2/24/2016

Terlouw

Dit weekend stond er een mooi interview in de Volkskrant met oud politicus en schrijver Jan Terlouw.
Het maakte een zekere nostalgie in mij los; ik dacht terug aan mijn zolderkamertje waar ik, zittend op een paars kussen op de met rieten matten bedekte vloer, ademloos oorlogswinter en oosterschelde las.
Nostalgie is ook het woord waarmee je de teneur van het interview kan samenvatten.
In alles wat Terlouw zegt zit een verlangen naar de jaren zeventig en tachtig, niet geheel toevallig ook de periode dat hij zelf in de politiek zat.
‘De publieke moraal onder politici en ook in de samenleving is echt minder geworden’, zegt hij ergens.
Misschien is dat zo, maar het gedrag van politici uit zijn tijd was nou ook niet altijd even verheffend.
Ik heb het nog even opgezocht: Terlouw zat in twee kabinetten. Van Agt 2 bestond welgeteld zeven maanden en was het enige kabinet ooit dat al voor de presentatie in de tweede kamer zijn ontslag aanbood. Van Agt 3 bestond slechts vijf maanden voor het uit elkaar spatte.
Er is vast van alles aan te merken op het pragmatisme van Rutte en Samsom, maar dat heb ik toch liever dan het als sociaal engagement vermomde narcisme van al die principiele mannetjes.
Als er één periode is waarin men niet naar elkaar luisterde; waarin men niet bereid was samen te werken, was het wel in de jaren zeventig en tachtig.
Ergens anders zegt Terlouw: We worden geregeerd door het kapitaal. De politiek is niet meer de baas.
Ik deel zijn zorgen over het neoliberalisme. Het feit dat 1 procent van de Amerikanen de helft van het nationaal inkomen bezit is angstaanjagend.
Maar ik vrees dat als we de macht aan de politici geven het er niet beter op wordt. Daar hebben we de vorige eeuw al mee ge-experimenteerd en dat is niet echt bevallen. Het communisme en het nationaal socialisme blonken niet uit in solidariteit met de zwakkeren.
Het is van alle tijden: in de achttiende eeuw waren de vorstenhuizen de onderdrukkers, daarvoor was het de kerk.
De wolkenkrabbers van de grote bedrijven nu zijn de kerktorens van weleer.
Macht is bijna nooit in goede handen.
Ik wil er nog één uitspraak uitlichten.
Over de oliemaatschappijen die niet mee willen in de verduurzaming zegt Terlouw: ‘De politiek luistert naar het kapitaal en het kapitaal heeft er geen zin in.’
Daar vallen de schrijver en de politicus samen; hij maakt een personage van het kapitaal. Alsof het iemand is die op de bank ligt.
Het zette mijn fantasie meteen aan. Ik denk dat het kapitaal een topsporter is, iemand die altijd wil winnen.
En net als de politicus aan de deur komt met de collectebus voor duurzaamheid ligt hij op de bank voor de tv uit te puffen van weer een zware training en zegt: ik heb even geen zin in duurzaamheid.
En de volgende dag als er weer iemand over begint, zegt ie: Hee, wat heb ik nou gezegd?
En als er de dag erna weer een politicus aanbelt, roept ie vanaf de bank: Fuck you. Want dat moet je antwoorden op jou onwelgevallige vragen, heeft hij van Daan Roosegaarde geleerd.
Volgens mij is het probleem van Terlouw dat hij ervan uitgaat dat iedereen is zoals hij: sociaal, intelligent, bevlogen, betrokken, getalenteerd.
Terwijl de werkelijkheid is dat er bijna niemand is die én een goed politicus én een voortreffelijk schrijver is. En nog kerngezond op z’n 85 ste. En nog in het bezit van een leuke vrouw. En wonende in een koetshuis  op een landgoed met uitzicht op weilanden met schapen.

Daarmee vergeleken is de rest van de wereld al snel een teleurstelling.

2/12/2016

AZC

Afgelopen zondag bracht minister Koenders een bezoek aan een vluchtelingenkamp in Macedonie.
Het heeft altijd iets koloniaals: zo’n boomlange man in pak die uit een zwarte auto stapt en zich begeeft tussen de bewoners die in witte tenten zitten te kleumen van de kou.
You speak English very good, zei Koenders tegen een klein meisje, waarmee hij verraadde zelf niet zo goed Engels te spreken, want volgens mij moet het zijn: You speak English very well.
Maar misschien zei ie dat wel om haar op haar gemak te stellen.
Vorige week voelde ik me ook een beetje minister Koenders toen ik zelf een dag mee mocht lopen in een AZC in Noord Holland.
Ik had geen kostuum aan gedaan, maar ik viel toch op, al was het maar omdat ik geen trainingspak droeg; het uniform van de vluchteling.
Het AZC was gevestigd in een voormalige gevangenis. Het was er bedompt, de verf bladderde, douchegordijnen hingen voor de ramen.
In het kantoortje van vluchtelingenwerk was een medewerkster aan het bellen met iemand die niet of nauwelijks Nederlands verstond. Het ging over documenten die kwijt waren.
Bij een tafeltje stonden twee meisjes met hun mobiele telefoon. Ze probeerden via bluetooth een paar documenten uit te printen die ze gemaild hadden gekregen van hun familie in Irak.
Als me iets duidelijk werd deze dag, dan was het wel dat het bij vluchtelingen draait om documenten: documenten die bewijzen dat jij bent wie je zegt dat je bent. Documenten die bewijzen dat je woonde waar je woonde; dat je vluchtverhaal klopt; dat je ouders echt zijn omgekomen.
De IND wil documenten zien, voor verhalen kopen ze niks.
In een spreekkamer naast het kantoortje woonde ik een gesprek bij dat een medewerkster van vluchtelingenwerk had met een Syrisch gezin. De vader en moeder hadden nog iets ruraals, maar hun zoon en dochter zagen er heel Westers uit.
Gek hoe je idee over een zaak onmiddellijk verandert als je mensen van vlees en bloed tegenover je hebt in plaats van krantenkoppen.
Ze werden voorbereid op de verhoren door de IND.
Drie kwartier lang werd er gehamerd op de bewijslast. Je paspoort moet echt zijn. Je komt vrij makkelijk aan een vals Syrisch paspoort. Die zijn populair want Syriers krijgen in principe een verblijfsvergunning in Nederland. Tenzij je oorlogsmisdaden hebt begaan. Maar hoe kom je daar achter?
Mensen uit Iretrea krijgen in principe ook een verblijfsvergunning, maar die hebben vrijwel nooit een paspoort, nooit gekregen, dus wie zegt dat ze uit Iretrea komen?
Homo’s uit landen waar op homoseksualiteit de doodstraf staat krijgen ook asiel in Nederland, maar hoe bewijs je dat?
In de wereld van de vluchtelingen wordt niemand vertrouwd op zijn woord.
Later op de dag ontmoette ik Ali, een jonge Syrier.
Hij vertelde over zijn vlucht; via de Turkse grens, met een boot naar Griekenland, verder te voet door Europa tot hij in Nederland aan kwam. Hij vertelde over de kinderen die overboord sloegen en verdronken, over de criminelen die hij bij elke grens geld moest betalen. Over zijn ouders die nu in Noorwegen zaten. Hij vertelde me over de reden van zijn vlucht: omdat hij anders in dienst moest. Hij vertelde dat hij vroeger in een telefoonwinkel werkte; dat Syrie voor de oorlog een fijn land was.
Ik voelde me de IND: ik wist niet wat waar was en wat niet.

Maar dat zei ik niet. Ik zei: You speak English very good.

2/09/2016

Kenneth en Jeroen


Gisteren waren tijdens de wedstrijd Ajax-Feijenoord spreekkoren te horen over de moeder van Kenneth Vermeer.
Daarnaast werd er door een supporter een pop, voorstellende diezelfde Kenneth Vermeer, opgehangen aan een strop.
Het positieve aan de daad van deze supporter is dat het aantoont dat je voor IS-achtig gedrag helemaal geen moslimextremist nodig hebt. Tenzij het hier een moslimextremist betrof, maar dat lijkt me sterk want Ajax is, naar ik altijd begrepen heb, een Jodenclub. Daarbij zou hij dan wel een pop met gebleekt háár hebben opgehangen, vermoed ik.
Je zou ook kunnen zeggen dat deze daad aantoont hoe dicht baldadigheid bij gruwelijkheid ligt. Of bij wansmaak.
Het meest waarschijnlijk is dat het hier om een jongen gaan die zo onzeker is dat hij zichzelf overschreeuwt. Het Ard van der Steur model.
Hoe dan ook.
Na afloop van de wedstrijd werd Kenneth Vermeer geinterviewd door NOS verslaggever Jeroen Gruter. Een interview dat ik met stijgende verbazing aanhoorde omdat het leek alsof Gruter een cursus tranen trekken had gevolgd bij Natasja Froger, de moeder aller emo tv.
Het voornaamste wapen van de emo-interviewer is: blijven benadrukken hoe erg het allemaal is. Ook al ontkent de geinterviewde of zegt hij dat het wel mee valt: gewoon ijzereheinig doorgaan; er komt altijd wel een moment dat hij of zij breekt, al was het maar om van dat kutinterview af te zijn. Dan is het een kwestie van je mond houden, empathisch ja knikken en inzoomen op de tranen.
Dat probeerde Gruter ook.
Ik heb de vragen even achter elkaar gezet:
Hoe ís het met je?
Wat is er allemaal niet over je heen gegaan?
Hoor je de spreekkoren als je in het veld staat?
Maar kun je dat echt van je af laten glijden?
Toch kan ik me voorstellen dat het onder je huid kruipt?
Heb je ook het verhaal gehoord van die pop die ze hebben laten hangen?
Je hebt het gezien?
Ik kan me voorstellen dat het je ontzettend veel doet, want dit zijn ook de mensen die jou hebben toegejuicht in het verleden.
Doet het dan nog iets met je of is er zoiets van: nou ja laat maar?
Waar moet het naar toe op deze manier?
Het lukte niet. Vermeer begon niet te huilen. Sterker, hij gaf geen krimp. Het was duidelijk dat hij geen zin had om er veel woorden aan vuil te maken.
Heel verstandig: aan dit soort hooligans moet je zo min mogelijk aandacht besteden.
Waarschijnlijk vindt Jeroen Gruter dat zelf ook, maar hier openbaart zich de spagaat van de verslaggever: hij wil een opzienbarend interview maken. Hij wil ophef.
Zo werkt het nou eenmaal in de wereld van het nieuws: ook al vindt iedereen dat je er beter geen aandacht aan kan besteden, toch zal het er vandaag in iedere krant, in ieder radioprogramma, in elke talkshow op tv over gaan.

De drang om te scoren is nou eenmaal groter dan de drang om iets verstandigs te doen getuige ook deze column.

2/04/2016

The voice of Donald

Dit weekend was de finale van the Voice of Holland.
Het is prachtig gemaakt: de presentatoren zijn sympathiek, de deelnemers zingen goed, de jury is enthousiast, het is spannend.
En toch is er iets aan het programma dat me niet bevalt.
Het ronkende; de staande ovaties, het applaus na iedere uithaal, de tranen, de grote woorden van de juryleden die dingen zeggen als ‘dit is van internationale klasse’ of ‘een stemgeluid dat ik nog niet eerder heb gehoord’; of ‘je bent een ster’.
Dit keer was er ééntje die daar niet aan mee deed, Anouk, wat ik een verademing vond, maar toch: als je de rest van de jury moet geloven zijn er dit jaar weer minstens vijf zangers of zangeressen opgestaan die een wereldster gaan worden. Terwijl de werkelijkheid is dat er iedere vijf jaar hoogstens één flauw sterretje van het kaliber Jamai op staat. Vroeger had je Albert Mol; dat was een soort Jamai, die was ook steeds op tv maar je vroeg je altijd af: wat kan ie nou eigenlijk?
Laatst zag ik The corporation; een documentaire die gaat over de macht van bedrijven en ergens zegt de econoom Friedman: Bedrijven kunnen monsterlijk zijn, maar de mensen die er in werken heel vriendelijk.
Toen moest ik aan de Voice denken.
De mensen die eraan meedoen zijn sympathiek, maar het programma is dat niet. Het programma is een monster. Het gaat over lijken.
Als het voor de kijkcijfers beter is dat mensen sympathieke dingen zeggen, dan zeggen ze sympathieke dingen.
Een paar jaar geleden was dat nog andersom: toen presenteerden talentenjachten het liefst vals zingende deelnemers zodat ze afgezeken konden worden door Gordon. Toen scoorde onsympathiek beter.
Mijn probleem is dus: er worden woorden gebruikt, er worden beloftes gedaan  maar ze betekenen niks. Ze passen in een formule, als het routineuze gekreun van een actrice in een goedkope pornofilm.
Hetzelfde zie je bij de Amerikaanse verkiezingen; ook daar betekenen woorden helemaal niets.
Donald Trump zegt: “Ik ga een grote muur bouwen op onze zuidelijke grens en ik laat Mexico ervoor betalen’.
Iedereen weet dat dat nooit gaat gebeuren, maar het scoort dus zegt ie het. Nu hij net niet heeft gewonnen in Iowa betekent dat alleen maar dat hij nog raardere dingen gaat zeggen.
In de Nederlandse politiek zie je het ook: Wilders heeft het over een nepparlement, maar zit er wel in. Hij weet zelf ook wel dat die twee dingen elkaar uitsluiten, maar dat geeft niet: hij staat hoger in de peilingen dan ooit.
Het lijkt er op dat de koppeling tussen de woorden die we gebruiken en hun betekenis definitief is los gelaten.
En het lijkt er op dat het publiek dat niet erg vindt. Het is een raar soort machocisme: je weet dat de verkoper uit zijn nek lult als hij zegt dat de auto van een oud omaatje is geweest en altijd in de garage heeft gestaan, maar je koopt hem toch.
The Voice of Holland, Wilders, Donald Trump; het is allemaal hetzelfde: ze beweren dingen omdat het ze goed uitkomt, niet omdat ze waar zijn.



1/27/2016

Rechtszaak

Gisteren bezocht ik voor het eerst van mijn leven een rechtszaak. Omdat mijn nieuwe roman (wellicht) om een rechtszaak draait.
Bij de ingang van het gerechtsgebouw moest ik riem en horloge af doen en mijn andere spullen in een bakje leggen dat door de scanner werd gehaald.
Daarna liep ik door een detectiepoortje en meldde me bij de portier.
Toen ik er net stond, kwam er een agent binnen. Hij liep langs het detectiepoortje en zei tegen de portier: ‘Wapen hoeft niet af, toch?’
De man knikte en drukte op een knop waardoor de draaideur ontgrendelde.
Stel dat het een verklede terrorist is, dacht ik.
Even later liep ik de trap op naar de eerste verdieping, ging zitten op een zwarte bank en nam het gebouw in me op. Het was licht;  één wand bestond helemaal uit glas, de muren waren bekleed met berkenhout, de plafonds waren wit. Af en toe ging er een deur van een zaal open en kwamen er wat mensen naar buiten: een jongen van een jaar of zestien met zijn moeder en hun advocaat; een man met trainingsjasje en zijn advocaat; een groep van zeven mannen en vrouwen, waarschijnlijk familieleden van een verdachte.
Iedereen praatte op gedempte toon; mensen namen afscheid, advocaten hingen hun toga aan de kapstok. Geen opwinding. In de rechtszaal gaat het om feiten. De emoties, vaak de veroorzaker van de ellende, zijn achtergebleven op de plaats delict.
Toen werd ik binnengeroepen.
De verdachte zat met haar rug naar het publiek dat alleen uit mij bestond.  Ze had een roze jasje aan en een wit mutsje op.
Voor haar zaten drie rechters, een griffier, een officier van justitie; schuin achter haar zat haar advocaat; naast haar de tolk. Bij de ingang twee politie-agenten. Beschaving kost een boel geld.
Het bleek te gaan om drugssmokkel.
De (Portugese) vrouw (23) was op 10 november op Schiphol opgepakt met 5 kilo cocaine in haar rugzak. Haar verklaring was dat ze verliefd was geworden op ene meneer Lopez in Costa Rica, die haar onder druk had gezet om de cocaine mee te nemen. Ze wilde het eigenlijk niet, maar had geen keuze.
De rechters vroegen door over die meneer Lopez: wat deed hij voor werk; had hij zussen, broers, waar woonde hij precies? Ze wist het niet.
Daarna begon de rechter over haar telefoon: ze had gezegd dat ze regelmatig met Lopez belde, maar uit onderzoek was gebleken dat er de afgelopen maanden helemaal niet met de telefoon gebeld was. Haar verhaal werd steeds ongeloofwaardiger.
De officier eiste 38 maanden. De vrouw begon te huilen Daarna kreeg haar advocaat het woord: hij zei dat ze vooral naief was geweest. Hij had nog nooit meegemaakt dat een client geen enkele moeite deed om de cocaine te verbergen; ze had de pakketten zo in haar rugzak gedaan. Hij zei dat ze geen strafblad had, dat ze pedagogiek studeerde, dat ze geen schulden had, dat haar moeder helemaal naar Nederland was gekomen om een goed woordje voor haar te doen, dat haar zusje een lange brief had geschreven, dat niemand begreep waarom ze het gedaan had.
Ik realiseerde me hoe lastig het beroep van rechter is: wat laat je zwaarder wegen: regels of menselijkheid?
Toen de advocaat klaar was vroeg de rechter of de verdachte nog iets wilde zeggen. Tussen het snikken door zei ze dat ze een enorme fout had gemaakt en dat ze daar vreselijke spijt van had.
Misschien was dat wat me het meest ontroerde: je doet alles goed; je maakt één keer een fout en alles is verloren.


1/11/2016

Bowie

De eerste keer dat ik een nummer van Bowie hoorde was aan de rand van een zwembad van een grote, slecht onderhouden villa in Vught, het dorp waar ik vandaan kom.
Ik zal een jaar of vijftien geweest zijn en ik was een echt Vughts jongetje: ik droeg ribbroeken, een coxmoore V-hals trui, mijn haar zat in een scheiding, ik zat op hockey, op MOP, dat staat voor Maakt Onderling Plezier. De kinderen waar ik mee omging heetten Lodewijk, Bart Jan en Bernadette.
Ik weet eerlijk gezegd niet meer precies wat voor muziek ik draaide in die tijd, ik geloof, Earth Wind and Fire, Eagles en Abba, stiekum dan.
Ik zat op een hele grote school met zestienhonderd leerlingen en op een dag zoemde er een gerucht rond: er was een nieuwe jongen op school. A new kid in town.
Nou kwamen er wel vaker nieuwe jongens op school, maar deze was anders: hij droeg oude colbertjes, sjaaltjes, hij rookte sjek, hij hield niet van hockey, maar van toneel spelen. En hij woonde niet meer bij zijn ouders in Utrecht, maar bij zijn tante: een Frans sprekende dame die haar sigaretten door een zilveren pijpje rookte en die in een weliswaar enorm, maar volledig vervallen villa met zwembad woonde.
Kortom, wij, brave, Vughtse jongetjes keken onze ogen uit.
Ik was dan ook stomverbaasd toen deze jongen mij op een dag vroeg of ik met hem in een band wilde spelen. Achteraf gezien denk ik dat het niet zozeer was omdat ik zo goed gitaar kon spelen, maar omdat ik een mooie versterker had.
Hoe dan ook, we spraken af om elkaar muziek te laten horen die we mooi vonden. En zo zat ik op een mooie zomeravond op het vervallen terras aan een zwembad dat al minstens een jaar niet was schoongemaakt te luisteren naar Wild is the wind.
En naar Ashes to ashes, en Heroes, en Cracked Actor en Stay.
Ik geloof niet dat ik het meteen mooi vond. Zoals dat gaat met dingen die vernieuwend zijn: je moet er aan wennen, je kent het jargon nog niet: de zware, laag op laag gestapelde gitaren, de bombastische stem van Bowie, de theatrale manier van zingen, het was allemaal zo nieuw.
Maar het wennen ging snel; avond aan avond bleven we luisteren: station to station, the bewlay brothers, boys keep swinging, ricochet, china girl.
Ik begon verslaafd te raken, ik kocht zijn platen, ik kocht de popfoto en de popshop, ik begon andere kleren te dragen, ik leerde sjekkies te draaien.
De luiken van mijn bekrompen leven gingen open: Bowie had een soort grenzeloosheid die me het gevoel gaf dat alles mogelijk was.
Ik geloof dat er in een leven een paar bepalende momenten zijn, momenten waarop je een inzicht krijgt, waarop je een besluit neemt.
Die zomer was voor mij zo’n moment: ik begreep dat ik geen jurist wilde worden, arts of advocaat. Ik begreep dat ik moest doen waar ik van droomde. Of zoals Bowie het zong in Changes: just gonna have to be a different man.

1/06/2016

De nieuwe tijd

Er zijn mensen die het faillissement van V&D vreselijk vinden omdat er een oer Hollands bedrijf is omgevallen. Ik niet. Elk bedrijf valt een keer om, de VOC is ook omgevallen, zo gaan die dingen. Er staan ook altijd weer nieuwe oer Hollandse bedrijven op zoals ASML in Eindhoven bijvoorbeeld.
Een crisis is niets anders dan de overgang van een oude naar een nieuwe tijd. Het is een voorjaarsstorm, oude bomen vallen om, nieuwe krijgen een kans.

Op televisie volg ik de prachtige serie Downton Abbey, over een adellijke familie in Engeland in het begin van de twintigste eeuw. Het spook van de crisis waart ook daar rond.
Wat de serie onder andere zo geweldig maakt is dat het laat zien dat verzet tegen de nieuwe tijd zinloos is.
Dat wordt geillustreerd door kleine opmerkingen, bijvoorbeeld door de oude lady Grantham die tussen neus en lippen opmerkt dat ze het belachelijk vindt dat ze elektrisch licht hebben genomen. Kaarsen waren toch veel beter.
Of butler Carson die het onbegrijpelijk vindt dat er een telefoontoestel in Downton Abbey komt. Waar is dat in godsnaam voor nodig?
Zaken die volkomen vanzelfsprekend zijn vandaag de dag, maar waartegen mensen zich ooit hevig verzet hebben.
In die zin vind ik het ook wel confronterend: tegen welke vernieuwingen verzet ik me? En hoe lachwekkend zal dat over honderd jaar blijken te zijn?
Ik zet nog steeds niets op Icloud, omdat ik het een ongemakkelijk idee vindt dat mijn documenten niet op mijn computer staan.
Ik vind twitter een onzinnig medium.
Ik typ berichtjes op mijn mobiele telefoon in met mijn rechterwijsvinger. Daar wordt ik door mijn kinderen nu al om uitgelachen.
Ik heb geen elektrische auto omdat dat volgens mij een milieufreakerige dwaling is: accu’s zijn het nieuwe asbest.
Het is lastig te zien wat onzin is en wat niet als je er middenin zit.

Er is een mooie uitspraak van Michael Gorbatsjov die ik ook gebruikt heb als motto voor mijn laatste roman, Paradise Village: “Ik geloof dat slechts zij in gevaar zijn die niet reageren op het leven’

Of deze, van mijn jeugdheld David Bowie die vorige week op zijn zeventigste nog maar eens een prachtig album uitbracht: Ch ch ch ch Changes, turn and face the stranger.
Nogal actueel ook:  draai je om en kijk de vreemdeling in de ogen.
Over die vreemdeling en de nieuwe tijd gesproken: ik heb mijn twijfels bij het toelaten van zoveel mensen uit een andere cultuur. Niet omdat ik ze geen vrede gun, maar omdat ik me niet kan voorstellen dat iemand die van kindsaf aan heeft geleerd dat vrouwen minderwaardig zijn en dat homoseksuelen dood moeten, die denkbeelden ineens van zich af schudt.
Maar ik ben me ervan bewust dat deze opmerking een hoog Lord Grantham gehalte heeft. De nieuwe tijd walst over ons heen. Ook ik moet het onder ogen zien. I got to face the stranger.
Ik doe mijn uiterste best om geen V&D te worden.


12/03/2015

Despoten

Je moet de moderne terroristen een ding meegeven: ze hebben ons in een klap uit ons nihilisme getrokken. Het gaat weer ergens om, we moeten weer ons afvragen wat goed is en wat fout; aan welke kant we zelf staan.
Zoals de economische crisis van 2008 naast faillissementen en ellende ook prettige neveneffecten had. Bijvoorbeeld dat je in een winkel weer eens het idee had dat je welkom was. Of dat je op de A2 tussen Utrecht en Den Bosch ook harder kon dan 30 kilometer per uur.
Het probleem van het westen is dat onze verworvenheden de afgelopen decennia, bereikt zijn door soepeler te worden. Mensen mogen demonstreren, vrouwen mogen werken, homo’s mogen hand in hand lopen. Het is allemaal bereikt door mensen méér vrijheid te geven.
En de groepen die we die vrijheid gaven pakten het met beide handen aan.
Ik vind dat een enorme verworvenheid, al denk ik soms ook wel eens: moet dat nou. Niet zolang geleden werd in het programma Spuiten en slikken een homostel gevolgd tijdens hun sexuele escapades en de voorbereidingen daarvan. We zagen hoe de heren een klismaatje namen, daarna de boel schoonspoten met een anaal douche, om uiteindelijk van zeer dichtbij getuige te zijn van de copulatie die zich voltrok in een tempo en ritme dat ik alleen van parende konijnen in natuurfilms ken.
Maar goed, vrijheid voor alles, ik had de tv ook uit kunnen zetten.
Nu echter hebben we te maken met mensen die juist tegen vrijheid zijn en dat is iets nieuws. Althans, relatief nieuw, want zo lang geleden is de tweede wereldoorlog nou ook weer niet.  
Maar toch, degenen die de oorlog hebben meegemaakt zijn oud, de rest  is gewend om dingen pratend op te lossen.
Zo gaan we in Nederland ook om met Russische vliegtuigen die ons luchtruim wekelijks schenden: bijven praten, niet laten escaleren.
Erdogan lost dat heel anders op: hij schiet zo’n vliegtuig gewoon uit de lucht.
Om eerlijk te zijn dacht ik toen het gebeurde: die daadkracht, die doortastendheid zouden we hier goed kunnen gebruiken. Iets meer dictator, iets minder netjes.
Boeven bestrijd je met boeven.
Ineens voelde ik een soort nostalgie opborrelen naar sterke mannen.
Stel dat de Gaulle nog had geleefd, hoe veel geloofwaardiger had de oorlogsverklaring van Frankrijk dan geklonken?
Wat als Ronald Reagan, de man die zo ongeveer in zijn eentje het communisme op de knieen kreeg, nog president was? Hij had wel raad geweten met die hooligans van IS.
Waar is Norman Swarzkopf toch?
Ieder volk krijgt de leider die het verdient, is het gezegde. Volgens mij moet dat zijn: iedere tijd krijgt de leider die het verdient. Ik denk dat de dagen van Rutte en Hollande geteld zijn. Ik denk dat we een periode krijgen met al dan niet verlichte despoten. Dat is geen prettig vooruitzicht, maar misschien wel noodzakelijk.
            De luxe van principieel zijn zonder dat daar konsekwenties aan zitten is voorbij. Oorlog is een smerige zaak, vrede bewaren ook.


10/27/2015

Vlees

Bewerkt vlees staat sinds gisteren op de lijst van kankerverwekkende stoffen.
Samen met asbest en roken.
Toen ik het las schrok ik, ook al wist ik niet precies wat bewerkt betekende. Mij lijkt vlees altijd bewerkt, tenzij je bij het avondeten een hele koe met huid en haar op je bord legt.
Het bleek te gaan om vlees waaraan stoffen zijn toegevoegd voor de smaak of voor de houdbaarheid.
Kort gezegd: al het vlees.
Onmiddellijk struinde ik het internet af naar het hoe en waarom. Daarbij stuitte ik op hoogleraar moleculaire epidemilogie, Weijenberg, die, wat mij betreft tevergeefs, sussende woorden probeerde te spreken. Hij zei: je krijgt niet direct kanker als je één keertje bewerkt vlees eet.
Eén keertje?
Ik eet drie keer per week bewerkt vlees. Ik rekende het snel uit: drie keer 52 weken maal vijftig: ik heb in mijn leven zo’n 8000 keer bewerkt vlees gegeten.
Het is een wonder dat ik nog leef.

Mijn ongerustheid sloeg, naar goed Nederlands gebruik, om in woede. Hoe kon dit zo lang onder de pet gehouden zijn? Hoe was het mogelijk dat ze daar nu pas achter kwamen? Dit was groter, veel groter, dan dieselgate. De verantwoordelijken moesten voor het gerecht. Politici moesten gestraft worden. Zo doen we dat hier. Ik wilde raadsvergaderingen; ik wilde mensen uitschelden, ik wilde middelvingers opsteken.
Tot ik me realiseerde dat het onderzoek dat vleeseters hufters zijn, was verzonnen door Diederik Stapel en mevrouw Vonk.
Dus ik hoefde me gelukkig helemaal niet kwaad te maken.

Ik realiseerde me nog iets: dat het maar een onderzoekje was. En met wetenschappelijk onderzoek is het heel eenvoudig: binnen een paar jaar wordt het tegendeel bewezen.
Ik geef het een jaar of vijf, dan is er vast weer een wetenschapper die aantoont dat bewerkt vlees juist goed is tegen kanker.
Zoals je vroeger maar één ei per week mocht omdat er teveel cholestorol in het eigeel zou zitten, tot iemand ontdekte dat in het eiwit nou juist weer een stof zat die de cholestorol afbreekt. Dus nu mag je er weer gewoon drie per dag.

Wetenschap is in zekere zin een geloof, een aanname die stand houdt tot iemand iets anders vindt. Dan geloof je dat weer.
Dat doet de kerk toch beter: die zorgt gewoon dat er geen nieuw onderzoek komt.

Er is, bedacht ik me, nog een mogelijkheid: namelijk dat het onderzoek betaald is door de anti vlees lobby, door wakker dier, door een sojabonenproducent.
In mijn jeugd waren er door de overheid betaalde reclamespotjes van Joris driepinter die ieder kind op het hart drukte drie glazen melk per dag te drinken. Tot bleek dat dat helemaal niet gezond is. Het onderzoek was betaald door een melkproducent.
Ik besloot om me er niet meer over op te winden.  Al kocht ik voor de zekerheid wel kabeljauwburgers in plaats van rookworst.

Over een maand zal wel weer blijken dat je daar impotent van wordt.

9/14/2015

Verval

Ik bracht vanochtend mijn dochter naar het station.  Ze ging met de klas naar Parijs. Met de Thalys.
Terwijl ik haar uitzwaaide zag ik beelden voor me van gemaskerde mannen met kalashnikovs en ik moest denken aan de tijd dat ik studeerde in Groningen en eens per maand de trein nam vanuit Den Bosch. Steeds als we in de buurt van Beilen kwamen en de trein afremde voor die grote bocht sloeg de angst toe. De enkele keer dat  de trein helemaal tot stilstand kwam, wist ik het zeker: we zijn gekaapt.

De terreurbeweging RMS bestond uit jonge Molukkers die, zeer terecht, teleurgesteld waren in hoe Nederland hun en hun ouders had behandeld. Zij vonden dat Nederland haar belofte na moest komen, namelijk een eigen staat op het eiland Ambon. Toen duidelijk werd dat dat niet ging gebeuren zochten zij hun heil in geweld.
Terreurgroepen proberen iets vast te houden wat aan het wegglijden is. Ze voeren een achterhoede gevecht, want uiteindelijk worden ze ingehaald door de veranderingen waartegen ze zich verzetten.
Of het nou gaat om de IRA, de ETA, de RAF, de FARC of IS.
Hoe heilig het doel ook: het vergaat ze zoals het alles vergaat in het leven: eerst is er de opkomst, dan de bloei, het verval en soms de wedergeboorte.
Het jammere is alleen dat je ze op het verkeerde moment kan treffen.
Ik appte mijn dochter dat ze het beste onder de bank kon duiken, mocht er iemand met een pistool gaan zwaaien.

Op mijn kantoor las ik over een interview met Felix Rottenberg waarin hij uithaalt naar partijleider Samsom.
Ook een duidelijk symptoom van verval: mensen gaan elkaar in het openbaar de schuld geven.
De Partij van de arbeid gaat ten onder aan haar eigen succes. De arbeider is geemancipeerd, er is een minimumloon, een ziektekostenverzekering, kinderarbeid is afgeschaft.
Wat heeft het nu nog voor zin om PvdA te stemmen?
Ik vind dat Samsom en in zijn kielzog Dijsselbloem en Asscher dat goed hebben aangevoeld: zij willen de partij veranderen. Ik vond het moedig dat ze besloten samen te werken met de gezworen vijand, de VVD, en niet bleven hangen in principes.
Rottenberg wil terug naar vroeger, naar het socialisme van de jaren vijftig/zestig, de onaantastbare dogma’s en is daarmee in feite reactionair. Net als Hans Spekman.
Ze weigeren te aanvaarden dat de wereld veranderd is.

Michael Gorbatsjov heeft daar iets moois over gezegd: ‘Ik geloof dat slechts hij in gevaar is die niet reageert op het leven.’

Bij het Nederlands elftal zie je hetzelfde.
Ook hier lopen allerlei Rottenbergs rond die vinden dat Nederland altijd aanvallend moet spelen, ongeacht de kwaliteit van de eigen spelers of die van de tegenstander.
Maar de wereld is veranderd. De gouden generatie wordt oud; de nieuwe is er nog niet klaar voor. Zo gaat dat nou eenmaal. Niks om je over op te winden, hoogstens een reden om met melancholie terug te denken aan de vorige twee WK’s. En je ziel in leidzaamheid bezitten: op een dag gaan we weer winnen. We zijn aanbeland in de stilte tussen twee delen, de stilte tussen het adagio en het andante.
Teleurgestelde fans van het Nederlands elftal raad ik aan voorlopig even een andere sport te kiezen: atletiek of wielrennen.
Sowieso is enig opportunisme als fan van wel handig. Feitelijk moet je doen wat beurshandelaren doen: instappen als er nog groei in zit, uitstappen vlak voor het voorbij is. Rucksichtlos zijn.

Verval zie je ook bij U2 dat vanavond optreedt in Amsterdam. Of, vooral bij Bono wiens Messiaanse imago aan slijtage onderhevig is. Weer die preek, weer dat beroep op solidariteit dat ongeloofwaardiger klinkt met elk miljoen aan ontweken belasting.
Maar ook nu weer: geen reden om boos te worden, of teleurgesteld te zijn. Reden om hun muziek nog eens op te zetten: Still haven’t found what I’m looking for; In the name of love, Vertigo.
En ook geen reden om ze helemaal af te schrijven. Soms lukt het mensen om zichzelf opnieuw uit te vinden. David Bowie kwam anderhalf jaar geleden nog met een prachtig album terug na tientallen jaren van creatieve stilstand.
Freek de Jonge’s laatste programma was retegoed.

Toen ik alle kranten gelezen had, de was in de machine had gestopt, het huis had opgeruimd, de ramen open en dicht had gedaan, kreeg ik een appje van mijn dochter: ze was veilig in de jeugdherberg aangekomen.

Morgen gaat ze naar de Eiffeltoren. Het wordt daar goed bewaakt, heb ik gehoord.

9/10/2015

Kunst kijken

Ik besloot vanochtend om kunst te gaan kijken.
Dat is misschien het enige positieve aan iemands dood: het vraagt aandacht voor zijn leven en werk, dus toen ik een fragment van DWDD zag waarin Joost Zwagerman bevlogen vertelt over kunst, besloot ik kunst te gaan kijken

Ik ging naar het Frans Hals museum dat op vijf minuten lopen van mijn kantoor ligt, maar waar ik nog nooit geweest was.
Gek is dat, ik woonde zeventien jaar in Amsterdam maar ging niet een keer naar het Rijksmuseum. Mensen reizen duizenden kilometers om de nachtwacht te zien, maar ik ging pas toen ik eenmaal verhuisd was.
Kennelijk heb je afstand nodig om iets wat dichtbij ligt te kunnen zien.

Ik ben geen kunstkenner. Ik ga graag naar musea, maar vooral voor de sfeer. Het lijkt wel alsof  alles en iedereen in de nabijheid van een meesterwerk zich anders gedraagt. Alsof de grootsheid van een kunstwerk ons nederiger maakt, bescheidener, vergevingsgezinder. In een museum hangt een beetje de sfeer die je ook treft in een kathedraal. Mensen zijn ingetogener, onder indruk.

Ik geniet ook altijd van de architectuur van musea. Ik hou van de grote zalen, het licht, de mooi materialen.
Deze zomer was ik in het Guggenheim in NY: van de collectie herinner ik me weinig, van het gebouw des te meer. In die zin is het eigenlijk niet zo’n goed museum, want het gebouw overschaduwt de kunst.

Dat is niet het geval bij het Frans Hals museum dat middenin het centrum van Haarlem ligt. Het gebouw is een carré met in het midden een tuin.

Waarschijnlijk ten overvloede: Frans Hals schilderde vooral mensen. Portretten, schuttersstukken.
Wat hem zo anders maakt dan zijn tijdgenoten is de manier waarop hij zijn hoofdpersonen neerzet. Ze staan niet netjes in het gelid, ze poseren niet, wat in die tijd gebruikelijk was. Hij pakt zijn onderwerpen op een onbewaakt ogenblik, als iemand net opzij kijkt, als iemand een stuk vlees snijdt.
Hij maakt snapshost. In feite doet hij aan streetphotography. Ed van der Elsken avant la lettre.
Zijn werk is heel vrij, heel Hollands dus, want de Republiek was de plek waar alles gezegd en geschreven mocht worden.
Zijn werk is ook Hollands omdat het een nivellerend karakter heeft. Hij maakt zijn onderwerpen menselijk, herkenbaar, juist niet verheven.
Alsof hij wil zeggen: Je mag dan wel regent zijn, maar je bent ook maar een mens.
Ik stel me voor dat dat in die tijd nogal revolutionair was. Een officier die zichzelf terug ziet op het moment dat hij om meer wijn vraagt.

Maar kennelijk werd het gewaardeerd, want hij was bekend en verdiende goed. Sterker, hij werd betaald door de mensen die hij zo vrij afbeeldde.
Als je nu een foto wil plaatsen van Marco Borsato mag je alleen de zorgvuldig geregisseerde studiofoto’s gebuiken anders krijg je een proces aan je broek.
Linda de Mol zit uren in de grime voor een fotoshoot en bepaalt daarna zelf welke foto’s wel en welke niet gebruikt mogen worden. In die zin was de zeventiende eeuwse elite een stuk ruimdenkender dan die van nu.

Ook in zijn techniek zit iets vrij’s, iets slordigs bijna. Hij mengt de kleuren niet, hij zet ze naast elkaar. Slordigheid heeft iets bescheidens in tegenstelling tot perfectie. Hals manier van schilderen brengt de personen tot leven. Een perfect geschilderd stilleven is juist dood.
Geen wonder dat tweehonderd jaar later de impressionisten zich lieten inspireren door Hals. Vincent van Gogh was een groot bewonderaar.
En dat terwijl in de eeuw daarvoor Hals’ werk in de vergetelheid was geraakt In de achttiende eeuw kon je voor een habbekrats een Hals kopen.

Mijn bezoek aan het museum duurde drie kwartier; het lukt me niet om eindeloos naar een schilderij te kijken, ik heb te weinig geduld voor een kunstkenner.
Toen ik buiten kwam scheen de zon. Ik liep langs het Spaarne, langs het Teylers, via de Bakenessergracht naar de Zijlstraat.
Langs dezelfde huizen waar ooit Frans Hals liep en, tot gisteren, Joost Zwagerman.


9/08/2015

Vluchteloos

Vijf jaar geleden, tijdens de  Arabische lente, werd het beeld geschetst dat als de dictators, Mubarak, Khadaffi, Ben Ali, maar eenmaal verdreven waren door het volk, alles beter zou worden.
Er was vooral oog voor de goede kanten van de revolutie.
En het was ook ontroerend en aanstekelijk: de onverzettelijkheid, het enthousiasme, het geloof in elkaar. Maar het was ook naief om te denken dat er alleen maar een grote boze leider was en een brandschoon, vredelievend volk. Dat was niet de werkelijkheid, dat was wat we wilden zien.
Er is niet één volk, er is juist vooral tegenstelling: tussen verschillende geloven, binnen een geloof, tussen mannen en vrouwen, rijk en arm, boer en hoogopgeleid, tussen stammen.  
Een gemeenschappelijke vijand verbroedert, maar hoed je voor de dag dat de vijand eenmaal verslagen is.
Toen Mubarak uiteindelijk verdwenen was, danste een zgn Egypte kenner, op de tafel bij Pauw en Witteman die er vrolijk bij zaten te lachen.
De droom die zo zorgvuldig gecreeerd was door journalisten, kenners en ons, goedgelovige, niet zo goed ingelichte Westerlingen, was uitgekomen. Het sprookje dat we zo graag wilde zien, was waarheid geworden.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

Ik zie hetzelfde nu weer gebeuren.
De hartverscheurende beelden uit Syrie, Irak of waar ook ter wereld waar het oorlog is, maken dat we iets zien dat er niet is: DE vluchteling.
Op het gevaar af een soort GBJ Hilterman te worden, wil ik toch een paar kanttekeningen plaatsen bij dat beeld van DE vluchteling.
Ten eerste: vluchtelingen zijn niet allemaal gezinnen met kleine kinderen die uit een platgebombardeerd dorp komen, die niet te eten hebben en die geen keuze hebben.
Vluchtelingen zijn niet allemaal straatarm
Vluchtelingen zijn niet allemaal vredelievend
De meeste vluchtelingen spreken alleen Arabisch.
Sommige vluchtelingen houden hun vrouw liever binnen.
De meeste vluchtelingen houden niet zo van homo’s.
Sommige vluchtelingen koesteren sympathie voor IS.
Sommige vluchtelingen zijn oorlogsmisdadiger.

Hoewel de emotie ongetwijfeld oprecht is en de bedoelingen goed: mensen die in een opvangcentrum in Apeldoorn een welkomstliedje voor de aanstaande vluchtelingen instuderen zijn naief. Net als BN-ers die op tv zeggen dat het nu eindelijk tijd wordt om iets te doen en hun zolder opschilderen zodat er een vluchteling kan wonen. De grens tussen ijdelheid, oprecht medeleven en bekrompenheid is soms lastig te trekken.
Ik was ook enorm geraakt door het beeld van dat jongetje op het strand, maar dat ontslaat me niet van de plicht om na te blijven denken over de gevolgen van mijn handelen.
Ik geloof dat ik daar het meeste moeite mee heb: de beeldvorming; de illusie dat als je oude kleren naar een vluchtelingenopvang brengt, je een deel van de oplossing bent.
Misschien ben je wel deel van een probleem dat je nog niet kan overzien.
Nu welkomstliedjes zingen betekent misschien over vijf jaar de PVV aan de macht. Of over tien jaar een verbod op korte rokjes.
Je emotie toelaten betekent niet dat je niet na hoeft te denken. Naief zijn is geen rechtvaardiging voor  beslissingen waarvan je de gevolgen niet kan overzien.
Er is niet één oplossing, want er is niet één probleem. Er zijn heel veel problemen.
En het grootste en meest confronterende daarvan is misschien wel dit: er zal altijd oorlog zijn. Er zal altijd onrecht zijn. Hoezeer we ook willen dat het niet zo is.


10/07/2013

Reünie 2


Er zijn twee groepen mensen die niet naar reünies gaan: mensen die zichzelf niet geslaagd vinden en mensen die zichzelf zo geslaagd vinden dat ze menen er geen tijd voor te hebben. De rest was er afgelopen zaterdag wel bij: de reünie van de jaren 79 tot 85 van het Groninger Studenten Corps.
Toen ik de hal van de societeit binnen kwam werd ik binnen een seconde weer mijn studententijd ingezogen. Niet zozeer door het gebouw dat nog hetzelfde was; niet zozeer door de mensen in de rij die ik na dertig jaar weer begroette, maar vooral door de geur. Geur roept meer dan wat ook herinneringen op. En zeker de geur van een studentensociëteit. Voor de mensen die er nog nooit geweest zijn: het is een melange van verschraald bier, kots, zweet en pis.
De vergankelijkheid hield zich op de achtergrond. Goed, sommige lijven hadden wat meer last van de zwaartekracht gekregen, maar verder viel het me op dat we er nog min of meer hetzelfde uitzagen.
Of was dat omdat er alleen mensen naar reünies gaan die zichzelf durven te tonen? Zat de rest met hangbuiken, gerimpelde hoofden en kale koppen thuis?
Zoals dat gaat met vrienden die je heel lang niet gezien hebt, gingen we verder waar we dertig jaar geleden waren opgehouden. Eigenlijk was het een normale kroegavond: er werd wat geschreeuwd, er werd gedronken, er werd wat geflirt, een paar kerels van vijftig hingen naakt in de kroonluchter: niks bijzonders. Of het moet zijn dat deze mannen inmiddels verantwoordelijke banen hebben, maar daar merkte je op deze avond in ieder geval niets van.
Dat is ook de charme van reünies: doen alsof er niets is veranderd; alsof de toekomst nog open ligt; alsof je nog steeds een belofte bent die ingelost gaat worden.
Of misschien moet je het zo zeggen: je bent iets kwijt, maar je doet even of het niet zo is.

10/01/2013

Dochters


Ze trokken de deur achter zich dicht
en gingen
om te doen wat moest gebeuren

Wij ruimden de tafel af
waar ze net nog aan zaten
We gooiden dingen weg
we stopten spullen in vuilniszakken

Toen er niks meer viel op te ruimen
gingen we zitten
en wachtten tot ze thuis kwamen

We telden af
maar we wisten niet waar we moesten beginnen

9/30/2013

Cavia


 
Gisteren liet de cavia zich voor het eerst in zijn zevenjarig bestaan zomaar aaien.Toen ik goed keek zag ik dat hij weinig keuze had: hij kon zich nauwelijks meer bewegen want zijn hele achterlijf was opgezwollen.
Vanochtend zat hij in nog steeds in hetzelfde hoekje en leek hij wel een ballon met pootjes, dus belde ik de dierenarts die me adviseerde het beestje in te laten slapen. Ik twijfelde even omdat het vijftig euro kostte; maar wat is vijftig euro op een cavialeven?
Daarbij, hij had het niet zo heel goed gehad bij ons. Hij zat alleen in een hok buiten (zijn maatje was twee jaar geleden overleden) en net zoals dat gaat bij een winkel die in zich niet in de centrale winkelstraat bevindt maar in het steegje ernaast, zo had hij ook niet erg veel aanloop. Zeker in de winter vergaten we hem regelmatig en kwam ik er pas achter dat hij geen eten meer had en dat zijn water bevroren was als ik, ‘s avonds laat, bibberend van de kou, de vuilniszak in de kliko deed.
Dus hem verder lijden besparen leek me het minste dat ik kon doen.
Ik deed handschoenen aan om hem op te pakken, bang als ik was dat hij onder druk van mijn handen zou ontploffen, en deed hem in een doosje. Hij piepte zachtjes, maar verroerde zich niet.
In de dierenkliniek werd hij op de tafel gezet en de dierenarts voelde meteen dat het mis was. ‘Hij heeft al moeite om zijn lichaamswarmte op peil te houden’, zei ze. Ik voelde het ook: hij was al koud. 
Ze pakte een injectienaald en spoot een rode vloeistof in zijn lijf. Ik vroeg me af of je met dat spul ook een mens zou kunnen doden, maar vroeg het niet.
Terwijl ik hem aaide en de arts een handdoekje over zijn achterlijf legde wachtten we samen op de dood. 
‘Het kan even duren’, zei ze.
We praatten wat over het vak van dierenarts, ik vroeg of een kip ook een huisdier was, en toen was het gebeurd. Ik had het verschil niet gemerkt. 
Ik deed de cavia weer in het doosje en liep naar de assistente om af te rekenen. 
Op de terugweg zag ik het leven van onze cavia als een film aan me voorbij trekken: hoe mijn dochter hem uitzocht bij de dierenwinkel; hoe hij eerst bij het konijn in het hok ging; hoe hij later, toen het konijn dood was, gezelschap kreeg van een zwarte cavia; hoe de kinderen hem in het begin met aandacht overlaadden; hoe die aandacht steeds minder werd; hoe hij de laatste jaren meestal in het donkere binnenhok zat. 
Toen ik thuis was groef ik een gat onder de bamboe, gooide hem erin en app-te mijn dochter dat de cavia was overleden.

9/17/2013

Paradise Village



Wat aan ons kleeft
raken we hier kwijt dacht ik
Als ramen die je tegen elkaar open zet
Als golven over het zand

Het landschap lag klaar 
de auto, het plan
Maar het lukte niet
het zat op onze schouder
het reisde mee