10/11/2012

Les Intolerables


Gisteren zag ik voor de tweede keer de film ‘Les intouchables’. De eerste keer had ik er enorm van genoten, maar ik las de afgelopen tijd in verschillende kranten dat de film rascistisch zou zijn. Dat was me niet opgevallen, maar zoals wel vaker moet je een film nog een keer zien om de diepere lagen te ontdekken.
En inderdaad: het is schandalig.
Een paar voorbeelden:
De gehandicapte, blanke hoofdrolspeler huurt een donkere meneer in om hem te verzorgen. Dat is natuurlijk wel erg stereotype: alsof alle blanke, rijke mannen van middelbare leeftijd nog steeds een soort slavendrijvers in maatpak zijn.
Het verschil tussen de twee is ook enorm: de donkere man woont in een achterbuurt; de blanke in een schitterend paleisje middenin Parijs. Hij heeft personeel in overvloed; huurt een vliegtuig als hij dat wil; rijdt een Maserati. Voorspelbaar. Ik ken meerdere blanken (toegegeven, niet veel) die geen miljonair zijn.
En dan dit: de man schrijft hoogdravende brieven aan een vrouw die hij enkel van het schrijven kent. Ondanks dat hij naar haar hunkert, durft hij geen afspraakje met haar te maken. Weer dat beeld van de introverte, blanke intellectueel die emotioneel op slot zit.
Hij heeft ook regelmatig last van hyperventilatie. Subtekst: blanke mannen zijn het contact met hun oorsprong kwijt.
Vervolgens geeft hij veertigduizend euro uit aan een schilderij dat bestaat uit een paar klodders verf; weer het beeld van een hoogdravende, blanke kunstkenner. Als dan ook nog blijkt dat hij alleen maar van klassieke muziek houdt is het vooroordeel compleet: een blanke man kan niet dansen.
Nou is dat in zijn situatie sowieso lastig omdat hij in een rolstoel zit.
Dat vond ik eerlijk gezegd ook nogal denigrerend: die link tussen zijn handicap en het feit dat hij sympathiek was. Het leek er op dat de regisseur wilde zeggen: hij is sympathiek OMDAT hij in een rolstoel zat. Alsof een blanke, rijke man zonder handicap niet sympathiek zou kunnen zijn.
Sommige mensen ontlenen hun identiteit aan het signaleren van racisme.

9/24/2012

Reünie


Het gebouw was nieuw, maar de weg er naartoe was hetzelfde gebleven: het kruispunt met de N 65, het fietspad langs Regina Coeli; de parkeerplaats.
Ik vroeg me af hoe vaak ik die weg gefietst had; naar en van school. Ik kwam op anderhalf duizend keer, maar rekenen is nooit mijn sterkste vak geweest.
Ik vroeg me ook af wat ik allemaal dacht onderweg en realiseerde me weer eens dat alles wat je niet vastlegt gewoon verdwijnt. Misschien is dat wel de essentie van een reünie: dat je samen probeert vast te houden wat aan het wegglijden is.
De mensen die ik sprak waren gaan doen wat in de lijn van mijn verwachting lag: het knapste meisje van de klas was met een expat getrouwd; de jongen die vroeger altijd de sterkste wou zijn zat nu in het vastgoed; het dromerige meisje deed iets met concepten.
Ik realiseerde me hoezeer je op de middelbare school al samenvalt met wie je later bent.  Alsof je in de jaren daarna alleen maar  ‘aangescherpt’ wordt. Het voelde vertrouwd, alsof we doorgingen waar we dertig jaar geleden waren opgehouden.
Er werden foto’s gemaakt, nummers uitgewisseld, er werd gepraat over mensen die er niet waren. Omdat ze niet konden, of omdat ze onvindbaar waren of dood (omgekeerd zag ik iemand lopen van wie ik zeker wist dat ze allang overleden was).
Nostalgie is er alleen voor mensen die het zich kunnen permitteren.
Later op de middag was er in het muzieklokaal een aparte bijeenkomst van het voormalige popkoor. Toen we, for the sake of all time, schoorvoetend probeerden ‘When I’m sixty four’ te zingen, bleek  iedereen, binnen een paar maten, zijn partij nog uit het hoofd te kennen. Is het geheugen willekeurig of onthou je juist wat je belangrijk vindt?
Toen ik naar huis ging was het al donker. Ik liep langs het veldje waar vroeger de noodlokalen van gang acht stonden, langs de snackbar die vroeger Tien Plus heette naar mijn auto. Iets verderop stonden een jongen en een meisje te zoenen. Het was alsof het erbij hoorde.

9/13/2012

Democratie


De neergang van Wilders is volgens velen zijn eigen schuld: hij had niet moeten breken; hij had zijn campagne niet moeten terugbrengen tot één item; hij had zijn partij beter in de hand moeten houden.
Ik denk dat het verlies van Wilders  vooral een overwinning is van zijn collega politici. Niet omdat ze inhoudelijk sterker waren; niet omdat ze betere debaters waren, maar wel omdat ze hebben besloten geen cordon sanitair te vormen.
Daarom is het ook een overwinning van de journalistiek.
Overal, in de tweede kamer, op radio en TV, mocht Wilders mensen beledigen en groepen in de samenleving wegzetten. Nooit kon hij zich succesvol beroepen op het feit dat hij niet mocht zeggen wat hij dacht. Ja, toen er een rechtzaak tegen hem werd aangespannen. Maar die won hij.
Ook het feit dat hij als gedoger mee mocht regeren is een overwinning, vooral van Rutte. Goed, het betekende twee jaar stilstand, maar het voorkwam erger. Democratie is nou eenmaal langzaam.
Wilders is terug in zijn hok. Ik vind de PVV een belangrijke partij, net zoals ik de Partij voor de Dieren belangrijk vind of de SP. Maar ze moeten niet te groot worden. Ze moeten de luizen in de pels blijven die een scherp oog hebben voor misstanden en niet ophouden daar lastige vragen over te stellen.
Het verlies van Wilders toont aan de je de kiezer kan vertrouwen. Democratie heeft, mits je de vrijheid van het woord koestert, een zelfreinigende werking. 
Ik denk dat Nederlandse politici en journalisten het handboek voor moeilijk opvoedbare kinderen goed gelezen hebben. 

9/10/2012

Overheid


Afgelopen zaterdag zei Theo Maassen in Pauw en Witteman dat uit onderzoek blijkt dat de gelukkigste mensen in landen met een grote, sterke overheid wonen. Hij noemde Zweden als voorbeeld.
Hij had ook Noord Korea kunnen noemen; daar is  volgens een peiling 99,9 procent van de bevolking heel erg gelukkig.
Hoe ver de macht van de overheid moet gaan is een vraag die ik zelf maar niet beantwoord krijg.
Aan de ene kant vind ik het schandalig dat beroepen die er echt toe doen -verpleegkundigen, onderwijzers, politie - zo slecht betaald worden. Aan de andere kant geloof ik in een vrije markt die zichzelf reguleert.
Aan de ene kant verafschuw ik de beloningen en de bonuscultuur in bijvoorbeeld het bankwezen of de voetballerij. Aan de andere kant vind ik het geen enkel punt dat iemand die in een garage computers in elkaar schroeft  daar uiteindelijk miljardair mee wordt.
Het is een geruststellende gedachte dat mijn stem van geen enkel belang is. De enige overheid die er voor Nederland toe doet is de Duitse. En op één of andere manier heb ik een enorm vertrouwen in Angela Merkel. Waarschijnlijk omdat ze zo saai is.

9/04/2012

Peilingen


Of we straks een centrum links of centrum rechts kabinet krijgen wordt in hoge mate bepaald door Maurice de Hond en consorten. Of liever gezegd, door de media die de peilingen (verkeerd) duiden.
Dat staat te lezen in een interessant artikel van Tom van der Meer en Armen Hakhverdian op de site van de Universtiteit van Amsterdam.
Zij stellen dat de droge uitkomst van opiniepeilingen de kiezer niet beïnvloedt, maar de positieve of negatieve duiding ervan wel. En daar gaat het fout: want de wekelijkse verschuivingen in zetelaantallen zijn het gevolg van meetonzuiverheid. Met ander woorden: één of twee zetels erbij of eraf betekent helemaal niets.
Toch worden dit soort verschillen breed uitgemeten in de pers en geduid als een trend. Omdat kiezers graag bij de winnaar horen ontstaat er een effect dat zichzelf versterkt: de winst van de virtuele winnaar van twee zetels wordt groter, het verlies aan de andere kant ook.
In één van mijn favoriete James Bond films, Tomorrow never dies, probeert een megalomane mediamagnaat een oorlog tussen Engeland en China te ontketenen om er vervolgens over te kunnen berichten. Hij creëert het onderwerp om meer lezers en kijkers te krijgen. Dat is in grote lijnen wat opiniepijlers en journalisten in Nederland ook doen.

7/19/2012

Kopland

Schrijven is uitvinden wat er in je leeft, schrijft Rutger Kopland in het gedicht Zijn brieven.
Dat is waar.
Maar niet alleen schrijvers proberen dat. Ook componisten. Je zou kunnen zeggen dat wiskundigen en natuurkundigen dat, op een iets ander niveau ook proberen te doen; door patronen te zoeken in de schijnbare chaos. Al moet je bij hun misschien eerder spreken van ontdekken. Ook historici doen een poging; door de geschiedenis te bestuderen proberen ze iets van het heden te begrijpen.
Misschien kan je zeggen dat iedereen die zich de vraag stelt: waarom, in feite probeert uit te vinden wat er in hem leeft. Het antwoord wordt gezocht in taal, in noten of in cijfers.
In het gedicht Tijd schrijft Kopland: zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt/naar iets in zichzelf, iets ziet daar/wat het meekreeg.
Dat suggereert dat een baby iets weet dat het later kwijt raakt.
Iets verderop staat: zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten/van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat/
een verte voorbij onze ogen. Dus ook de oude man weet iets wat wij niet weten.
Het lijkt erop dat Kopland bedoelt dat wij in het begin en aan het einde van ons leven een inzicht hebben, maar dat inzicht de rest van ons leven kwijt zijn. Misschien is het wel een vooropgezet plan: door dat gemis wordt er prachtige muziek gemaakt, worden er dingen ontdekt en worden er schitterende gedichten geschreven.
Zo mooi dat ik er één maar helemaal overneem:


Vertrek van dochters 


Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien 

aan hun gezichten die langzaam veranderden

van die van kinderen in die van vrienden,

van die van vroeger in die van nu. 


En gevoeld en geroken als ze me kusten,

een huid en een haar die niet meer voor mij
 
waren bedoeld, niet zoals vroeger,

toen we de tijd nog hadden. 


Er was in ons huis een wereld van verlangen,

geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun

kamers waarin ze verzamelden wat ze mee
 
zouden nemen, hun herinneringen. 


Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie 

precies datzelfde uitzicht, precies die

zelfde wereld van twintig jaar her,

toen ik hier kwam wonen.

7/11/2012

Komrij

Terwijl mijn dochter in de keuken zat te computeren, keek ik naar een herhaling van de prachtige documentaire De gelukkige schizo uit 2005 over Gerrit Komrij.
Het mooie van overlijden is dat het je op iemands leven wijst.
De makers volgden Komrij in zijn prachtige, witte villa in Vila Pouca da Beira, tijdens het schrijven van een dichtbundel en gingen met hem terug naar het noorden van Portugal waar hij, samen met zijn vriend, twintig jaar geleden vertrok na een conflict met de plaatselijke bevolking. Ik kon het me helemaal voorstellen: die hooggeletterde, decadente man met zijn vriend tussen de merendeels analfabete, rurale bevolking voor wie het leven vooral hard en zwaar is.
Jammer voor de makers van het programma ‘Ik vertrek’ dat het te lang geleden is, want het had vast prachtige televisie opgeleverd: het conflict resulteerde namelijk in bizarre toestanden: ‘Op het laatst', aldus Komrij, 'was het een zaak van met geweren rondlopen en nachten in hinderlagen liggen.’
Komrij is zoals je verwacht dat een schrijver is: een buitenstaander, een kluizenaar; niet echt toegerust voor het dagelijks leven. In ochtendjas, met een boek in de hand schuifelend van vertrek naar vertrek; overal boekenkasten tot aan het plafond. Af en toe neerstrijkend op een stoel aan weer een zwaar, donkerhouten bureau of zeventiende eeuwse tafel om met een vulpen in één keer een paar volzinnen op het geschepte papier te zetten. Een huishoudster kookt; zijn vriend haalt de post op in het plaatselijke café terwijl de dichter vanaf zijn balkon nog eens uitkijkt uit over het dal.
De zinnen waren af en toe prachtig: ‘Ik ben uit een vast, warm ouderlijk huis gekomen; een hele idyllische, stille jeugdplek en heb me van daaruit in de wereld gekatapulteerd en zonder op dit moment nog het idee te hebben dat ik ben geland.’
Dat niet geland zijn herken ik. Net als het verlangen naar totale afzondering. Alleen is dat verlangen er niet permanent. Het wordt onderbroken door verlangen naar een gesprek met een vriend of door het verlangen naar een optreden. Of, zoals gisteravond, door mijn dochter die vroeg wanneer ik nou eindelijk eens ging koken, want daar hebben wij (nog) geen huishoudster voor. Iedere schrijver is een buitenstaander: de ene permanent; de ander bij vlagen.

6/13/2012

Hoax

Ik was op zoek naar iets nieuws; naar een andere manier om publiciteit te krijgen voor mijn derde roman, HOTEL SOFIA. Want als je niks doet ben je afhankelijk van het goede humeur van een paar recensenten en wat redacteuren bij radio en tv. En van het toeval, natuurlijk. Ik wilde niet het risico lopen dat mijn boek na twee jaar hard werken binnen twee maanden uit de boekhandel verdwenen zou zijn. Om het clichee over de ‘geboorte’ van een roman te gebruiken: ik wilde mijn kindje niet te vondeling leggen. Daarbij had ik tijd. De eerste maanden nadat een boek af is, lukt het me toch niet om met iets nieuws te beginnen. Dan schuifel ik een beetje onwennig door mijn kamer; bezorgd of het wel in goede handen is. Dus wilde ik na het verschijnen van mijn derde roman, HOTEL SOFIA, iets dóen. Al was het maar om afleiding te hebben. Toen iemand tegen me zei: ‘Jouw boek leest als een film’, wist ik het. Ik vroeg Jean van de Velde, Thomas Acda, Mark Rietman, Manuel Broekman en Anne Wallis de Vries mee te spelen in een ‘making of filmpje’ van de – niet bestaande – film HOTEL SOFIA. Vervolgens verstuurde mijn uitgever persberichten waarin stond dat de film in januari 2013 uit zou komen. Twee weken later verspreidden we het bericht dat de verfilming was gestaakt omdat ‘het boek toch beter is dan de film’. Het werkte: NU.nl; de Telegraaf, AD, Parool, Filmfestival.nl en RTL Boulevard besteedden aandacht aan HOTEL SOFIA. Misschien is de onderliggende drijfveer van reclame maken voor je boek wel dezelfde als voor het opvoeden van kinderen: jezelf de indruk geven dat je er alles aan gedaan hebt.

5/15/2012

Tofik

Het gaat bij verkiezingen niet om argumenten maar om alles eromheen. Tofik Dibi zal nooit leider van Groenlinks worden: zijn schouders staan te ver naar voren en hij beweegt teveel. Hij ziet eruit als een jongetje van dertien dat een liedje moet zingen voor de vriendinnen van zijn moeder op haar verjaardag. Mona Keijzer daarentegen zit kaarsrecht en beweegt nauwelijks. Je moet maar eens opletten; gisteren bij Knevel en van den Brink heeft ze maar drie keer bewogen. Dat is ijzersterk. Ook als ze niet aan het woord was, domineerde ze de tafel, enkel en alleen door haar houding. Sybrand van Haersma Buma staat ook goed, rustig. Hij beweegt meer dan Keijzer, maar zijn bewegingen zijn gecontroleerd. Niet zoals bij Tofik bij wie je steeds bang bent dat hij een glas water omstoot. Balkenende bewoog ook niet goed: te houterig. Een oom die je je baby liever niet in handen geeft als hij op kraamvisite is. Obama vertrouw je dat wel toe; Merkel ook; Sarkozy niet. Misschien is dat wel de onderliggende vraag die de keuze voor een leider bepaalt: mag hij of zij mijn baby vasthouden. De argumenten komen later wel.

5/07/2012

4 mei

Ik wilde op 4 mei met mijn zoontje (10) naar de herdenking op de eerebegraafplaats Bloemendaal. Het is een prachtige plek, middenin de Kennemer Duinen, waar verzetshelden als Walraven van Hall, Hannie Schaft en Gerrit Jan van der Veen begraven liggen. Het doet denken aan de Waalsdorpervlakte die ik ken van de herdenkingen op tv waar ik als kind naar keek. Het leek me goed om hem een keer mee te nemen: omdat het zo indrukwekkend is om met honderden mensen tegelijk stil te zijn. En omdat ik vind dat, ondanks zevenenzestig jaar vrede, de gruwelijkheden van de oorlog herdacht moeten blijven worden. Onbegonnen werk; mijn zoontje speelt het liefst met de plastic soldaatjes en tanks die hij twee jaar geleden op koninginnedag voor 1 euro kocht. Voor hem is oorlog spannend. En een koopje. Omdat het wel eens druk zou kunnen zijn, besloot ik met de fiets te gaan. Aan het begin van de Zeeweg werd ik tegengehouden door een man met een geel vest. ‘U moet lopen’, zei hij. Ik keek voor me. De autoweg was afgezet; het fietspad was leeg. ‘Het is afgezet’, zei hij ten overvloede. ‘Maar het is nog twee kilometer.’ De man knikte. Ik keek op mijn horloge; het was kwart voor acht. ‘Dan red ik het niet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Gaat het nou niet door?’, vroeg mijn zoon die achterop zat. Ik verwachtte dat de aanblik van een beteuterd kind de man van gedachte zou doen veranderen. Maar hij vertrok geen spier. Verontwaardigd door het totale gebrek aan compassie begon ik mij op te winden: ‘Waar slaat dat nou op,’ zei ik, ‘de weg is helemaal leeg; het fietspad is leeg. Ik ga voor het eerst met hem naar een herdenking. Dat kan je hem toch niet ontnemen.’ Het hielp allemaal niet; hoe bozer ik werd, des te glaziger keek de man mij aan. Uiteindelijk stapte ik af en liep met mijn fiets aan de hand verder. ‘Zeikerd’, mompelde ik toen ik buiten zijn gehoorsafstand was. Na dertig meter stapte ik weer op. Mijn zoons ogen begonnen te glimmen. ‘Ik dek ons wel’, zei hij terwijl hij met zijn hand een pistool nabootste en het op de man richtte die met zijn rug naar ons toe stond. Een oorlog ligt altijd op de loer. Het begint bij iemand die je tegenhoudt.

3/27/2012

Jacob in Ahoy


Zaterdag ging ik met mijn zoon (10) naar Paul mcCartney in Ahoy. Het was zijn eerste popconcert en hij was er al dagen mee bezig. ‘Moet jij huilen als je hem ziet?’, wilde hij weten. En: ‘Heeft hij bodyguards?’; ‘Komt ie met z’n helikopter?’
Toen we er om zes uur waren stond er een rij van honderd meter op het plein voor de ingang. Even zonk mij de moed in de schoenen; dit soort ongemak is de reden dat ik bijna nooit naar concerten ga.
Gelukkig had Jacob nergens last van. ‘Dan kunnen we zo een handtekening vragen als hij aan komt lopen’, zei hij.
Ik zei dat hij al binnen was of dat hij anders de achteringang wel nam.
Daar geloofde hij niks van en dus bleef hij de hele tijd om zich heen kijken om te zien of hij ergens een limousine zag. Hoop maakt wachten een stuk lichter.
Toen we uiteindelijk binnen waren, de eerste ring van Ahoy opliepen en de mensenmassa beneden ons heen zagen werd hij stil. Ik ook. Alleen al die aanblik is de moeite van het gaan meer dan waard.
‘Waar gaat hij nou optreden?’, vroeg hij na een tijdje.
Ik wees naar het podium, ongeveer veertig meter verderop.
Even was hij uit het veld geslagen. ‘Maar dan zie je hem niet.’
Ik wees op de enorme projectieschermen die aan weerszijden van het podium hingen.
Even later begon een half uur durende videocollage over sir Paul. Hij is niet de meest bescheiden man op aarde, maar in zijn geval vind ik dat niet erg. Een paar mensen hebben zoveel prachtigs gemaakt dat de rest er niet meer toe doet. Ook niet dat ze ‘Mull of Kintyre’ hebben gemaakt.
Toen mcCartney opkwam was Jacob zo onder de indruk dat hij vergat te klappen. Ademloos keek hij hoe Paul 'Goejeafond' zei en 'Hello Goodbye' inzette. Ademloos bleef hij drie uur lang kijken.
McCartney zong ongeveer dertig liedjes; het ene nog mooier dan het andere; bijna allemaal nummer één hits. Bizar om je te realiseren welke hits hij níet had gezongen; dat zijn er nog veel meer.
Toen het om half twaalf klaar was had Jacob niet één keer gegaapt.
In de file op de parkeerplaats bleef hij alert op de achteruitgang; pas toen we op de A 13 reden viel hij in slaap. Ik denk dat hij droomde van helikopters en limousines.

3/06/2012

Tijd doden


Afgelopen vrijdag de presentatie van Hotel Sofia in de geweldige boekhandel De Vries in Haarlem (zie foto). Nu in een soort niemandsland: boek af, de eerste reacties druppelen binnen, onzekerheid over wat men er van vindt en ondertussen kan ik niet aan iets nieuws beginnen.
Zaterdagochtend belde de eerste vriend; hij had het in één ruk uitgelezen. ‘Prachtig boek’, zei hij, ‘naar het einde toe wordt het steeds pakkender.’
‘Dus het begin vind je niks’, zei ik. Je hoort wat je wilt horen. Of, je hoort alleen waar je bang voor bent.
Zondag sprak ik een andere vriend. ‘Ik heb nog geen tijd gehad om het te lezen’, zei hij. Hij zal er wel in begonnen zijn en het niks vinden, dacht ik.
Een boek moet zich zetten; na een aantal reacties weet je wat de teneur is. Tot dat moment is het nagelbijten.
Dus gisteren om de tijd te doden naar ‘The Descendants’ met George Clooney. Voor het eerst weer eens ’s middags naar de bioscoop wat toch iets ongemakkelijks heeft: je ziet mensen denken: wat doet een volwassen man ’s middag in de bioscoop. Heef hij geen werk?
Je ziet wat je wil zien.
Vanochtend om half negen aan mijn schrijftafel; geen idee wat ik moest doen. Sinds het boek af is mis ik de ‘verplichte’ uren schrijven.
Dus even naar de computerwinkel om een al maanden spelend computerprobleem op te lossen. Ik had er uitgebreid naar gezocht op internet maar kon de oplossing niet vinden. Binnen drie zinnen had de verkoper het probleem geanalyseerd en zette hij een kastje op de toonbank. ‘Dit heb je nodig,’ zei hij.
Heerlijk, mensen die iets zeker weten.

4/05/2011

Vrijheid

Vorige week een mooie aflevering van VPRO’s Tegenlicht over de hypocrisie van het westen; jarenlang steunden wij dictators in het Midden Oosten en Noord Afrika. Het feit dat zij mensenrechten schonden was minder belangrijk dan het feit dat wij daar onze olie vandaan haalden, dat onze banken zaken met de miljardairs konden doen en dat we wapens konden leveren. Meest schrijnende voorbeeld van die hypocrisie was de tour door het Midden Oosten die de Britse premier Cameron onlangs maakte met in zijn kielzog een aantal wapenhandelaren. Wapens waarmee de regimes de bevolking konden onderdrukken. Op de terugreis deed hij ook Egypte aan dat zich net bevrijd had van Mubarak en profileerde zich zo als de eerste Westerse leider die het nieuwe regime bezocht.
Het voordeel van pragmatisme is dat je geld verdient; het nadeel is dat het zich ooit tegen je keert: we bombarderen nu de wapens die we zelf leverden. Alhoewel je dat, uit economisch oogpunt, ook als voordeel uit kan leggen.
Hoe gecompliceerd de verhouding tot de dictators is bleek ook uit de deal die Italie maakte over immigranten uit Libie. Honderdduizenden in Libie verblijvende Afrikanen stonden klaar om de oversteek naar Europa te maken. Door een deal met Kadaffi bleven ze daar; zonder deal dreigde hij ze naar Italie te laten gaan.
Tegenlicht ging ook over de angst van het Westen voor radicale moslims die de macht zullen grijpen als de dictators weg zijn. De conclusie was dat die angst ongegrond was: immers, tijdens de betogingen op het Tahrirplein werden geen anti Amerikaanse noch anti Israelische leuzen gehoord.
Die mening deel ik niet: het lijkt me sterk dat landen die het nooit hebben gekend van het ene op het andere moment democratisch zijn. Het lijkt mij een illusie om te veronderstellen dat mannen die van generatie op generatie hebben geleerd dat vrouwen geen rechten hebben opeens het omgekeerde vinden. Het lijkt me naief te hopen dat homofilie ineens een geaccepteerd fenomeen is.
Mijn grootouders hadden buren: twee gezusters die na veertig jaar verblijf in het klooster uitgetreden waren. Ze hadden genoeg van het juk van het klooster, zagen het nut van de strenge regels niet meer in; voelden zich vervreemd van hun geloof. In het begin voelden ze zich bevrijd in hun nieuwe, eigen woning (voor het eerst!) zonder god, zonder strenge moeder overste.
Maar na verloop van tijd misten ze toch iets. Ze begonnen ze zich te verdiepen in in Bloesemtherapie en Bachremedie; ze adviseerden mijn vriendin die allergisch is voor wespen om met de wesp te praten als hij op haar arm zat omdat het beestje dat zou voelen en niet zou steken. Ze maakten een reis naar India en sindsdien hing er een portret van Satya Sai Baba, een of andere Indiase goeroe, boven hun tafel. Ze begonnen te mediteren.
Zo ongeveer stel ik me de ‘bevrijde’ landen ook voor.
Je kan je dictator wel afzweren, maar de leegte die hij achterlaat klinkt hol.

3/25/2011

Ter Apel

Toen ik vorige maand een lezing in Ter Apel aannam had ik me niet gerealiseerd dat het twee uur en drie kwartier rijden was. Ter Apel ligt namelijk vlak achter Emmen. Ik wist eerlijk gezegd niet dat het na Emmen ook nog Nederland heette.
Vanochtend reed ik er heen; je komt er via Barger Compascuum en Emmer Erfscheidenveen en Roswinkel. Het ligt niet ver van Tweede Exloermond en Mussel en Hahnentange.
Namen die bij mij beelden opriepen van moerassen met hier en daar een boerderij waar de electriciteit nog via kabels op houten palen naartoe werd geleid. Als er al electriciteit was. Namen die beelden opriepen van terneergeslagen mensen met laarzen en overalls en kromgetrokken ruggen van het zware werk op het land.
Namen die mij deden vrezen dat ik de vragen uit de zaal niet zou verstaan.
Ik begon aan mijn vooroordelen te twijfelen toen ik zag dat mijn mobiele telefoon bij aankomst nog ontvangst had.
De twijfel werd groter toen ik Hotel Boschhuis zag waar de lezing plaats had; een mooi, wit, ouderwets hotel tegenover een fraai gerestaureerd klooster.
De twijfel werd compleet toen ik ontvangen werd door de twee meisjes die de lezing georganiseerd hadden, Janniek en Iris; ze hadden normale kleren aan, ze liepen niet krom; ik kon ze goed verstaan; ze maakten een opgeruimde, ja zelfs gelukkige indruk.
Ze namen me mee naar de grote zaal van het hotel; het zag er goed uit: de stoelen stonden al klaar, er was een geluidsinstallatie, er was licht.
‘Wil je wat drinken?’, vroeg Iris.
‘Koffie’, zei ik om het niet te ingewikkeld te maken.
‘Cappucino, Espresso, Machiato?’, vroeg ze.
Ik pakte de boeken uit mijn tas uit.
‘Hoeveel leerlingen komen er eigenlijk?’, vroeg ik.
‘Ongeveer tweehondervijftig’, zei Janniek.
‘Komt de hele school dan?’
Ik was eerlijk gezegd al verbaasd dat er uberhaupt een school was.
Het bleek alleen om de bovenbouw te gaan van de plaatselijke school, die ruim duizend leerlingen telde.
‘Maar waar komen al die leerlingen dan vandaan?’, vroeg ik, want Ter Apel is niet veel meer dan een kanaal met wat huizen.
Ze bleken uit allerlei plaatsjes te komen: Nieuw Weerdinge, Exloerkijl, Jipsingboertange, Barenfleer.
Ik legde mijn papieren op het tafeltje op het podium waar een fles San Benedetto bronwater voor me klaar stond.
‘We hebben in alle klassen een voordracht gehouden over uw werk’, zei Iris.
'Oh', zei ik.
'Ja', ging ze verder, ‘we hebben een samenvatting gegeven van uw boeken, we hebben een liedje laten horen en uw interview bij Paul de Leeuw laten zien’.
Ik knikte. Alsof ik dat normaal vond. Alsof dat op alle scholen waar ik kom zo gaat.
Om kwart voor een druppelden de leerlingen binnen: rustig, zonder lawaai, zonder geschreeuw. Niemand had klompen aan.
Ik hield mijn verhaal, zij luisterden anderhalf uur lang aandachtig en stelden vragen die ik verstond.
Na de lezing at ik in het restaurant een broodje Hollandse garnalen met cocktailsaus; zo lekker had ik het al jaren niet meer gegeten. Ik betaalde er met creditcard.
Toen ik terugreed had ik bij Zwolle al heimwee.

3/22/2011

Hommen en Immers

Vandaag in de Volkskrant een interessant artikel – het is eigenlijk meer een halve advertentie - van de hand van ING bestuursvoorzitter Jan Hommen.
Ik hou er wel van als mensen de kans krijgen hun bekrompenheid ongecensureerd te etaleren.
In het artikel schrijft Hommen dat ING zijn best doet om haar leven te beteren na de financiele crisis. Letterlijk staat er: ‘Het nieuwe beleid dat ING heeft geintroduceerd weerspiegelt de veranderde maatschappelijke percepties over verantwoorde beloning. Het beleid is gematigder’.
Dat is opmerkelijk want Hommen ontvangt een vast salaris van 1.350.000,= euro en zou dit jaar een bonus van 1.200.000,= euro krijgen. Daar kwamen echter zoveel verontwaardigde reacties op dat hij besloten heeft af te zien van zijn bonus.
Hommen doet het voorkomen alsof hij ethische motieven heeft. Hij schrijft dat ING ‘zijn verantwoordelijkheid jegens onze klanten en de samenleving zeer serieus neemt.’
Je moet het maar durven.
Het gaat Hommen uiteraard om iets heel anders: negatieve publiciteit kost klanten. Het feit dat het pensioen van oud medewerkers inmiddels bevroren is, het feit dat ING overeind is gehouden door de belastingbetaler, het feit dat banken een kwalijke rol hebben gespeeld bij de crisis; he couldn’t care less.
Hommen heeft wel wat weg van Lex Immers, de voetballer van ADO Den Haag die na de overwinning op Ajax in het supportershome vol overgave ‘We gaan op Jodenjacht’ zong. Toen de dag erna bleek dat iemand een filmpje van de gebeurtenis op youtube had gezet, betuigde hij spijt.
‘Ik ben me op dat moment totaal niet bewust geweest van de beledigende toon naar een hele bevolkingsgroep’, zegt hij in een verklaring.
Ik ben zo benieuwd of Hommen en Immers de onzin die ze uitkramen zelf geloven. Dat zou schokkend zijn, maar met wat therapie kan je een eind komen.
Eerder denk ik dat een oud spreekwoord van toepassing is: brutalen hebben de halve wereld.

2/10/2011

Egypte en de mythe van de revolte

Zoals een recensie van een boek vaak meer zegt over de recensent dan over het boek, zo zegt de verslaggeving over de gebeurtenissen in Egypte meer over ons dan over Egypte.
Het beeld van een volk dat zich na 30 jaar eindelijk verzet tegen zijn dictator spreekt in Nederland – en naar ik aanneem in het hele Westen – zo tot de verbeelding dat er van objectiviteit, zo die al mogelijk zou zijn, geen sprake is.
Ik zal uitleggen waarom ik dat vind.
Het journaal doet nu al ruim een week vrijwel alleen verslag van het Tahirplein in Cairo. Het mag dan indrukwekkend zijn, al die mensen, maar wat zegt het over de rest van Egypte? Toegeven, af en toe krijgen we een shot van een plein in Alexandrie, maar verder?
Ik moest denken aan een stukje in het boek ‘Het zijn net mensen’ van Joris Luyendijk waarin hij op zoek gaat naar de Palestijnse protesten in Ramallah die we wekelijks op televisie zagen. Tot zijn verbazing komt hij in een heel rustig, vredig dorpje. ‘Waar zijn de rellen?’, vraagt hij aan iemand. ‘Dan moet u hier naar rechts en dan een kilometer rechtdoor en dan komt u bij een plein en daar beginnnen om elf uur de rellen’, antwoordt iemand (ik citeer uit mijn hoofd – ik heb het boek niet bij de hand, dus fout, maar de strekking klopt).
Met andere woorden, wat wij op televisie zagen; woedende, naar de Israelische politie stenen gooiende jongeren, was maar een heel klein stukje van de realiteit.
Waarom zijn er geen verslaggevers buiten Cairo? Of zelfs maar buiten het Tahirplein? Misschien omdat daar geen demonstraties zijn?
Verder had ik ook graag wat meer willen weten over de leiders van de revolte. In een land waar de geheime politie overal aanwezig is, ligt het voor de hand kritisch te zijn op iedereen, ook op de mensen die aan ‘de goeie kant’ staan.
Ik ben twee keer in Syrie geweest voor optredens, en wat ik daar geleerd heb is dat je in een politiestaat niemand kan vertrouwen, ook niet de aardige, goedlachse chauffeur die ons een week lang rondreed en ons de foto’s van zijn kinderen liet zien.
Ik kan me niet ontrekken aan de gedachte dat Westerse journalisten de idylle van de revolutie van het volk niet willen verstoren.
Terwijl ze zouden moeten weten dat revoluties vaak slecht aflopen: denk aan Islamitische revolutie in Iran, de Russische revolutie die leidde tot de Sovjet Unie of de Saur revolutie in Afghanistan.

1/27/2011

Norwegian Wood

Vroeger was het eenvoudig; als Volkskrantcriticus Peter van Bueren een film goed vond, vond ik het niks; als hij een film afkraakte ging ik erheen. Ik was het namelijk bijna altijd met hem oneens.
Maar van Bueren is al een tijd gestopt en sindsdien heb ik geen eikpunt meer; soms deel ik de kritiek van de recensent, een andere keer niet.
Gisteravond ging ik naar een film die door de Volkskrant ‘een ontroerende en bij vlagen zelfs hartverscheurende ervaring’ werd genoemd, te weten: ‘Norwegian Wood’ van regisseur Tran Anh Hung. De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van de schrijver Haruki Murakami.
De film gaat over een jongen, Tran, die een relatie krijgt met het voormalig vriendinnetje van zijn beste vriend die zelfmoord heeft gepleegd.
De film bestaat eigenlijk helemaal uit conversaties, alhoewel conversatie een groot woord is, want veel wordt er niet gezegd. De film zit vol met betekenisvolle stiltes waarin de acteurs elkaar diep in de ogen kijken en waarbij de kijker moet gissen naar wat ze bedoelen.
Het kan aan mijn gebrek aan verbeelding liggen, maar ik begon me daar na verloop van tijd aan te ergeren. Was er een diepere laag die ik niet begreep? Miste ik iets?
Zo werd mij bijvoorbeeld totaal niet duidelijk waarom bovengenoemde jongen al op 18 jarige leeftijd zelfmoord pleegt.
En ik kon ook niet uit de stiltes opmaken waarom alle meisjes die Tran ontmoet met hem naar bed willen en waarom die vrijpartijen steeds opnieuw verzanden in gestaar.
De relatie van Tran en het meisje verloopt niet vlekkeloos, to say the least. Zij is depressief – een gevolg van de zelfmoord van haar eerste vriendje of gewoon genetisch bepaald? - en belandt in een inrichting ergens in een Japans bos waar het altijd hard regent. Ze laat Tran opdraven wanneer ze wil, ze vraagt hem geduld te hebben omdat ze nog niet met hem naar bed kan, ze laat zich door hem troosten om hem daarna hartelijk uit te lachen.
Waarom Tran haar nou niet eens een keer de waarheid zei, of gewoon wegbleef, begreep ik ook niet. Plichtsbesef, vermoed ik, maar daar kan ik helemaal naast zitten.
Tijdens de twee uur en een kwartier durende film – er was geen pauze - begon ik me steeds vaker af te vragen of er uberhaupt wel een diepere laag was. Viel er wel iets te begrijpen?
De stiltes, het gestaar, de twee zelfmoorden – uiteindelijk pleegt het meisje ook zelfmoord - deden dat wel vermoeden, maar zeker was ik er niet van.
Een teveel aan drama verhult vaak een gebrek aan diepgang.
Soms verlang ik terug naar Peter van Bueren.

12/05/2010

Wikilaks

Ieder mens heeft het recht om iets te vinden en om dat vervolgens niet uit te spreken. Of om die mening slecht met een enkeling te delen.
Niemand spreekt de hele dag de waarheid.
Als iedereen de hele dag de waarheid zou spreken zou er geen huwelijk meer stand houden.
Mijn probleem bij het door Wikileaks op het internet plaatsen van gestolen, vertrouwelijke informatie is dat mensen, in dit geval diplomaten van de VS, het recht ontnomen wordt een geheim te hebben. Ieder mens heeft recht op een geheim.
Het gaat mij niets aan dat Amerikaanse diplomaten de Franse president autoritair vinden. Of dat ze Berlusconi incompetent en ijdel vinden. Eerlijk gezegd vind ik het ook nogal naief als je van dat soort informatie opkijkt.
Journalistiek moet gericht zijn op waarheidsvinding, maar de scheidslijn tussen sensatiezucht (of persoonlijke rancune) en gedegen journalistiek is dun.
Hoogleraar bestuurskunde Michiel de Vries betoogt in de Volkskrant van zaterdag dat Assange (de oprichter van Wikileaks) als held geeerd zou moeten worden. Hij maakt daarbij de vergelijking met ‘klokkenluider’ Max Havelaar. Nog even afgezien van het feit dat de term ‘klokkenluider’ wel erg armoedig is als het gaat om de schrijver van een van de allerbeste Nederlandse romans ooit, klopt de vergelijking ook niet.
Multatuli werkte jaren in Indie en kende het onrecht dat de inlandse bevolking werd aangedaan als geen ander. Hij ‘stal’ geen informatie. Terug in Nederland schreef hij een woedende aanklacht tegen het koloniale systeem, die tegelijkertijd ook menselijk en ontroerend is omdat het een verhaal is over gewone mensen.
Assange is een buitenstaander, iemand die het Amerikaanse diplomatieke systeem niet kent. Hij doet ook geen poging het materiaal dat hij aangereikt kreeg te filteren; hij zet gewoon 250.000 gestolen documenten op het net.
Diefstal van informatie is en blijft ordinaire diefstal, tenzij het iets onthult dat van zo’n groot maatschappelijk belang is, dat het waarheidsvinding heet.
Het archetypische voorbeeld is de onthulling van het Watergateschandaal.
Naar het zich laat aanzien zitten er tussen de Wikileaks documenten ook enkele van dit soort documenten. De informatie dat Arabische landen Amerika gevraagd hebben om Iran aan te vallen lijkt mij hier een voorbeeld van.
Wat mijn probleem met Assange is, is dat hij verzuimd heeft het echte onthullende nieuws van de rest te onderscheiden.
Hij kan wat leren van Multatuli: een goede roman schrijven is vooral een kwestie van weggooien.

11/17/2010

Streng

Dat in de PVV fractie relatief veel mensen zitten die agressief gedrag vertonen verbaast mij niet. De mens is inkonsekwent en hoe strenger in de leer, des te duidelijker dat wordt.
De zaak van PVV kamerlid Lucassen die mensen in zijn buurt terroriseerde omdat ze hun hond voor zijn huis uitlieten is een illustratie van die stelling. De veroordelingen van zijn collega Sharpe voor oplichting ook; Hero Brinkman’s vuistslagen op het gezicht van een barman die hem geen drank meer wilde schenken evenzeer.
Maar inconsekwentie blijft niet voorbehouden aan PVV-ers.
Dat katholieke priesters jongetjes misbruiken in internaten is een logisch gevolg van het celibaat.
Dat ieder jaar wel een streng conservatief Brits lagerhuislid betrapt wordt op een buitenechtelijke relatie ligt voor de hand.
Dat communistische leiders in de Sovjet Unie zelf baadden in weelde mag geen verbazing wekken.
Dat imams in Egypte hun geslachtsdeel in een geit stoppen is volstrekt verklaarbaar.
Wat al deze hardliners met elkaar gemeen hebben is dat ze geen twijfel lijken te kennen. Zij weten wat goed is en wat fout. Die eendimensionaliteit is even aantrekkelijk (voor somiige mensen) als dat zij onnatuurlijk is.
Overigens leidt het omgekeerde, jezelf en de buitenwereld geen enkele norm opleggen, ook tot diefstal en zelfverrijking. Denk aan de Rijkman Groeninks en Sir Goodwins van deze wereld.
Maar in hun strenge normloosheid en hun gebrek aan twijfel zijn zij te vergelijken met Lucassen com suis.
Dat de mens veel gecompliceerder en inkonsekwenter is dan sommigen zouden willen verwoordt de Amerikaanse schrijver Malcolm Gladwell als volgt:
‘Karakter is een verzameling gewoonten, neigingen en interessegebieden in losse samenhang die in bepaalde perioden afhankelijk zijn van de omstandigheden en de context.’
Oftewel, het ene moment hebben we de mond vol van fatsoen, het volgende moment schelden we de buurman uit voor kankerleier omdat hij zijn hond voor je deur uitlaat.
Ik denk niet dat Lucassen ooit iets van Gladwell gelezen heeft. Kan hij eigenlijk wel lezen?

10/26/2010

Uit de oude doos (3)

Het eerste optreden van comedytrain ooit was op 7 september 1990. Achteraf gezien een bijzondere moment: een soort landing op de maan; het begin van stand up comedy in Nederland. En alhoewel het mij nog steeds met trots vervult dat ik een van de vier eerste mannen op de maan was, kan ik niet zeggen dat het moment zelf erg heroisch was.
Laat ik even terug gaan naar hoe het begon.
Precies vier maanden daarvoor, op 7 mei word ik gebeld door ene Raoul Heertje die mij vraagt of ik belangstelling heb voor stand up comedy. Je had in die tijd nog geen google dus ik kon ook geen afbeelding van hem te voorschijn toveren. Het is zeer de vraag of ik lid van Comedytrain was geworden als dat wel gekund had.
Maar omdat ik toch niks te doen heb en ik sinds mijn afstuderen cabaretier ben, of althans, ik vind dat ik dat gewoon moet durven zeggen als iemand vraagt wat ik doe, zeg ik ja.
Vooral ook omdat Raoul me werk in het vooruitzicht stelt, want hij heeft in september een theater geboekt waar we acht keer mogen spelen. Ik zie het helemaal zitten: een theater met kleedkamers, een podium, lampen, een foyer, barmeisjes.
En dus fiets ik die zevende september opgewonden en veel te vroeg naar het Anthony theater in Amsterdam.
Als ik voor het opgegeven adres sta denk ik dat ik me vergist heb; het ligt namelijk midden op de wallen en het heeft meer weg van een bouwval waar net de krakers uit vertrokken zijn omdat het ook hun te gortig wordt. In die tijd had je nog geen kraakwet, en die was in dit geval dus ook helemaal niet nodig geweest.
Ik zet mijn fiets op slot, doe de deur open en kijk rond: er staan ongeveer twintig stoelen, tegen de muren zijn een paar kapotte gitaren gespijkerd, de bar of wat daarvoor door moet gaan hangt scheef is en ik betwijfel of de ruimte boven het miniscule podiumpje hoog genoeg is om rechtop te kunnen staan.
Verder hangt er een penetrante, weeige lucht die me nog het meest aan Camembert doet denken.
‘Lekker intiem he’, hoor ik plotseling een stem. Het blijkt de eigenaar Onno te zijn, een kruising is tussen Albert Mol en Jacques d’Ancona.
‘Ja’, zeg ik teleurgesteld.
‘Je zit heerlijk dicht op de mensen’, gaat hij verder, ‘en we zetten er zo lekker een spotje op. Doe jij je jas maar vast lekker uit.’
Ik doe mijn jas uit. Als ik hem op een van de stoelen leg zie ik dat het rode pluche vol zit met witte vlekken.
Als Onno me daarna meeneemt naar de donkere voorraadkast naast het podium en zegt dat dit de kleedkamer is word ik overvallen door een hevige twijfel. Heb ik iets verkeerd begrepen? Is Stand up comedy homojargon voor een gangbang? Is het podium daarom zo laag? Komt Raoul zo met vier latex pakjes aanzetten?
Een half uur later druppelen de anderen binnen; Raoul, John Jones, Theo Maassen. Ze gedragen zich normaal.
Als weer een half uur later het publiek binnenkomt besluit ik dat mijn angst ongegrond is: het publiek bestaat die eerste avond namelijk uit de ouders van Raoul, de broers van Raoul, de vriendin van Raoul, twee vrienden van Raoul, een paar vrienden van John en Theo en mijn vriendin. De enige betalende bezoekers zijn twee aangeschoten Engelsen die achterin de zaal gaan zitten en halverwege de voorstelling mopperend het pand verlaten omdat ze ‘pussy’ willen zien.
Mijn act, die ik de maanden daarvoor zorgvuldig heb voorbereid, mislukt volkomen; als een konijn dat in de lichtbundel gevangen is zeg ik met grote, verschrikte ogen mijn tekst op; ik maak geen contact met de zaal, ik improviseer niet, ik doe alles fout. Raoul en Theo doen het geloof ik iets beter, maar de enige die echt succes heeft is John met zijn act over zijn Surinaamse opvoeding.
Na afloop van de voorstelling probeert mijn vriendin nog iets aardigs tegen me te zeggen: ‘Je was heel goed te verstaan’, zegt ze, ‘je zag er goed uit en wat prettig was, je hoefde bij jou tenminste niet steeds zo te lachen.’
Ik onderga de vernedering, drink teveel, ga alleen naar huis en rol die nacht om twee uur gefrustreerd in mijn bed als een berg opziend tegen de komende, zeven voorstellingen en ervan overtuigd dat Comedytrain de serie in het Anthonytheater niet zal overleven.

10/08/2010

Grote woorden

Aan de veelgenoemde ‘verruwing’ van de omgangsnormen in Nederland ligt volgens mij vooral een gebrek aan zelfrelativering ten grondslag. Mensen nemen zichzelf veel te serieus. Er worden veel te snel grote woorden gebruikt.
‘Nederland zou 100 jaar in de tijd terug gaan als ik veroordeeld wordt’, zegt Geert Wilders over zijn proces.
En in zijn verklaring voor de rechtbank: ‘Ik kan niet anders dan concluderen dan dat de rechtbank mij geen eerlijk proces gunt’. Deze laatste woorden lijken misschien klein, maar zijn het niet. Een oneerlijk proces doet totalitaire regimes vermoeden; generaals; mensen die uit vliegtuigen worden gegooid.
Nigel de Jong vindt niet dat hij te ver gaat (‘Dat zit in mijn spel’), ook nadat hij voor de tweede keer iemand een beenbreuk heeft geschopt. Sportjournalist Hugo Borst op zijn beurt kwalificeert de Jong, zonder enige spot, als ‘crimineel’ (‘dat durf ik te zeggen’).
Het probleem van grote woorden is dat ze nog grotere woorden uitlokken.
Bij Albert Verlinde lijkt het licht helemaal uitgegaan. Hij vraagt de media om terughoudendheid inzake het overlijden van zijn zwager Antonie Kamerling. Kennelijk gelden als het om zijn naasten gaat andere wetten, want als het om ranzige journalistiek gaat heb ik hem nog nooit een voorbehoud zien maken.
Overigens putten allerlei Bekende Nederlanders zich de afgelopen dagen uit in grote woorden; iedereen was ‘helemaal kapot’, ‘geschokt’ of ‘verbijsterd’.
Het probleem van superlatieven is dat het normale zijn betekenis verliest.
Wilders, De Jong, Borst, Verlinde: ze hebben iemand nodig die zegt: ‘Hee, doe even normaal. Jij bent het maar.’
Nederland is een klas waar de twintig rustige kinderen worden gegijzeld door een paar brutale ettertjes die denken dat ze god zijn.

9/26/2010

Comedytrain

Er was een bijeenkomst van alle (oud) Comedytrainleden om te brainstormen over de grote avond die op 25 oktober in de stadsschouwburg plaats vindt ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan.
Ik zag er een beetje tegenop, zoals ik tegen alle bijeenkomsten, borrels, boekpresentaties en recepties opzie, zeker als ik mensen heel lang niet gezien heb. Ik ben altijd bang dat ik binnen een half uur alleen aan de bar sta omdat iedereen liever met elkaar praat dan met mij. Het is een onberedeneerde verlegenheid die mij er vaak van weerhoudt erop uit te gaan, maar ik heb me voorgenomen om dit jaar elke uitnodiging die ik krijg aan te nemen. Niet alleen omdat ik vind dat ik wat meer moet ‘netwerken’, maar ook omdat het bijna altijd heel leuk blijkt te zijn.
Zo ook deze keer.
Vrijwel de hele oude garde was er: Raoul Heertje, Bas Grevelink, John Jones, Pieter Bouwman, Lenette van Dongen, Owen Schumacher, Hans Sibbel. En er was veel bij te praten want de vorige keer dat ik ze zag, was ter gelegenheid van het vijftienjarig jubileum.
Comedytrain is in meerdere opzichten een buitengewoon gezelschap: ik was, geloof ik, het derde lid van de groep en maakte dus de eerste, roerige jaren mee waarin nog niemand van het fenomeen Stand-up comedy gehoord had en waarin we in cafees soms bijna letterlijk moesten vechten om de aandacht. Sinds ik er niet meer speel zijn er tientallen nieuwe comedians gekomen en gegaan, maar je blijft er voor altijd bijhoren en ik kan niet anders zeggen dat ik me er bij binnenkomst ook meteen weer thuis voelde. Het is altijd fijn als je het gevoel hebt dat men blij is je weer te zien.
Wat ook buitengewoon is, is dat comedytrain het enige niet gesubsidieerde multiculturele gezelschap is dat ik ken. Blanken, zwarten, Joden, Moslims, Christenen, homo’s, academici, drop outs; in comedytrain gaat het moeiteloos samen. De reden dat het in prachtwijken ondanks talloze projecten maar niet lukt om mensen met elkaar te laten integreren en hier wel is volgens mij heel eenvoudig: het moet uit vrije wil gebeuren. Je kan het niet opleggen. Iedereen die lid wil worden van Comedytrain wil hetzelfde, namelijk op een podium staan en grappen maken. En dan doen de verschillen er niet meer toe.
Artistiek leider Jan Jaap van de Wal hield een betoog over twintig jaar Comedytrain en eindigde met het idee de groep op te heffen omdat alle doelen bereikt waren en het inmiddels een gemakzuchtig gezelschap dreigt te worden. Daarna gingen we brainstormen over de jubileumavond wat een hele uitdaging was met vijfenveertig comedians die zichzelf graag horen spreken. Dat wil zeggen, diegene die het aandurven, want je moet in zo’n gezelschap sterk in je schoenen staan wil je wat durven zeggen. Voor je het weet maakt iemand een grap over je.
Zelfverzekerd door een glanzende carriere of juist onverschillig geworden voor hoon en spot door het ontbreken daarvan, voerde vooral de oude garde het woord. Of, zoals in mijn geval, opgelucht dat ik niet binnen een half uur alleen aan de bar stond.
Overigens had ik niet het idee dat we erg constructief bezig waren want ook na een uur brainstormen was mij in het geheel niet duidelijk wat er 25 oktober gaat gebeuren. Hoe dan ook, het jubileum is al geslaagd.

9/14/2010

Wilders (2)

Er zijn veel mensen die het aanstaande kabinet met de PVV als een groot naderend onheil beschouwen. Ze vinden dat Wilders voor verruwing in het debat zorgt, ze vinden dat hij bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet; ze maken zich zelfs zorgen om de rechtstaat.
Ik maak me ook zorgen om de rechtstaat, maar niet zozeer vanwege Wilders.
Laat ik vooropstellen dat ik ook niet van zijn woordkeuze en retoriek houd; het is express en onnodig kwetsend. Er zijn helaas meer islamcriticasters die daar last van hebben, of ik moet zeggen, hadden: Van Gogh, Fortuin.
Dat is nou eenmaal de prijs die je betaalt voor een vrije samenleving; je mag (bijna) alles zeggen. Je zou alleen hopen dat mensen het niet altijd doen.
Maar in plaats van over wat er wel gezegd wordt, maak ik me eerder zorgen om wat er niet gezegd wordt. Bijvoorbeeld door cabaretiers als Youp van ’t Hek en Dolf Jansen die doorgaans over alles en iedereen een mening hebben. Het kan zijn dat ik iets gemist heb, maar ik hoor ze nooit harde grappen maken over moslims. Niet dat ik vind dat je harde grappen over moslims moet maken, maar als een cabaretier overal grappen over maakt behalve over moslims vind ik dat verontrustend. Dan lijkt het erop dat hij dat niet durft.
Wat me ook zorgen baart is dat ik de critici van Wilders niet of nauwelijks hoor over de toename van geweld tegen homo’s en Joden, zoals vandaag weer blijkt uit cijfers van de politie (Landelijk Criminaliteitsbeeld Discriminatie). Het aantal meldingen van antisemitische discriminatie incidenten is in 2009 gestegen met bijna 50 procent, het aantal geregistreerde anti homo incidenten met 13 procent. Let op het woord: geregistreerde. In praktijk is het natuurlijk veel erger, de meeste mensen durven helemaal geen aangifte te doen of vinden het teveel gedoe of weten dat het toch niets oplevert.
Ten derde vindt ik het zorgelijk dat er zo weinig mensen compassie tonen met de situatie van Wilders die al jaren feitelijk geen priveleven meer heeft.
Toen er een fatwa werd uitgesproken over Salman Rushdie stond de hele wereld op z’n kop; iedere zichzelf respecterende politicus, schrijver, leider sprak zijn walging uit. Nu er een democratisch gekozen politicus vanwege zijn mening in safehouses moet wonen hoor ik niemand. Natuurlijk, als het ze gevraagd wordt spreken collega’s er schande van, maar er is nooit sprake geweest van een breedgedragen verontwaardiging.
Het lijkt er op dat mensen vinden dat hij het aan zichzelf te danken heeft; dat wie zich brandt op de blaren moet zitten; dat iemand die ‘kopvoddentaks’ durft te zeggen, minder recht heeft op vrijheid dan anderen.
Dat vind ik verontrustend.
Zwijgen is een grotere bedreiging voor de rechtstaat dan spreken. Hoe misplaatst en bekrompen de teksten soms ook mogen zijn.

9/09/2010

Goeroes zonder grenzen

Afgelopen vrijdag organiseerden wij, de Goeroes zonder grenzen, de eerste ‘Goeroes Relatie Verwendag (Women only)’.
Ik geloof niet dat ik er al eerder over schreef: Goeroes zonder grenzen is de naam van een act die ik samen met mijn vrienden Joep en Rutger maakte. We worden door bedrijven uitgenodigd om te spreken op congressen of bij andere bijeenkomsten en spelen dan drie bedrijvendokters die ieder na elkaar een presentatie geven: Joep speelt een te snelle jongen in paars overhemd; Rutger is een stijle, conservatieve ondernemer in pak en ik ben een zweverig, holistisch type met een wit gewaad aan . Omdat we als serieuze sprekers worden aangekondigd duurt het een tijdje voor mensen door hebben dat het een persiflage is, wat het uiteindelijk allemaal nogal hilarisch maakt. Als je een indruk wil krijgen kan je kijken op www.goeroeszondergrenzen.nl, waar ook een trailer te zien is.
Inmiddels bestaan we een jaar en speelden we ruim vijftig voorstellingen, wat meer is dan we ooit hadden durven dromen.
Overmoedig geworden door dit succes vonden we het daarom tijd worden om iets geks te doen; als je succesvol bent moet je dat immers ook uitstralen.
Het werd uiteindelijk de eerste ‘Goeroes Relatie Verwendag’ en omdat we het ludiek wilden houden werd het ‘Women only’.
Dus stuurden we in juni onze vrouwelijke relaties bij bedrijven een uitnodiging; we huurden een strandtent af in Zandvoort aan zee; we kozen een lekker menu uit, een borrelhapje, een welkomstdrankje; we bereidden een act voor; we lieten badges maken en boekten stervisagist Tom Sebastian voor een workshop ‘Tien jaar jonger in een dag’. Kosten noch moeite werden gespaard; wij gingen het begrip ‘relatiedag’ een nieuwe dimensie geven.
Het voelde ongelofelijk goed om dit allemaal voor onze relaties te doen; het voelde als een kadootje aan onszelf.
Dit licht euforische, zelfingenomen gevoel hielden we vast tot ongeveer anderhalf uur voordat de dames zouden komen. Toen sloeg de twijfel toe: waarom deden we dit ook al weer; we kenden die vrouwen niet of nauwelijks. Zouden ze onze act wel leuk vinden? Was Tom Sebastian eigenlijk wel op z’n plaats? Hadden we wel aan vegetarische maaltijden gedacht?
Plotseling kregen we visioenen van zwijgende vrouwen in mantelpakjes die ons vragend aankeken. We zagen tafels vol onaangeroerde schalen met heerlijk eten; we zagen onszelf hysterisch pogingen doen de sfeer erin te krijgen; we zagen norse vrouwelijke managers om half negen opstaan en zeggen dat ze hoofdpijn hadden en naar huis gingen.
Nooit voelde de afstand tussen man en vrouw groter dan in die laatste anderhalf uur. Even overwogen we om weg te gaan; om een briefje in de strandtent achter te laten met: ‘Lieve dames, door omstandigheden moeten wij weg, maar heel veel plezier!’
Maar natuurlijk bleven we. De dames kregen een drankje, wij deden onze act, zij moesten lachen en het ijs was gebroken. Achteraf hadden we het kunnen weten. Het is namelijk heel eenvoudig: een man wil aandacht; een vrouw wil verwend worden.

6/25/2010

Italie

Bij het loket van het station op het vliegveld Fulmicino in Rome kocht ik een eersteklas treinkaartje naar Spoleto. De man achter het loket keek op de klok en zei dat de trein pas om kwart over vijf vertrok.
Ik pakte mijn reisschema erbij dat ik de dag ervoor had uitgeprint en zei dat er volgens mij om vijf over vier ook een ging. Hij keek op het blaadje, haalde zijn schouders op en zei: ‘Oh’.
De trein rolde inderdaad volgens ‘mijn’ schema binnen en ik zocht tevergeefs naar een eersteklas coupe. Toen ik hem niet kon vinden vroeg ik de conducteur ernaar die begon te lachen en zei: ‘Al onze treinen zijn eersteklas’.
Ik was een week in Italie om te werken aan mijn nieuwe roman en om een oude vriend op te zoeken die er al tien jaar woont. Hij heeft een mooi appartement in het centrum van Spoleto dat uitkijkt over een kloostertuin. Er wonen nog vijf nonnen: drie van rond de tachtig en twee van Filippijnse afkomst die om en nabij de veertig zijn. Hun klooster is veel te groot en ze proberen het hoofd boven water te houden door kamers te verhuren. Voor twintig euro krijg je een doorgezakt bed, een bak koffie en een homp brood. Omdat het de goedkoopste bedden van de streek zijn logeren er soms hele voetbalelftallen die het ’s avonds in de kloostertuin op een zuipen zetten en zoveel lawaai maken dat je af en toe zelfs de weg niet meer hoort. De weg tussen Rome en Perugia waar al vijftien jaar geleden een geluidswal zou worden aangelegd die er nog steeds niet is.
Spoleto is een prachtig oud stadje dat zoveel historisch, cultureel erfgoed heeft dat de Italianen er achteloos mee omspringen.
Ze scheuren met hun Lanciaatjes en Fiatjes door de smalle, duizenden jaren oude straatjes; op elke hoek staat wel een kapelletje waar we in Nederland onmiddellijk een museum van zouden maken; iedere kerk heeft catacomben uit de Romeinse tijd waar we in Nederland direct een koord voor zouden spannen; kinderen trappen een balletje tegen de Cattedrale di S. Maria Assunta, herbouwd in de twaalfde eeuw; in het Romeins amfitheater worden hardhandig steigerpalen uitgeladen voor het muziekfestival later deze maand.
Italianen leven letterlijk bovenop het verleden. Je ziet muren waarvan de onderste stenen dateren uit de Romeinse tijd; daarboven liggen kleinere stenen van zeshonderd jaar later ; de poort dateert uit twaalf honderd en het bovenste gedeelte is nog geen honderd jaar oud. Alles wat overeind staat wordt gebruikt.
We spraken over hoe het is om in Italie te wonen: hij zei dat hij de gesprekken in Nederland (hij is elk jaar een paar weken in Nederland) zo vermoeiend vindt.
‘Het gaat het altijd over wat je doet, of over politiek’, zei hij. ‘Je moet je altijd verdedigen. In Italie gaan de gesprekken over het eten’.
Eten doen ze er veel en goed, vooral ’s middags. Rond het middaguur is het leeg op straat. Je ziet dichte deuren en donkere ramen met tralies. Het leven speelt zich af op de hogere verdiepingen; de ramen staan open; je hoort messen en vorken over borden schrapen, je hoort Italianen praten en je ruikt de heerlijke geuren van een goede keuken. Rond twee uur is het helemaal stil omdat iedereen siesta houdt.
Vanaf vier uur scheuren ze weer met hun autootjes door de straten.
Ik ken geen land dat zo duidelijk twee kanten heeft.
Of, zoals ik in een boek las: Italie is als een bloedmooie vrouw die in haar neus peutert.

5/19/2010

Een avond met J. M. Coetzee

Mijn vriendin en ik gingen naar de ‘Literaire avond met J.M. Coetzee’ ter ere van de zeventigste verjaardag van de Zuid-Afrikaanse schrijver en nobelprijswinnaar. De avond werd georganiseerd door het genootschap Literair Haarlem dat een programma had samengesteld met lezingen en optredens waarvan wij veel verwachtten; het betrof hier immers een van de grootste hedendaagse schrijvers ter wereld. Daarbij zat hij zelf op de eerste rij.
De avond, die plaats vond in de voor eenderde gevulde grote zaal van de Philharmonie te Haarlem, werd geopend door de burgemeester waarna een bandje volgde dat wij niet kenden. Zij zongen een over vijf minuten uitgesmeerd acht-regelig gedichtje waarvan vooral de refreinregel ‘Dat is het Droste effect’ door de zanger, die overigens het hele lied met zijn handen in zijn zakken stond, eindeloos herhaald werd.
Daarna volgde een tweede lied, ditmaal gezongen door een zangeres in een rode jurk. Waar het over ging werd ons helaas niet duidelijk omdat de violist van het bandje al na een halve minuut de smaak zo te pakken had dat hij zijn ‘vullertjes’ niet meer beperkte tot de ruimte tussen de tekstregels, maar in een lange solo het lied tot het einde toe vol fiedelde zodat je weliswaar de mond van de zangeres zag bewegen, maar enkel de viool hoorde.
Toen was het de beurt aan literair criticus, Pieter Steinz. Hij had schema’s opgesteld waarin invloeden van andere schrijvers op het werk van Coetzee werden blootgelegd. Ter verduidelijking zouden deze op een groot scherm geprojecteerd worden. Dat bleek nog niet zo makkelijk want Steinz had kennelijk nog nooit met een laptop gewerkt en er moest dan ook een technicus het podium op komen om de schema’s te voorschijn te toveren. Toen dat na enige moeite gelukt was bleek het om met de hand geschreven, ingescande krabbeltjes te gaan die op een afstand van drie meter al niet meer te lezen waren. Maar niets weerhield de spreker ervan zijn half uur durend betoog af te maken, ook niet het feit dat voor elk nieuw onleesbaar schema de technicus weer op moest komen draven. En ook niet dat er ineens een Skype pop-up te voorschijn kwam met de, ditmaal wel leesbare, tekst: ‘Hoi schatje, tijdje weg geweest. Hoe is ‘t?’
Na zijn bijdrage was het weer tijd voor muziek. Er werd een sopraan aangekondigd die drie liederen van Schubert zou zingen, waarbij de door Goethe geschreven teksten op hetzelfde scherm te zien zouden zijn.
De zangeres, die een mooie gebloemde jurk aan, had kwam enthousiast het podium oplopen. ‘Wie is het feestvarken eigenlijk?’, vroeg ze vrolijk. Coetzee, die op de eerste rij zat, bleef voor zich uit kijken zoals hij dat al de hele avond had gedaan.
‘Ik wilde maar niets zeggen want er wordt al teveel gezegd’, ging de zangeres verder, ‘daarbij kunt de teksten toch meelezen.’
Dat bleek ijdele hoop.
Halverwege het eerste lied kreeg de zangeres het ook door; ze onderbrak haar pianiste en zei op het scherm wijzend: 'Dit klop niet'.
Dat had ze juist gezien en dus kwam de technicus het podium weer op lopen in een poging de de fout te herstellen maar het laatste schema van Steinz bleek niet meer van het scherm te branden hetgeen hem er uiteindelijk toe bracht de laptop maar gewoon dicht te klappen en het podium onverrichter zake te verlaten.
Hierop verliet de voorzitter van Literair Haarlem zijn plek op de eerste rij en liep naar achteren om even later zwetend terug te keren met de mededeling dat de tekst door omstandigheden niet zichtbaar was. Maar, vulde hij aan, de teksten stonden wel op een vel papier dat in de foyer lag en dat we voor aanvang mee hadden kunnen nemen. Helaas had vrijwel niemand dat gezien zodat de sopraan besloot tot een uitvoerige inleiding op de liederen.
We waren toen inmiddels anderhalf uur verder.
Gelukkig kwam daarna Nelleke Noordervliet die de avond in haar eentje redde met een mooie, geestige en boeiende lezing over de betekenis van het werk van Coetzee, waarbij ze geen technische hulpmiddelen gebruikte.
Aan het slot van de avond kwam de schrijver zelf op. Hij zei: ‘Bedankt voor de warme ontvangst’ (wat naar ik begreep voor zijn doen uitzonderlijk uitvoerig was), las drie bladzijden voor uit zijn laatste roman en vertrok weer.
Ik vroeg me af of hij ooit zo'n ontvangst had meegemaakt.

4/29/2010

Rotary

Ik moest een lezing houden voor de Rotary.
De Rotary is een organisatie die zich ten doel stelt om goede doelen te ondersteunen. Daartoe komen elke woensdagavond in heel Nederland (Nederland telt bijna 500 Rotaryclubs) een aantal mannen (en een enkele vrouw) samen om met elkaar te eten en te drinken en om te bespreken wat er allemaal moet gebeuren.
Er is ook altijd een spreker; de ene keer is het iemand van de club zelf die iets vertelt over zijn werk of over een boek dat hij gelezen heeft; de andere keer is het iemand van buiten.
Dit keer was ik dat.
Toen ik aankwam stonden de heren van club Velsen Zuid buiten op het terras van ‘de theeschenkerij’ te borrelen. Het was precies de lokatie die ik me bij de Rotary had voorgesteld: een mooi oud theehuis middenin een parkje waar herten en reeen graasden tussen de honderdjaar oude eiken en lindes. Het zou een goed decor zijn voor een verfilming van een Couperus-roman.
Van binnen voldeed het gebouwtje al evenzeer aan mijn verwachtingen; een hoge zaal met ornamenten; een donkere eikenhouten vloer; hoge spiegels, een lange bar en goedkope, donkerbruine tafels en stoelen. Het had iets koloniaals; iets van vergane glorie. Het paste wel bij dit gezelschap waar de gemiddelde leeftijd zestig was en het voor vrouwen pas sinds twee jaar is toegestaan om lid te worden. Overigens had – zo te zien - nog geen vrouw de behoefte gevoeld.
Na de borrel gingen we aan tafel om de broodmaaltijd met gehaktbal te nuttigen, en toen iedereen klaar was stond de voorzitter op om een paar agendapunten door te nemen zoals de aanstaande zeiltocht met de (Rotary)club uit Santpoort en de busreis in mei naar een bevriende club in Duitsland. Tijdens dit gedeelte van de bijeenkomst ging er een sigarenkistje rond waaruit de leden een lootje pakten waarna zij er een euro voor in de plaats legden. Het bleek een soort bingo te zijn waarvan de opbrengst – als ik het goed begrepen heb – naar een kinderopvang project in Nigaragua ging.
Ik moest even denken. Nicaragua? Was dat niet dat land dat vijfentwintig jaar geleden in het nieuws was? Ging het niet om contra’s en Sandinisten en het oprukkende communisme?
De koude oorlog, het paste er helemaal bij. Net als de lange ‘burgermeestersketting’ van de voorzitter en het feit dat ieder die iets wilde zeggen eerst ging staan. En net als de reacties na afloop van mijn lezing: vriendelijk, beleefd, maar ook gereserveerd. Omdat het natuurlijk ook een eer is om daar te mogen spreken.

4/13/2010

Thijsse's hof

Er zijn niet veel mensen als we op zondagochtend het hek binnengaan van Thijsse’s hof. Thijsse’s hof is een plantentuin die ooit werd aangelegd ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van Jac. P. Thijsse, die ik ken van de vergeelde Verkade-albums uit de boekenkast van mijn ouders.
Bij de ingang worden we aangesproken door een man in een groene overall en met een witte baard. Hij lijkt zo weggelopen uit een van de boeken van Rien Poortvliet, die naast de Verkade albums van Thijsse stonden. Op zijn pak zit een bordje ‘Beheerder’ gespeld.
‘Mag ik jullie wat moois laten zien?’, vraagt hij aan mijn dochters.
Ze kijken me vragend aan. Mijn vriendin heeft gisteren net een preek gehouden naar aanleiding van de uitzending van Peter R. de Vries over pedofiel Koos H. die voor de geheime camera uitlegt hoe hij dertig jaar geleden meisjes meelokte en vermoordde, dus mannen die dit soort vragen stellen zijn verdacht. Zeker als ze witte baarden hebben.
‘Toe maar’, zeg ik, ‘leuk.’
De man neemt ons mee naar een vijvertje waar groene en bruine kikkers zitten. Je kan het verschil niet alleen zien, maar ook horen, legt hij uit: een groene kikker kwaakt, een bruine bromt.
‘Kijk die twee’, zegt mijn dochter. Ze wijst op twee parende kikkers.
‘Prachtig he’, zegt de man, ‘echt schitterend.
Ik kijk hem vanuit mijn ooghoeken even aan.
‘Ja leuk’, zeg ik.
We zijn even stil en kijken naar de kikkers.
Dan zegt hij: ‘er zit een nijlgans in de grote vijver’.
‘Mooi’, zeg ik.
‘Helemaal niet’, zegt hij, ‘de nijlgans jaagt de ijsvogel weg.’
Hij kijkt een beetje beteuterd voor zich uit.
Dan ineens weer vrolijk: ‘Ik heb nog wat voor jullie’.
We lopen achter hem aan naar een houten huisje dat even verderop staat.
‘Normaal gesproken maak ik dit alleen open voor scholen’, zegt hij, ‘maar jullie vinden het vast leuk om het even te zien’.
Hij steekt de sleutel in het slot en doet de deur open.
Binnen hangen prikborden met foto’s en tijdschriftartikelen aan de muur; op de vloer staan een paar vitrines met opgezette vogels.
De luiken zijn dicht, de enige verlichting komt van een peertje in de punt van het dak.
Waren mijn dochters ook meegegaan, als ik er niet bij was geweest, vraag ik me af.
‘Kijk, dit is een fazant’, zegt de man die ik steeds minder leuk begin te vinden, ‘mooi he, echt prachtig. En dit is een merel en hier heb je een puttertje. Schitterend he. Kan je het zien?’
Mijn dochter knikt.
JA, knikt ze.
Maar toch pakt de groene kabouter haar op en laat haar het puttertje zien.
‘Gewoon effe leuk’, zegt hij, ‘als het niet druk is kan je wat extra’s doen.’
‘Mmmm’, zeg ik.
Als we weer buiten staan vraagt hij of hij de bijenkast nog even moet laten zien.
‘Nee, we lopen zelf wel even rond’, zeg ik.
Als we weglopen roept hij ons na: ‘Bij de vijver zitten nog mooie hagedissen’.
Ik knik en steek mijn duim op.
‘Die zijn nu aan het paren’, roept hij, ‘echt prachtig.’

4/08/2010

Amadeus

Omdat mijn dochter (tien) een werkstuk over Mozart maakt, besloot ik haar en haar tweelingzusje de film ‘Amadeus’ te laten zien. Hij is weliswaar bedoeld voor 12 jaar en ouder, maar met die leeftijdscodering is het natuurlijk hetzelfde als met snelheidscontroles: er zit altijd een meetcorrectie in. Je kan op de snelweg ook rustig 130 rijden zonder een bon te krijgen.
Het enige waar ik me zorgen over maakte was de scene waarin de man met het zwarte masker in opdracht van Salieri (of was het Salieri zelf? Dat is me nog steeds niet duidelijk) Mozart benadert om een Reqiem te schrijven.
Ik was vroeger altijd bang voor Zorro en de man van de Sandeman reclame vanwege hun zwarte masker en hun zwarte cape.
Dus bereidde ik ze erop voor, wat ik beter niet had kunnen doen omdat mijn dochters vervolgens iedere vijf minuten vroegen wanneer die enge man nou kwam.
Toen de scene uiteindelijk kwam en mijn dochters door de vingers van hun handen keken, bleek ik loos alarm te hebben geslagen. ‘Pffft, is dit nou alles?’, vroegen ze semi verveeld.
Ze genoten van de film, al vonden ze Mozart wel een raar mannetje.
‘Lachte ie echt zo raar?’, wilde mijn ene dochter weten.
‘Geen idee’, antwoordde ik, ‘het is maar een film, misschien is het verzonnen.’
‘Zagen de mensen er vroeger echt zo uit?’, vroeg mijn andere dochter.
‘Ja’, zei ik, ‘iedereen droeg toen een pruik.’
‘Waarom heeft Salieri dan nooit een pruik op?’, vroeg ze.
Het was met nog niet eerder opgevallen. Ze heeft een scherp oog, dacht ik.
Ik was vergeten hoe groot de rol van Salieri, componist en tijdgenoot van Mozart, was. Hij die als geen ander het goddelijke talent van Mozart zag, maar niet kon verkroppen dat hij door hem overschaduwd werd. Uiteindelijk besluit hij hem op alle mogelijke manieren tegen te werken.
Na Mozart’s vroege dood leeft hij nog tweeendertig jaar. Salieri ziet het als een cynische daad van God; in die jaren wordt zijn werk steeds minder en dat van Mozart steeds meer gespeeld. ‘Ik ben de kampioen van de middelmaat’, roept hij aan het eind van de film uit, ‘de beschermheilige van de middelmatigen’.
Ik keek naar mijn dochters naast me op de bank en vroeg me af of ik ze wel genoeg voorbereid op de middelmatigheid van het leven.
‘Een zeven voor aardrijkskunde is echt heel goed’, zei ik.
Mijn dochters keken me verbaasd aan.
‘Waar heb je het over?’, vroegen ze.

3/23/2010

Voorjaar

Ik schoof het raam open. Dat is makkelijker opgeschreven dan gedaan, want de contragewichten van het enorme, achttiende eeuwse raam van mijn kantoor zijn te licht waardoor ik iedere keer als ik het open wil doen eerst mijn werktafel opzij moet schuiven zodat ik er tenminste recht voor sta. Alleen dan heb ik genoeg kracht om het open te krijgen. Om mijn rug heel te houden moet ik vervolgens diep door de knieen buigen wat knap lastig is omdat de ombouw van de radiator in de weg staat. Als ik het raam eenmaal omhoog heb moet ik het met een hand vasthouden en met de andere het blok hout dat aan de zijkant ligt ertussen schuiven. Daarna kan de werktafel weer terug.
Ik snoof de voorjaarslucht op en luisterde naar de geluiden. Dat is het mooie van een geopend raam: niemand ziet je; je hebt niks met de wereld te maken en toch maak je er deel van uit. Ik hoorde scholieren praten, fietsers belden, brommertjes scheurden. Opgewektheid alom.
Na drie minuten merkte ik dat ik te optimistisch was geweest. Mijn kantoor zit aan de noordzijde van de straat zodat ik wel de zon zie op de huizen tegenover mij, maar niet de warmte voel. Op zich is dat een perfecte ligging: noorderlicht is het mooiste licht en praktisch is het ook, vooral in de zomer als het bloedheet is.
Maar je hebt minder open raam uren.
Ik deed het raam weer dicht – kwestie van het blok hout wegtrekken en zorgen dat je vingers er niet tussen zitten - en besloot even naar buiten te lopen om de eerste voorjaardag mee te maken. Die mag je niet ongemerkt voorbij laten gaan, vind ik sinds ik de veertig gepasseerd ben.
Dus deed ik mijn jas aan en liep naar buiten richting Markt. En ja hoor, iedereen zat op het terras. Met dikke jassen aan weliswaar; in het begin van het voorjaar is men nog bereid ver te gaan voor een kop koffie en een beetje zon.
Ik slenterde wat door de stad, langs Brinkman, Stempels, La Plume; ik zag twee dames van rond de zestig met hoogblond, gefohnt haar uit Rob Peetoom (“Haal het mooiste uit jezelf”) komen. Ik zag dat de man van de viskraam zijn voortent had opgerold.
Tevreden ging ik terug naar mijn kamer, maar het schrijven wilde niet lukken. Steeds had ik het gevoel dat ik iets miste, hier alleen aan mijn werktafel gezeten. Als het raam open had gekund, had ik dat gevoel vast niet gehad.
Om half vijf stapte ik op de fiets om op tijd thuis te zijn om mijn dochter naar pianoles te brengen.
‘Ze gaat zelf’, zei mijn vriendin, toen ik thuis kwam.
‘Wat?’, vroeg ik.
‘Naar pianoles.’
Ik wist dat deze dag zou komen, maar het overviel me toch.
‘Maar ze kijkt niet achterom als ze naar links moet’, zei ik.
‘Alle kinderen uit haar klas fietsen al zelf naar school’, zei mijn vriendin, ‘ze moet het toch een keer doen.’
‘Tuurlijk’, zei ik, ‘volgende week. Maar ik denk dat het beter is dat ik nog een keer meefiets. Weet ze de weg wel?’
‘Ze kan het allang’
‘Ja maar ...’
Maar mijn vriendin was niet te vermurwen en zo stond ik even later mijn dochter uit te zwaaien, haar eerste zelfstandige fietsschreden zettend op deze eerste, mooie voorjaarsdag.

3/16/2010

Versterplein 2

Op verzoek hierbij de tekst van het lied dat ik schreef voor de CD van Nationaal Monument Kamp Vught die in mei verschijnt (zie ook mijn blog van 6 januari)

Versterplein
(Nieuwe cowboys op het plein)

Je gaat terug naar het plein
Bij de school en het station
Waar je vroeger cowboy speelde
Jij altijd van de Indianen won

Het is kleiner dan je dacht
Tussen de tegels groeit gras
Je kijkt naar de wolken
Je denkt aan hoe het was

Je ziet jongens spelen
Nieuwe cowboys op het plein
Als je de tijd weglaat
Had jij het kunnen zijn


Je denkt aan het voorjaar
Schoolreis met je klas
De bus van Pelikaan
Drop en Sinas in je tas

En na een eindeloze dag
Staan de moeders op het plein
Jullie onder de banken
Hee, waar zouden ze nou zijn?

Je ziet jongens spelen
Nieuwe cowboys op het plein
Als je de tijd weglaat
Had jij het kunnen zijn


Je houdt een foto in je hand
Van de school en het station
Juni vierenveertig
Er staat een rij voor het perron

En daar een lege bus
De moeders op het plein
De kinderen met hun tas
Staan te wachten op de trein

God dat je dat nooit hebt geweten
Toen je speelde op dat plein
Als je de tijd weglaat
Had jij het kunnen zijn

3/05/2010

Crisis

De verkoopster van Vittorio Marchesi (overhemden en maatpakken) staat buiten haar winkel te roken. Het is al de derde keer deze ochtend dat ze daar staat. Ze ziet er piekfijn uit: zwarte rok, wit blousje, hakjes, haar in een staart. Ze heeft alleen niemand om indruk op te maken want er is vandaag nog geen klant naar binnen gegaan.
De crisis hijgt de winkeliers in de Zijlstraat in hun nek. Vanuit mijn kantoor kan ik het het goed volgen: bij Bandolera gaat gemiddeld een dame per uur de winkel binnen en die komt er meestal zonder tas weer uit; bij Geddes & Gillmore is de korting zo hoog dat ze de kleding bijna weggeven; Jan Valks heeft opheffingsuitverkoop en de etalage van Stefanel is leeg. Twee weken geleden kwam er een vrachtwagen voorrijden waarin alle kleding uit de zaak verdween; inmiddels hangen er grote borden ‘Te huur’ voor de ramen.
Vorige week was ik in een zaak iets verderop waar op het raam stond ‘Vandaag laatste dag open’. Alles ging met vijfenzeventig procent korting weg. Ik kwam er tegen vijven binnenlopen, zocht in de kledingrekken die kris kras door elkaar stonden en kocht er een jasje en een broek die ik achter een bloempot moest passen omdat de pashokjes al uit elkaar geschroefd tegen een muur stonden.
Al die tijd stond de verkoper te bellen. Geen wonder dat hij failliet is, dacht ik. Maar aan de andere kant kon ik me ook voorstellen dat hem de motivatie ontbrak om op zijn laatste dag klanten te helpen.
Zo te horen belde hij met zijn vriendin. Het was geen hartelijk gesprek. Ook dat nog, dacht ik: zaak failliet, vriendin weg. Ongeluk komt nooit alleen.
Toen ik bij de kassa stond hing hij eindelijk op.
‘Vijfenzeventig procent korting’, zei hij. Ik meende iets verwijtends in zijn stem te horen.
Ik betaalde, hij deed de kleren in een tas en zei: ‘Veel plezier ermee. Ruilen kan alleen met de b...’
Hij stopte middenin zijn zin.
‘... met de bon’, maakte ik zijn zin af, ‘en ruilen – ik keek op mijn horloge - binnen een uur.’
Hij lachte een beetje en ik geneerde me voor mijn misplaatste gevatheid.
Toen ik terug liep moest ik denken aan een aasgier die al aan het lichaam van een buffel pikt die nog niet dood is.

2/22/2010

Streep

Er is een mooi gedicht van Toon Tellegen. Het begint zo:

Ik trok een streep:
tot hier,
nooit ga ik verder dan tot hier.

Toen ik verderging
trok ik een nieuwe streep,
en nog een streep.

Ik moest eraan denken toen het de afgelopen weken over Afghanistan ging.
Wat me stoorde in de discussie was de stelling dat Nederland zijn geloofwaardigheid verliest als het bij zijn besluit blijft om de troepen eind van dit jaar terug te trekken.
Frankrijk en Duitsland waren indertijd falikant tegen de inval in Irak. Zijn zij daarom niet meer geloofwaardig? Is hun rol op het internationale toneel daardoor uitgespeeld?
Het omgekeerde lijkt me eerder het geval: een land dat zich zo makkelijk laat intimideren dat het zijn besluiten, die met heel veel moeite genomen zijn, terug draait hoef je niet serieus te nemen.
Af en toe moet je een streep trekken en juist niet verder gaan.
Jaren geleden schreef ik een tekst voor liedje van Xander de Buisonje. Toen ik de CD waar het liedje op stond in handen kreeg zag ik dat er in het boekje spelfouten stonden in de tekst en dat mijn naam bij de credits ontbrak. Ik belde zijn platenmaatschappij en kreeg een of andere ongeinteresseerde jurist aan de lijn die zei dat hij het jammer voor me vond maar dat hij er helaas niets aan kon doen. Ik besloot dit keer een streep te trekken en zei hem dat hij er wel degelijk wat aan kon doen, namelijk nieuwe boekjes drukken waarin de spelfouten verbeterd waren en waarin mijn naam niet ontbrak.
De man viel bijkans van zijn stoel en begon te roepen dat ik gek was en dat mijn carriere als liedjesschrijver voorbij was. De volgende dag viel de brief van mijn advocaat op zijn deurmat en omdat ik juridisch gezien gelijk had moest hij inderdaad nieuwe boekjes laten drukken.
Ik schrijf dit niet om mezelf op de borst te kloppen, maar om wat er daarna gebeurde: drie maanden later namelijk belde een producer van diezelfde platenmaatschappij op of ik wat wilde schrijven voor Ruth Jacott. En weer een paar maanden later zette Bastiaan Ragas (ook dezelfde platenmaatschappij) een liedje van mij op zijn CD.
Mensen die dreigen dat je je geloofwaardigheid verliest staan meestal heel zwak. Als je het gelijk aan je kant hebt moet je geen nieuwe strepen trekken.