggevers buiten Cairo? Of zelfs maar buiten het Tahirplein? Misschien omdat daar geen demonstraties zijn?
Verder had ik ook graag wat meer willen weten over de leiders van de revolte. In een land waar de geheime politie overal aanwezig is, ligt het voor de hand kritisch te zijn op iedereen, ook op de mensen die aan ‘de goeie kant’ staan.
Ik ben twee keer in Syrie geweest voor optredens, en wat ik daar geleerd heb is dat je in een politiestaat niemand kan vertrouwen, ook niet de aardige, goedlachse chauffeur die ons een week lang rondreed en ons de foto’s van zijn kinderen liet zien.
Ik kan me niet ontrekken aan de gedachte dat Westerse journalisten de idylle van de revolutie van het volk niet willen verstoren.
Terwijl ze zouden moeten weten dat revoluties vaak slecht aflopen: denk aan Islamitische revolutie in Iran, de Russische revolutie die leidde tot de Sovjet Unie of de Saur revolutie in Afghanistan.

1/27/2011

Norwegian Wood

Vroeger was het eenvoudig; als Volkskrantcriticus Peter van Bueren een film goed vond, vond ik het niks; als hij een film afkraakte ging ik erheen. Ik was het namelijk bijna altijd met hem oneens.
Maar van Bueren is al een tijd gestopt en sindsdien heb ik geen eikpunt meer; soms deel ik de kritiek van de recensent, een andere keer niet.
Gisteravond ging ik naar een film die door de Volkskrant ‘een ontroerende en bij vlagen zelfs hartverscheurende ervaring’ werd genoemd, te weten: ‘Norwegian Wood’ van regisseur Tran Anh Hung. De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van de schrijver Haruki Murakami.
De film gaat over een jongen, Tran, die een relatie krijgt met het voormalig vriendinnetje van zijn beste vriend die zelfmoord heeft gepleegd.
De film bestaat eigenlijk helemaal uit conversaties, alhoewel conversatie een groot woord is, want veel wordt er niet gezegd. De film zit vol met betekenisvolle stiltes waarin de acteurs elkaar diep in de ogen kijken en waarbij de kijker moet gissen naar wat ze bedoelen.
Het kan aan mijn gebrek aan verbeelding liggen, maar ik begon me daar na verloop van tijd aan te ergeren. Was er een diepere laag die ik niet begreep? Miste ik iets?
Zo werd mij bijvoorbeeld totaal niet duidelijk waarom bovengenoemde jongen al op 18 jarige leeftijd zelfmoord pleegt.
En ik kon ook niet uit de stiltes opmaken waarom alle meisjes die Tran ontmoet met hem naar bed willen en waarom die vrijpartijen steeds opnieuw verzanden in gestaar.
De relatie van Tran en het meisje verloopt niet vlekkeloos, to say the least. Zij is depressief – een gevolg van de zelfmoord van haar eerste vriendje of gewoon genetisch bepaald? - en belandt in een inrichting ergens in een Japans bos waar het altijd hard regent. Ze laat Tran opdraven wanneer ze wil, ze vraagt hem geduld te hebben omdat ze nog niet met hem naar bed kan, ze laat zich door hem troosten om hem daarna hartelijk uit te lachen.
Waarom Tran haar nou niet eens een keer de waarheid zei, of gewoon wegbleef, begreep ik ook niet. Plichtsbesef, vermoed ik, maar daar kan ik helemaal naast zitten.
Tijdens de twee uur en een kwartier durende film – er was geen pauze - begon ik me steeds vaker af te vragen of er uberhaupt wel een diepere laag was. Viel er wel iets te begrijpen?
De stiltes, het gestaar, de twee zelfmoorden – uiteindelijk pleegt het meisje ook zelfmoord - deden dat wel vermoeden, maar zeker was ik er niet van.
Een teveel aan drama verhult vaak een gebrek aan diepgang.
Soms verlang ik terug naar Peter van Bueren.

12/05/2010

Wikilaks

Ieder mens heeft het recht om iets te vinden en om dat vervolgens niet uit te spreken. Of om die mening slecht met een enkeling te delen.
Niemand spreekt de hele dag de waarheid.
Als iedereen de hele dag de waarheid zou spreken zou er geen huwelijk meer stand houden.
Mijn probleem bij het door Wikileaks op het internet plaatsen van gestolen, vertrouwelijke informatie is dat mensen, in dit geval diplomaten van de VS, het recht ontnomen wordt een geheim te hebben. Ieder mens heeft recht op een geheim.
Het gaat mij niets aan dat Amerikaanse diplomaten de Franse president autoritair vinden. Of dat ze Berlusconi incompetent en ijdel vinden. Eerlijk gezegd vind ik het ook nogal naief als je van dat soort informatie opkijkt.
Journalistiek moet gericht zijn op waarheidsvinding, maar de scheidslijn tussen sensatiezucht (of persoonlijke rancune) en gedegen journalistiek is dun.
Hoogleraar bestuurskunde Michiel de Vries betoogt in de Volkskrant van zaterdag dat Assange (de oprichter van Wikileaks) als held geeerd zou moeten worden. Hij maakt daarbij de vergelijking met ‘klokkenluider’ Max Havelaar. Nog even afgezien van het feit dat de term ‘klokkenluider’ wel erg armoedig is als het gaat om de schrijver van een van de allerbeste Nederlandse romans ooit, klopt de vergelijking ook niet.
Multatuli werkte jaren in Indie en kende het onrecht dat de inlandse bevolking werd aangedaan als geen ander. Hij ‘stal’ geen informatie. Terug in Nederland schreef hij een woedende aanklacht tegen het koloniale systeem, die tegelijkertijd ook menselijk en ontroerend is omdat het een verhaal is over gewone mensen.
Assange is een buitenstaander, iemand die het Amerikaanse diplomatieke systeem niet kent. Hij doet ook geen poging het materiaal dat hij aangereikt kreeg te filteren; hij zet gewoon 250.000 gestolen documenten op het net.
Diefstal van informatie is en blijft ordinaire diefstal, tenzij het iets onthult dat van zo’n groot maatschappelijk belang is, dat het waarheidsvinding heet.
Het archetypische voorbeeld is de onthulling van het Watergateschandaal.
Naar het zich laat aanzien zitten er tussen de Wikileaks documenten ook enkele van dit soort documenten. De informatie dat Arabische landen Amerika gevraagd hebben om Iran aan te vallen lijkt mij hier een voorbeeld van.
Wat mijn probleem met Assange is, is dat hij verzuimd heeft het echte onthullende nieuws van de rest te onderscheiden.
Hij kan wat leren van Multatuli: een goede roman schrijven is vooral een kwestie van weggooien.

11/17/2010

Streng

Dat in de PVV fractie relatief veel mensen zitten die agressief gedrag vertonen verbaast mij niet. De mens is inkonsekwent en hoe strenger in de leer, des te duidelijker dat wordt.
De zaak van PVV kamerlid Lucassen die mensen in zijn buurt terroriseerde omdat ze hun hond voor zijn huis uitlieten is een illustratie van die stelling. De veroordelingen van zijn collega Sharpe voor oplichting ook; Hero Brinkman’s vuistslagen op het gezicht van een barman die hem geen drank meer wilde schenken evenzeer.
Maar inconsekwentie blijft niet voorbehouden aan PVV-ers.
Dat katholieke priesters jongetjes misbruiken in internaten is een logisch gevolg van het celibaat.
Dat ieder jaar wel een streng conservatief Brits lagerhuislid betrapt wordt op een buitenechtelijke relatie ligt voor de hand.
Dat communistische leiders in de Sovjet Unie zelf baadden in weelde mag geen verbazing wekken.
Dat imams in Egypte hun geslachtsdeel in een geit stoppen is volstrekt verklaarbaar.
Wat al deze hardliners met elkaar gemeen hebben is dat ze geen twijfel lijken te kennen. Zij weten wat goed is en wat fout. Die eendimensionaliteit is even aantrekkelijk (voor somiige mensen) als dat zij onnatuurlijk is.
Overigens leidt het omgekeerde, jezelf en de buitenwereld geen enkele norm opleggen, ook tot diefstal en zelfverrijking. Denk aan de Rijkman Groeninks en Sir Goodwins van deze wereld.
Maar in hun strenge normloosheid en hun gebrek aan twijfel zijn zij te vergelijken met Lucassen com suis.
Dat de mens veel gecompliceerder en inkonsekwenter is dan sommigen zouden willen verwoordt de Amerikaanse schrijver Malcolm Gladwell als volgt:
‘Karakter is een verzameling gewoonten, neigingen en interessegebieden in losse samenhang die in bepaalde perioden afhankelijk zijn van de omstandigheden en de context.’
Oftewel, het ene moment hebben we de mond vol van fatsoen, het volgende moment schelden we de buurman uit voor kankerleier omdat hij zijn hond voor je deur uitlaat.
Ik denk niet dat Lucassen ooit iets van Gladwell gelezen heeft. Kan hij eigenlijk wel lezen?

10/26/2010

Uit de oude doos (3)

Het eerste optreden van comedytrain ooit was op 7 september 1990. Achteraf gezien een bijzondere moment: een soort landing op de maan; het begin van stand up comedy in Nederland. En alhoewel het mij nog steeds met trots vervult dat ik een van de vier eerste mannen op de maan was, kan ik niet zeggen dat het moment zelf erg heroisch was.
Laat ik even terug gaan naar hoe het begon.
Precies vier maanden daarvoor, op 7 mei word ik gebeld door ene Raoul Heertje die mij vraagt of ik belangstelling heb voor stand up comedy. Je had in die tijd nog geen google dus ik kon ook geen afbeelding van hem te voorschijn toveren. Het is zeer de vraag of ik lid van Comedytrain was geworden als dat wel gekund had.
Maar omdat ik toch niks te doen heb en ik sinds mijn afstuderen cabaretier ben, of althans, ik vind dat ik dat gewoon moet durven zeggen als iemand vraagt wat ik doe, zeg ik ja.
Vooral ook omdat Raoul me werk in het vooruitzicht stelt, want hij heeft in september een theater geboekt waar we acht keer mogen spelen. Ik zie het helemaal zitten: een theater met kleedkamers, een podium, lampen, een foyer, barmeisjes.
En dus fiets ik die zevende september opgewonden en veel te vroeg naar het Anthony theater in Amsterdam.
Als ik voor het opgegeven adres sta denk ik dat ik me vergist heb; het ligt namelijk midden op de wallen en het heeft meer weg van een bouwval waar net de krakers uit vertrokken zijn omdat het ook hun te gortig wordt. In die tijd had je nog geen kraakwet, en die was in dit geval dus ook helemaal niet nodig geweest.
Ik zet mijn fiets op slot, doe de deur open en kijk rond: er staan ongeveer twintig stoelen, tegen de muren zijn een paar kapotte gitaren gespijkerd, de bar of wat daarvoor door moet gaan hangt scheef is en ik betwijfel of de ruimte boven het miniscule podiumpje hoog genoeg is om rechtop te kunnen staan.
Verder hangt er een penetrante, weeige lucht die me nog het meest aan Camembert doet denken.
‘Lekker intiem he’, hoor ik plotseling een stem. Het blijkt de eigenaar Onno te zijn, een kruising is tussen Albert Mol en Jacques d’Ancona.
‘Ja’, zeg ik teleurgesteld.
‘Je zit heerlijk dicht op de mensen’, gaat hij verder, ‘en we zetten er zo lekker een spotje op. Doe jij je jas maar vast lekker uit.’
Ik doe mijn jas uit. Als ik hem op een van de stoelen leg zie ik dat het rode pluche vol zit met witte vlekken.
Als Onno me daarna meeneemt naar de donkere voorraadkast naast het podium en zegt dat dit de kleedkamer is word ik overvallen door een hevige twijfel. Heb ik iets verkeerd begrepen? Is Stand up comedy homojargon voor een gangbang? Is het podium daarom zo laag? Komt Raoul zo met vier latex pakjes aanzetten?
Een half uur later druppelen de anderen binnen; Raoul, John Jones, Theo Maassen. Ze gedragen zich normaal.
Als weer een half uur later het publiek binnenkomt besluit ik dat mijn angst ongegrond is: het publiek bestaat die eerste avond namelijk uit de ouders van Raoul, de broers van Raoul, de vriendin van Raoul, twee vrienden van Raoul, een paar vrienden van John en Theo en mijn vriendin. De enige betalende bezoekers zijn twee aangeschoten Engelsen die achterin de zaal gaan zitten en halverwege de voorstelling mopperend het pand verlaten omdat ze ‘pussy’ willen zien.
Mijn act, die ik de maanden daarvoor zorgvuldig heb voorbereid, mislukt volkomen; als een konijn dat in de lichtbundel gevangen is zeg ik met grote, verschrikte ogen mijn tekst op; ik maak geen contact met de zaal, ik improviseer niet, ik doe alles fout. Raoul en Theo doen het geloof ik iets beter, maar de enige die echt succes heeft is John met zijn act over zijn Surinaamse opvoeding.
Na afloop van de voorstelling probeert mijn vriendin nog iets aardigs tegen me te zeggen: ‘Je was heel goed te verstaan’, zegt ze, ‘je zag er goed uit en wat prettig was, je hoefde bij jou tenminste niet steeds zo te lachen.’
Ik onderga de vernedering, drink teveel, ga alleen naar huis en rol die nacht om twee uur gefrustreerd in mijn bed als een berg opziend tegen de komende, zeven voorstellingen en ervan overtuigd dat Comedytrain de serie in het Anthonytheater niet zal overleven.

10/08/2010

Grote woorden

Aan de veelgenoemde ‘verruwing’ van de omgangsnormen in Nederland ligt volgens mij vooral een gebrek aan zelfrelativering ten grondslag. Mensen nemen zichzelf veel te serieus. Er worden veel te snel grote woorden gebruikt.
‘Nederland zou 100 jaar in de tijd terug gaan als ik veroordeeld wordt’, zegt Geert Wilders over zijn proces.
En in zijn verklaring voor de rechtbank: ‘Ik kan niet anders dan concluderen dan dat de rechtbank mij geen eerlijk proces gunt’. Deze laatste woorden lijken misschien klein, maar zijn het niet. Een oneerlijk proces doet totalitaire regimes vermoeden; generaals; mensen die uit vliegtuigen worden gegooid.
Nigel de Jong vindt niet dat hij te ver gaat (‘Dat zit in mijn spel’), ook nadat hij voor de tweede keer iemand een beenbreuk heeft geschopt. Sportjournalist Hugo Borst op zijn beurt kwalificeert de Jong, zonder enige spot, als ‘crimineel’ (‘dat durf ik te zeggen’).
Het probleem van grote woorden is dat ze nog grotere woorden uitlokken.
Bij Albert Verlinde lijkt het licht helemaal uitgegaan. Hij vraagt de media om terughoudendheid inzake het overlijden van zijn zwager Antonie Kamerling. Kennelijk gelden als het om zijn naasten gaat andere wetten, want als het om ranzige journalistiek gaat heb ik hem nog nooit een voorbehoud zien maken.
Overigens putten allerlei Bekende Nederlanders zich de afgelopen dagen uit in grote woorden; iedereen was ‘helemaal kapot’, ‘geschokt’ of ‘verbijsterd’.
Het probleem van superlatieven is dat het normale zijn betekenis verliest.
Wilders, De Jong, Borst, Verlinde: ze hebben iemand nodig die zegt: ‘Hee, doe even normaal. Jij bent het maar.’
Nederland is een klas waar de twintig rustige kinderen worden gegijzeld door een paar brutale ettertjes die denken dat ze god zijn.