10/17/2016

Leef!

Afgelopen zaterdag stond er een interview in de VK met Youp van ’t Hek. Ik was benieuwd of hij na zijn ziekte anders over het leven was gaan nadenken.
Dat was niet zo.
De strekking van het interview was nog steeds hetzelfde: Je moet Leven! Met uitroepteken. En je moet vooral niet zeuren.
Iedereen die klaagt is een zeikerd, vindt van t Hek, want je kiest er zelf voor om werk te doen dat je niet leuk vindt of om, ik citeer, met een takkewijf te trouwen.
Youp gaat er dus vanuit dat het leven maakbaar is, en dat je alles zelf in de hand hebt.
Daarmee plaatst hij zich feitelijk in dezelfde traditie als geluksgoeroes zoals Emile Ratelband: Succes is een keuze. Ongelukkig zijn ook.
Dat is mijns inziens een nogal eenvoudige weergave van de werkelijkheid. Er kunnen volgens mij allerlei redenen zijn waarom je niet gelukkig of succesvol bent: genetische aanleg bijvoorbeeld. Of een lastige jeugd. Je kan behept zijn met een geest die twijfelt. Je kan iets vreselijks meemaken.
Volgens mij heeft van ‘t Hek het vooral over zichzelf: hij wist wat hij wou, hij is gelukkig, hij zeurt niet.
Feitelijk is zijn boodschap: als je gelukkig wil worden, word dan zoals ik.
En hoe word je dat: door te Leven!
Het lastige van dit soort wijsheden vind ik altijd is dat ze zo weinig concreet zijn.
Ja, je moet leven, maar hoe dan?
Elke week op en neer naar Parijs liften wordt ook saai op den duur.
Ik denk dat hij bedoelt: durf. Niet bang zijn. Doe wat je hart je ingeeft.
Dat vind ik op zich wel een goed uitgangspunt, maar ook hier geldt weer: dat gaat over hem. Bij hem pakte het goed uit.
Ik ken nog wel een paar mensen die hun hart volgden en nu op hun vijftigste anti kraak wonen. Of in een afkickkliniek zitten. Of dood zijn.
Misschien heb ik vooral last van het absolute karakter van zijn logica. Je moet leven! En als je dat niet doet moet je niet zeiken. Dan heb je het allemaal aan jezelf te danken.
Op internet circuleert een filmpje van een populaire Indiase goeroe. In dezelfde absolute logica laat hij zien dat er nooit reden is om je zorgen te maken.
Hij begint zo:
Do you have a problem in life? No? Then why worry?
Dit snap ik nog wel. Als je geen probleem hebt, hoef je je ook geen zorgen te maken. Maar dan.
Do you have a problem in life? Yes? Can you do something about it? Yes? Then why worry?
Dit lijkt logisch, maar het is onzin. Als je namelijk een probleem hebt en je kan er wat aan doen, blijft de knagende vraag: wat dan? Bijvoorbeeld, je kind wordt gepest op school. Kan je er wat aan doen? Ja, maar wat? Haal je je kind van school of laat je hem er juist op; ga je met de pesters praten of maak je het daarmee juist erger; doe je je kind op weerbaarheidstraining of maak je hem daar juist onzeker mee?  Er zijn wel tien mogelijkheden, alleen je weet niet wat wijsheid is. Dus maak je je zorgen.
Do you have e problem in life? Yes? Can you do something about it? No? Then why worry?
Natuurlijk. Mevrouw, u hebt kanker. Is er nog iets aan te doen? Nee. O, prima, dan hoef ik me verder  geen zorgen te maken.
Van ’t Hek doet feitelijk precies hetzelfde als deze Indiase goeroe die bij zijn ‘zweefteven’ zo populair is: hij vereenvoudigt de werkelijkheid zo sterk dat ze niets meer met de werkelijkheid te maken heeft.
Wat overblijft zijn schijnwijsheden die, als je er even over nadenkt, eigenlijk helemaal niks zeggen.
Maar goed, je verstand gebruiken is natuurlijk niet de bedoeling, want dan Leef! je weer niet.






10/11/2016

Cavia

Gisteren liet de cavia zich voor het eerst in zijn zevenjarig bestaan zomaar aaien.Toen ik goed keek zag ik dat hij weinig keuze had: hij kon zich nauwelijks meer bewegen want zijn hele achterlijf was opgezwollen.
Toen hij een paar uur later nog steeds in hetzelfde hoekje zat leek hij wel een ballon met pootjes, dus belde ik de dierenarts die meteen door had dat het niet goed was. Ze adviseerde me langs te komen en het beestje in te laten slapen.
Ik twijfelde even omdat het vijftig euro kostte; maar wat is vijftig euro op een cavialeven?
Daarbij, hij had het niet zo heel goed gehad bij ons. Hij zat alleen in een hok buiten en net zoals dat gaat bij een winkel die zich niet in de centrale winkelstraat bevindt maar in het steegje ernaast, zo had hij ook niet erg veel aanloop. Zeker in de winter vergaten we hem regelmatig en kwam ik er pas achter dat hij geen eten meer had en dat zijn water bevroren was als ik, ‘s avonds laat, bibberend van de kou, de vuilniszak in de kliko deed. Dan pakte ik vloekend het flesje uit het hok, hield het onder de warme kraan en hing het weer terug.
Dus hem verder lijden besparen leek me het minste dat ik kon doen.
Ik deed handschoenen aan om hem op te pakken, bang als ik was dat er allerlei vloeistoffen zouden ontsnappen of, erger nog, dat hij onder druk van mijn handen zou ontploffen, en deed hem in een doosje. Hij piepte zachtjes, maar verroerde zich niet.
In de dierenkliniek werd hij op de tafel gezet. ‘Hij heeft al moeite om zijn lichaamswarmte op peil te houden’, zei de dierenarts. Ik voelde het ook: hij was koud. 
Ze pakte een injectienaald en spoot een rode vloeistof in zijn lijf. Ik vroeg me af of je met dat spul ook een mens zou kunnen doden, maar ik vond het niet het moment om dat te vragen.
Terwijl ik hem aaide en de arts een handdoekje over zijn achterlijf legde wachtten we samen op de dood. 
‘Het kan even duren’, zei ze.
Ik vroeg me af waar we het over moesten hebben. Ik besloot maar wat over haar vak te beginnen. Is een kip ook een huisdier, vroeg ik. En: hebben jullie echt een IC voor honden?
Na een paar minuten pakte de dierenarts haar stetoscoop en luisterde. Het is gebeurd, zei ze.
Ik deed het beestje terug in het doosje en rekende af. 
Op de terugweg zag ik het leven van onze cavia als een film aan me voorbij trekken: hoe mijn dochter hem uitzocht bij de dierenwinkel; hoe ik een hok timmerde; hoe het konijn van mijn andere dochter een stuk uit zijn oor beet, hoe hij later gezelschap kreeg van een zwarte cavia; hoe hij de laatste jaren meestal in het donkere binnenhok zat. 
Om het leed voor mijn dochter te verzachten, baarde ik de cavia op: ik deed stro op de bodem van het doosje, sloot zijn oogjes, die me, ondanks dat hij dood was, aankeken met een mengeling van verwijt en hulpeloosheid en drapeerde wat bloemen om hem heen.
Toen mijn dochter van school kwam en in het doosje keek zei ze: ‘Aaah’.
Daarna ging ze naar boven om huiswerk te maken.


10/03/2016

Vindicat

Er is de afgelopen week al veel gezegd over de incidenten bij studentenvereniging Vindicat, toch wil ik er ook iets over zeggen.
Omdat het me aan het hart gaat; ik was er zelf lid. Sterker, ik zat in de Senaat.
Ik wil drie punten behandelen.
Allereerst: de ontgroening
Het universiteitsbestuur van Groningen pleit voor het afschaffen van de ontgroening. Ik vind dat een nogal rigoreuze maatregel. Wekelijks krijgen scheidsrechters op voetbalvelden klappen, maar volgens mij heeft nog nooit iemand gepleit voor het afschaffen van amateurvoetbal.
Daarbij, het is een utopie; ontgroening is een veenbrand: je trapt hem hier uit, hij laait even verder weer op.
Ik denk juist dat je hem veel serieuzer moet nemen, want hij heeft wel degelijk een functie.
In feite doen studentenverenigingen namelijk wat de overheid de afgelopen veertig jaar heeft nagelaten: ze zorgen voor een gedegen inburgering van nieuwkomers. Je leert tijdens zo’n introductietijd heel snel de gewoontes en waarden van een samenlevinkje kennen.
Je zou kunnen zeggen dat de problemen met de jongeren in Zaanstad het gevolg zijn van het ontbreken van een ontgroening. Rapper Boef zou een stuk aangepaster zijn geweest als hij een maandje was ontgroend bij Vindicat.
Het probleem met de ontgroening is dat het een doel op zich is geworden. Ontgroenen om het ontgroenen. Het interesseert niemand meer waarom het ook al weer was, het is gewoon leuk om iemand af te zeiken, leuk om de macht te voelen die je als ouderejaars even hebt. Lekker ook om jouw frustraties bot te vieren op een hulpeloos slachtoffer.
De ontgroening gaat mis door amateurisme. Onder het mom van traditie en folklore doet iedereen maar wat.
Je zou het m.i. professioneler moeten aanpakken. Meer onderbouwd, meer doelgericht en steeds voor ogen houdend: waarom doen we dit ook al weer?
Dan het op internet gepubliceerde lijstje van meisjes en hun bedprestaties. Dat is natuurlijk walgelijk, maar om nou, zoals NRC deed, te stellen dat het corps een cultuur heeft waarin seksisme wordt aangemoedigt, is echt onzin. Natuurlijk zijn jongens op het corps seksistisch, maar dat is iedere jongen van twintig die met een paar vrienden in de kroeg zit en een biertje drinkt.
Jongens hebben het nou eenmaal met elkaar over konten, tieten, lekkere wijven, dat is echt overal hetzelfde: in de kleedkamer van de voetbalclub, in het cafe na de bijeenkomst van de Jonge Socialisten of na afloop van een redactievergadering van het NRC.
Als je seksisme uit wil bannen moet je elke kroeg, elk clubhuis van Nederland langs.
Dan mijn derde punt: het gesloten karakter.
Het corps is veel te veel in zichzelf gekeerd. Dat is wel enigszins begrijpelijk als je ziet wat voor reacties er los komen bij een incident zoals vorige week. Wat een haat, wat een woede barst er los op internet, en wat een absurde vooroordelen. Maar goed, dat schijnt erbij te horen tegenwoordig; het komt ongetwijfeld van dezelfde holbewoners die vinden dat alle Marokanen dieven zijn en alle vluchtelingen serieverkrachters.
Helaas vond ik de reactie van minister Bussemakers ook nogal  dubieus: ze wilde dat Sybrand van Haersma Buma zich openlijk distantieerde van zijn oude vereniging omdat hij vorig jaar vond dat alle moslims zich zouden moeten distantieren van IS. Nog even en ze staat in een zaaltje te roepen: wllen we meer of minder corpsleden?
Maar goed, het corps heeft dat ook aan zichzelf te danken: het moet gewoon opener worden. Je kan in deze tijd niet meer doen alsof je op een onbewoond eiland zit en de rest van de maatschappij daar ergens op het vaste land. Dan roep je de problemen over jezelf af.
Toen ik in de Senaat zat lag er een verzoek van een journalist en twee fotografen om een boek over Vindicat te maken. Daar waren veel leden toen tegen, maar ik vond het juist wel een goed idee omdat we volgens mij niks te verbergen hadden. Een jaar lang waren ze overal bij; fotografeerden ze alles. Toen het boek uitkwam gebeurde er… niks. Geen rel, geen ophef. Natuurlijk er waren mensen die vonden dat het een zwijnenstal was bij ons, maar het geheimzinnige, het spannende, was er vanaf.
Het corps moet zich veel meer bewust zijn van het feit dat het onderdeel is van de maatschappij. Dat voorkomt ook later problemen, want volgens mij is er wel degelijk een parallel te trekken tussen het gesloten karakter van het corps en het gebrek aan realiteitszin bij topbankiers en andere topmensen in het bedrijfsleven.





9/12/2016

Bloedhond Wilders

Er stond een interessant artikel in de VK van zaterdag met de kop: Wilders regeert al.
Daarin werd betoogt dat Wilders helemaal niet uit is op regeren omdat hij, blaffend langs de zijlijn, veel meer macht heeft.
Daarom ook bestaat zijn verkiezingsprogramma uit elf, verder onuitgewerkte, punten die op een A 4 tje passen: hij is toch niet van plan ze uit te voeren.
Wilders gooit allerlei verschillende ingredienten bij elkaar in zijn pan met toversoep: radicale moslims preventief opsluiten, alle moskeeen dicht, een verbod op de koran, alle asielzoekerscentra dicht.
Het ene heeft heel weinig met het andere te maken:
Marokaanse jongens die hoog scoren in de criminaliteitsstatistieken gaan helemaal niet naar de moskee; Turkse Nederlanders die journalisten het werk onmogelijk maken zijn nooit vluchteling geweest.
Onzin dus.
En toch.
Hoe ongemakkelijk ik het ook vind om toe te geven: ik merk dat ik het wel prettig vind dat er iemand is die zulke botte, harde taal durft te spreken.
Omdat ‘zij’ het ook doen: radicale moslims, imams, terroristen
En, misschien nog belangrijker: omdat ik het dan niet hoef te doen.
Sterker, omdat ik me er dan tegen kan afzetten.
Ik zal proberen het uit te leggen.
Ik vraag me af of onze beschaafde, welvarende samenleving, opgewassen is tegen de rauwe, door dictaturen gevormde samenlevingen uit het Midden Oosten.
Ik vraag me af of je het redt met redelijkheid, met praten.
Ik denk het niet eigenlijk.
Daarom is het misschien wel noodzakelijk dat we hier iemand hebben die dezelfde rauwe, misleidende, onzinnige dingen roept als de mensen die het liefst onze vrije samenleving willen afschaffen.
Het is alsof je een dobberman pincher in huis hebt. Als er mensen aan de deur komen, zeg je tegen hem: ‘Af. Zit.’
En je wordt boos als hij blijft blaffen, je straft hem, je zet hem in zijn hok.
Maar je voelt je ook comfortabel bij het idee dat mensen weten dat jij een bloedhond in huis hebt. Dat je niet moet proberen in te breken.
Wilders is onze bloedhond. Hij gromt, hij dreigt, hij laat zijn tanden zien.
            Ik denk dat de lastige jeugd uit Zaandam die taal tenminste verstaat. Sterker, ik denk dat ze meer respect hebben voor Wilders dan voor welke andere Nederlandse politicus ook. Poetin heeft ook meer respect voor Trump dan voor Obama.
            Het is allemaal een kwestie van taal.
Ik sprak de moeder van een meisje uit ons dorp dat jarenlang gepest werd. Alles werd uit de kast gehaald om het te stoppen: er werden anti pestprotocollen ingesteld, er werd met ouders gesproken, met de pesters, er werd een crisisteam opgericht.
Niets hielp.
Tot de dag dat het meisje haar streetwise neefjes uit Amsterdam meenam, die op het schoolplein de pesters even in de hoek zetten en dingen zeiden als: ik sla je voor je kankerbek als je haar nog een keer aanraakt, of, ik trek de je kop van je romp als je ooit nog iets onaardigs zegt.
Toen was het klaar. Het was een kwestie van twee minuten, zei de moeder, daarna is ze nooit meer gepest.
Boeven bestrijd je met boeven. Wilders is de noodzakelijke boef.
Ik denk dat het weldenkende deel van Nederland Wilders moet koesteren: zolang hij er is kunnen wij ons de luxe permitteren om tegen hem te zijn.


8/15/2016

De lamp voor Ali en Achmad

In het kader van mijn nieuwe roman die over vluchtelingen gaat,  heb ik regelmatig contact met twee Syrische broers, Ali en Achmad.
Ze zijn respectievelijk 23 en 21 jaar oud, en zijn vorig jaar gevlucht uit Aleppo.
De eerste negen maanden verbleven ze in een AZC, maar vorige maand kregen ze eindelijk de sleutels van hun eigen flatje.
Eergisteren bezocht ik ze daar.
Omdat ik niet met lege handen aan wilde komen had ik in de krinkloopwinkel een stalamp voor ze gekocht. Een loodzwaar ding, met drie gouden poten en een groene namaakbronzen houder met krullen waarin een matglazen bak zat met daarin twee lampen. Daarbovenuit stak een soort fonteinwaterstraal van goud.
Niet echt mijn smaak, maar ik ben een paar keer in Syrie geweest en daar zag ik alleen maar van dit soort protserige meubels. Dus ik dacht dat dit wel zou aanslaan.
Toen ik aankwam stond Ali al in de deuropening op me te wachten. Net zoals hij alle voorgaande ontmoetingen bij de poort van het AZC klaar had gestaan.
‘Hello King’, zei hij. Hij noemt me al sinds onze eerste ontmoeting ‘king’ van ‘king Arthur’.
‘Ali’, zei ik, ‘how are you.’
‘Goed’, zei hij, maar het klonk niet erg overtuigend.
Ik liep achter hem aan, vier trappen op, naar de bovenste verdieping.
Het flatje keek aan de voorkant uit op een pleintje met andere flats, aan de achterkant op de randweg. Tot mijn verbazing was alles wat er in stond nieuw: de bank, de tafel, de stoelen, de tv, de ijskast, de wasmachine. Ik wist dat asielzoekers die op zichzelf gaan wonen van de overheid een beetje geld krijgen om huisraad te kopen, maar ik had verwacht dat ze hun inboedel in krinloopwinkels bij elkaar zouden scharrelen.
Ik begon me enige zorgen te maken over mijn kado.
Ze hadden een Syrische lunch voor me gemaakt om te vieren dat ze eindelijk een eigen woning hadden, maar erg feestelijk werd het niet.
Ze waren somber. Ze hadden zo uitgekeken naar het appartement, naar niet meer in dat hok in het AZC te hoeven zitten, maar nu ze hier waren, viel het tegen.
In het AZC leefde je weliswaar op elkaars lip maar er ze hadden er wel vrienden.
Hier kenden ze niemand. Ja, de onderbuurvrouw, maar die was tachtig; En de buurman, maar die sprak geen Engels.
Ik probeerde ze op te beuren: ‘als je straks de inburgeringscursus gaat doen leer je vanzelf mensen kennen.’
‘De cursus begint in november’, zei Ali. Ik wist wat dat betekende: weer een paar maanden wachten.
Vluchteling zijn is vooral veel te veel tijd hebben om na te denken over hoe slecht het leven je behandeld heeft.
            Ik besloot om ze als troost mijn kado aan te bieden. Ik liep naar beneden, haalde de lamp uit de auto, tilde hem naar boven en zette hem in hun kamer.
Het bleef even stil.
De lamp was volkomen misplaatst: een drol in een keurig aangeharkt tuintje.
‘Thank you king’, zei Ali. Ik hoorde de teleurstelling in zijn stem.
Misschien is dat wel het echte drama van de vluchteling: je moet dankbaar zijn voor alles, maar eigenlijk valt alles tegen. De vrijheid, de zelfstandigheid, het kado dat je krijgt.           
Toen ik wegging vroeg ik of ze nog iets nodig hadden.
‘All we need is friends’, zei Ali.
            Hij begeleidde me naar beneden en zwaaide me uit. Toen ik aan het eind van de straat was en in mijn spiegel keek zag ik dat hij nog steeds stond te zwaaien.




8/03/2016

Omgaan met vrouwen

Er staat een interessante documentaire van The Gardian op internet over asielzoekers in Noorwegen die verplicht een cursus omgaan met vrouwen moeten volgen.
Ook in Nederland is er sprake van.
Het lijkt me wel wat, Sterker, ik zou er zelf ook wel op willen.
Ik kan wel wat begeleiding gebruiken bij het geven het het juiste antwoord op de vraag die ik elke ochtend weer krijg: ‘Vind je dat deze rok me dik maakt?’ Een vraag waarop ik, ook na zestien jaar relatie, het juiste antwoord nog niet heb gevonden.
Als ik ja zeg praat ze twee dagen niet meer met me, als ik nee zeg, zegt ze: dat zeg je alleen maar omdat ik anders twee dagen niet met je praat en als ik niks zeg, zegt ze: praat nou es tegen me.
Maar goed, misschien is dit meer iets voor de gevorderden cursus, want de basisprincipes van het respectvol omgaan met vrouwen zijn er bij mij wel ingeramd.
Ik ben namelijk opgegroeid in de jaren zeventig, op het hoogtepunt van de feministische golf, of beter gezegd: van de feministische terreur, in een dorp waar de meerderheid van de ouders en sowieso alle leraren op school PSP of PPR stemden.
Het was niet te doen, als jongen van zestien die stijf stond van de hormonen, want echt alles wat je deed of zei was verkeerd. Als je iets te lang naar een meisje keek was je een seksist; als je een deur voor haar openhield was je een machtswellusteling en als je vroeg of ze meeging naar huis was je een potentiele verkrachter.
In het uitzonderlijke geval dat je verkering kreeg, werden de afspraken door haar moeder vantevoren goed duidelijk gemaakt: jij doet de afwas, want vrouwen hebben dat al eeuwen gedaan; jij doet de boodschappen want het is veel te rolbevestigend als een vrouw dat doet en jij koopt nooit een kettinkje of een ringetje voor haar want dat zijn symbolen van mannelijk imperialisme.
Het is een wonder dat ik er zonder al te veel frustraties en complexen ben afgekomen. Althans dat zegt mijn psycholoog.
Er zijn nog wel wat overeenkomsten tussen het links feministische milieu in de jaren zeventig in Nederland en het streng islamitische milieu in sommige landen van waaruit asielzoekers komen: het rigide veroordelen van mannelijke, seksuele gevoelens; het dragen van lichaamsbedekkende kleding: de tuinbroek was de niqaab van de feministe; een soort kuisheidspolitie bestaande uit naar zweet ruikende, okselhaardragende vrouwen die andere vrouwen veroordeelden die zich naar hun zin te sexy kleedden.
Dat extreme feminisme duurde maar kort en verloor geleidelijk aan invloed; mannen mochten stukje bij beetje weer meer man zijn.
Voor vluchtelingen is dat veel lastiger: die zijn een levenlang doordrenkt met een idee en worden van de ene op de andere dag in een nieuwe wereld gekatapulteerd.
In de documentaire zie je mannelijke asielzoekers in een klasje zitten kijken naar een plaatje van een vrouw in een kort rokje. De docent zegt: je ziet hier een vrouw met een kort rokje. Daar bedoelt ze niets mee.
De mannen knikken braaf.
Of het helpt weet ik niet.
Wat ik wel weet is dat overal waar gedurende een langere tijd een te strenge moraal heerst, het vroeger of later misgaat.
Daarvoor hoef je niet naar het Midden Oosten. Kijk maar naar de groepsverkrachtingen in de katholieke kerk, denk maar aan Engeland waar ieder jaar wel weer een conservatief lid van het lagerhuis met een feilloze moraal over gezin en kinderen, gekneveld wordt aangetroffen in een SM kelder met een stofzuigerslang in zijn achterste.
De man is nou eenmaal een slaaf van zijn lusten. Hoe meer je die onderdrukt, hoe gestoorder hij wordt.



7/29/2016

Reaganesk


Tijdens de democratische conventie in Philadelphia gebeurde iets opmerkelijks.
Toen Barack Obama het had over Donald Trump haalde hij oud president Ronald Reagan aan. Niet om ze met elkaar te vergelijken, maar juist om ze tegen elkaar af te zetten.
Obama zei:
Ronald Reagan noemde Amerika ‘een glanzende stad gelegen op een heuvel’. Donald Trump noemt het ‘een gepolariseerde crime scene’, die alleen hij kan aanpakken.
Ik vond het bijzonder dat een Democraat op de democratische conventie een Republikein citeerde, en helemaal dat het Ronald Reagan was.
En ik realiseerde me weer eens hoe het oordeel over iemand na verloop van tijd kan veranderen.
Reagan wordt nu algemeen beschouwd als een van de grote presidenten van de vorige eeuw; de man die het communisme versloeg. De man die de Amerikanen, na een belabberde periode met de moord op Kennedy, de Vietnam oorlog, Watergate, hun eigenwaarde terug gaf.
Terwijl hij indertijd door de Democraten werd gezien als het grote kwaad; een joker, een domme, middelmatige acteur die met zijn dreigende retoriek een gevaar vormde voor de wereldvrede.
Als illustratie van zijn domheid herinner ik mij nog een fragment dat eigenlijk niet bestemd was voor uitzending. Voorafgaand aan een radio toespraak zegt Reagan bij wijze van soundcheck het volgende. Hou daarbij in gedachten dat we ons op het hoogtepunt van de koude oorlog bevonden:
Geluidsfragment
My fellow Americans, I’m pleased to tell you that today I have signed legislation that will outlaw Russia forever. We begin bombing in five minutes.
Het was een van de fameuze en beruchte grappen van Reagan. Hij maakte ze te pas en te onpas. Ze gaan vaak over het falende communistische systeem. Over dat het in de Sovjet Unie tien jaar duurt voordat je de auto die je besteld hebt geleverd krijgt. Maar dat je dan wel moet aangeven of ie in de ochtend of in de middag geleverd moet worden, omdat de loodgieter die dag ook al komt.
Nu ik die oude fragmenten terug kijk zie ik pas hoe goed hij die grappen brengt. Indertijd ergerde ik me daar voornamelijk aan.
Achteraf zie ik ook dat er wel degelijk een plan achter zat: Reagan wendde ieder middel aan om het communisme belachelijk te maken.
            Wat me ook opviel was dat Reagan zelfspot had. Hij is nooit te beroerd zichzelf onderuit te halen. Dat is misschien wel het belangrijkste en meest verontrustende verschil met Donald Trump: die kent geen enkele zelfrelativering. Iemand met zelfspot is zelden gevaarlijk, in tegenstelling tot iemand zonder.
De geschiedenis heeft Reagan gelijk gegeven. Hij was de juiste man op de juiste plaats en wij, die hem niet serieus namen of hem alleen maar konden zien als een domme gek, hadden ongelijk. Zelfs de Democraten erkennen dat nu, getuige het citaat van Obama gisteren op de democratische conventie.
            Aan deze constatering zit een ongemakkelijk aspect, want als je oordeel in historisch perspectief zo sterk kan veranderen, dan is het theoretisch dus ook mogelijk dat Trump over dertig jaar herinnerd zal worden als een groot president, de juiste man op de juiste plek. De man die de islamitische terreur de kop indrukte. Of de man die het sluimerende conflict tussen het Westen en Rusland wist te neutraliseren.
Ik kan me er niets bij voorstellen, maar dat kon ik ten tijde van Ronald Reagan ook niet.

Laten we maar hopen dat de toets der tijd aan Trump en aan ons voorbij gaat.

7/28/2016

Nieuws

De sportzomer op radio en tv is een interessant fenomeen: twee maanden lang is er veel minder tijd beschikbaar voor het ‘serieuze’ nieuws en veel meer voor sport.
Dat heeft met twee dingen te maken: ten eerste met het feit dat er heel veel sportevenementen zijn deze zomer en ten tweede met de zogenaamde komkommertijd: de periode waarin, volgens radio en tv makers niet veel nieuws te melden is.
Ik geloof daar eerlijk gezegd niet zo in: terroristen nemen geen vakantie, vliegtuigen vallen ook in de zomer naar beneden, IOC bestuurders blijven corrupt.
Weet je trouwens waar het woord komkommertijd vandaan komt? Uit Engeland. Het was de periode in de zomer waarin de Londense adel naar het platteland trok en er voor de kleermakers te weinig werk was.  Dus die gingen om geld te verdienen meehelpen  met het oogsten van komkommers.
Ik vroeg me af, mis ik dat nou, die extra uren nieuws op radio en tv?
Nou, ik mis Pauw en Jinek, zeker als er een Brexit is of een aanslag in Nice, maar verder valt het wel mee.
Dat kan betekenen dat we door het jaar heen op radio en tv veel meer tijd dan nodig is besteden aan serieus nieuws. Met de helft van de tijd lukt het ook.
Wat ook kan is dat we vooral verslaafd zijn aan de vorm nieuws en niet zozeer aan de inhoud. Het onderwerp doet niet terzake, als er maar wat gebeurt: een aanslag in Nice is even belangrijk als een etappe in de Tour de France.
De Brexit voldoet evenzeer aan onze honger naar nieuws als de finale van het EK voetbal.
Er is gewoon behoefte aan iets. Aan emoties. Je leent emoties, je verplaatst je in een ander: in het slachtoffer van een aanslag; in Daphne Schippers; in een bootvluchteling. Het maakt je leven rijker, het geeft je een gespreksonderwerp, het voedt de discussie, terwijl je gewoon veilig thuis zit met je benen omhoog.
Nieuws is de snack voor de hongerige consument. Of het nou een frikadel is of een pizza, maakt niet uit. Je moet gewoon wat in je maag hebben.
Klinkt misschien een beetje cynisch, maar ik betrap mezelf erop dat dingen waarover ik me, niet eens zo heel lang geleden, behoorlijk druk maakte, alweer totaal vergeten ben: de afluisterpraktijken van de NSA; de Griekse crisis en dan vooral minister van financien, Varoufakis; Ebola.
Nog maar twee jaar geleden maakten we ons grote zorgen over besmettingen in Nederland; mensen werden in quarantaine geplaatst. Steeds weer zagen we beelden van mensen in witte pakken die dorpen in Afrika langsgingen om zieke mensen te helpen.
Je hoort er niemand meer over.
Raar, want het aantal doden als gevolg van Ebola is de afgelopen anderhalf jaar nog behoorlijk opgelopen: van ruim drieduizend in oktober 2014, tot elfduizend nu.
Nieuws heeft een korte houdbaarheidsdatum. Je stopt het in je mond, je kauwt er een tijdje op en je slikt het door.
Althans, zo werkt het bij mij. Het is een consumptieartikel geworden.

Alleen de hele grote gebeurtenissen blijven in je geheugen gegrift staan: de moord op Theo van Gogh, de vliegtuigen in de Twin towers, het bijna doelpunt van Robben in de finale. Voor de rest blijft er niet zo heel veel van over. Het vormt hoogstens  de achtergrond waartegen je leven zich afspeelt, het landschap op de vakantiefoto: je ziet een heuvel, een paar huizen, een weg. Middenvoor sta jij met je fiets, je lacht, je steekt je duim omhoog. In de verte gaat de zon onder.

7/24/2016

Parijs

Ik was de afgelopen week in Parijs. Het Parijs van de aanslagen, het Parijs van de noodtoestand, het Parijs van de angst. Althans, dat is wat ik verwachtte aan te treffen op basis van de berichten in Nederland: een angstige stad. Met veel militairen, veel politie, schichtig om zich heen kijkende mensen.
Ook vanochtend weer stond er een artikel in de Volkskrant met als kop: Israelisering van Frankrijk in volle gang.
Ik heb er niets van gemerkt: alles was nog hetzelfde als vorig jaar en de jaren daarvoor: de overvolle terrassen, de bijdehandte obers, het heerlijke eten, de veel te hoge rekeningen, de dames in korte jurkjes, de pislucht onder de bruggen.
We fietsten langs de Bataclan, langs de terrassen waar vorig jaar nietsvermoedende cafegangers werden neergemaaid.
Overal zat het vol, overal werd gelachen, overal werd gedronken. Het ongebroken Joie de vivre als middelvinger naar Abdeslam en z’n treurige vriendjes.
Ik geef onmiddellijk toe dat mijn observaties wetenschappelijk niet veel voorstellen, maar toch: ik ben er vijf dagen geweest en ik heb niets gemerkt van enige dreiging.
Volgens mij zijn de Fransen totaal niet geintimideerd door de aanslagen.
En dat vind ik heel geruststellend.
We hebben nogal eens wat aan te merken op de Fransen: ze zijn arrogant, chauvinistisch, ze vinden zichzelf geweldig en dat willen ze weten ook. Kijk maar naar de musea, de kerken, de bruggen, de winkels. Alles ademt grootsheid, zelfgenoegzaamheid. Dat is allemaal waar, maar als het gaat om het bewaken van hun manier van leven, kunnen we nog een voorbeeld aan ze nemen
Frankrijk blijft Frankrijk, wat er ook gebeurt.
Om een voorbeeld te noemen: het land is de afgelopen decennia nauwelijks ver-Amerikaniseerd: je vind er bijna geen McDonalds; je moet goed zoeken naar een Starbucks.
Nederland is in vijftig jaar een ander land geworden, kijk maar naar de winkelstraten: die zijn in elke dorp, in elke stad hetzelfde: met een Etos, een Albert heijn, een C&A, een Xenos.
Frankrijk niet.
Goed, de auto’s, de bussen, de scooters zijn moderner, maar ze razen nog steeds oorverdovend hard over de kasseien.
Goed, er is wifi in het hotel, maar daar moet je extra voor betalen, en dat doe je maar een keer omdat het internet zo traag is dat je er niets mee kan.
Goed, er is een fietsenplan, de Velib Velo, maar om een fiets te kunnen bemachtigen moet je een menu van twintig stappen door dat je alleen kunt begrijpen als je Frans hebt gestudeerd.
Frankrijk gaat mee met de tijd als een ezel die geen zin heeft om nog een stap te verzetten; Nederland omarmt alles wat nieuw is als een kwispelende hond die op het punt staat uitgelaten te worden.
Als er een land is dat aanslagen kan weerstaan, is het Frankrijk wel. Nog geen honderd aanslagen zal de Fransoos veranderen.
Zelfs als heel Frankrijk is uitgemoord en er nog maar een Fransman over is, gaat hij op een terras zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Garcon, un pernod, s’il vous plait’.
In bovengenoemd artikel in de Volkskrant beschrijft de journalist Paris Plage: een kade langs de Seine waar ze ieder jaar zand storten en palmbomen neerzetten zodat er een strandje ontstaat. De journalist merkt op dat het dit jaar niet erg leuk meer is omdat het volstaat met betonnen bakken en omdat er overal zwaarbewapende politie rondloopt.
Ik zag wat anders: ik zag dat alle ligstoelen bezet waren, ik zag de mensen verliefd naar elkaar en naar het water staren, ik ze drinken en lachen.

Ik zag in Parijs wat de kracht is van behoudzucht en chauvinisme: iedere buitenstaander bijt er op den duur zijn tanden op stuk, zelfs een terrorist.

7/14/2016

Obama for interim

Vandaag word Theresa May de nieuwe premier van Engeland. Zij moet het land uit de EU lijden.
Of zij de juiste persoon op de juiste plek is moet nog blijken, wat wel duidelijk is , is dat de Europese Unie niet de juiste persoon op de juiste plek heeft.
En dat is verontrustend. Want juist in lastige tijden heb je iemand nodig die inspireert, iemand met visie, iemand die zegt wat jij voelt maar wat je niet onder woorden kan brengen.
Een soort Barack Obama dus eigenlijk.
De afgelopen tijd viel het me weer op hoe goed hij is, hoe genuanceerd en hoe scherp.
Als voorbeeld wil ik een fragment laten horen van een lezing op een universiteit waarin hij het heeft over populisme:
Geluidsfragment
It’s not cool to not know what you’re talking about. It’s not keeping it reel, it’s not telling it at it is. It’s not challenging political corectness. That’s just not knowing what you’re talking about.
Het is niet cool om niet te weten waar je het over hebt. De spijker op z’n kop.
Ter vergelijking laat ik nu een fragment horen van de ‘president’ van Europa: Jean Claude Juncker, drie weken eerder:
Geluidsfragment
We expect the United Kingdom to formulate its proposals in this respect and the agreement which can be concluded with the UK as a third country will have to reflect the interests of both sides and be balanced in terms of rights and in terms of obligations.
Het is misschien flauw om een fragment te nemen waarin Juncker stottert, maar het viel me op dat hij dat heel vaak doet. Waar het mij vooral om gaat is dat er niets inspirerends van hem uitgaat. Zijn taal is ambtelijk, zijn toon vlak, ik moet drie keer luisteren voor ik begrijp wat hij bedoelt. En dat op een sleutelmoment in de geschiedenis van Europa, de dag na de Brexit. Dat op het moment dat we juist zo’n enorme behoeft hebben aan een inspirerende leider.
Gisteren kreeg ik een inval.
Obama zit vanaf november zonder baan. Waarom vragen we hem niet om de Europese unie de komende jaren te leiden? Als een soort interim manager. En ik meen dat heel serieus. Hij is het enige antwoord op het groeiende populisme, hij is de enige die alle kwaliteiten in huis heeft die we nu nodig hebben.
In het bedrijfsleven is het heel gewoon om topmannen weg te kopen bij de concurent, ongeacht uit welk land ze komen. In het voetbal gaan trainers van de ene naar de andere continent, eigenlijk wordt er overal om ons heen geschoven met topmensen. Alleen staatshoofden doen het nog niet.
Laten we de globalisering naar een hoger plan tillen; laten we gaan voor kwaliteit, laten we over onze eigen schaduw heen stappen.
Obama is nog jong, hij heeft ervaring, hij is inspirerender dan alle Europese premiers bij elkaar, hij is tranfervrij. En hij hoeft zijn slogan nauwelijks aan te passen. Van Yes, we can, naar Yes, EU can. Met EU.

Obama is de enige die Europa kan redden. Laten we daar niet te moeilijk over doen: zeventig jaar geleden werden we ook door Amerikanen gered.

6/01/2016

Discriminatie

Eergisteren werd rapper Typhoon aangehouden omdat de politie de grootte van zijn auto in combinatie met zijn zwarte huidskleur verdacht vond. Die auto moest wel gestolen zijn of met crimineel geld afgerekend.
Even los van de het discriminerende karakter van de aanhouding vind ik het minstens zo verontrustend dat een agent oprecht denkt dat criminelen in een Mitsubishi Outlander PHEV rijden. Als er één auto burgerlijk, saai en vooral lelijk is, is het de Mitsubishi Outlander wel, daar wil geen crimineel dood in gevonden worden.
De reacties logen er niet om: massaal vielen politici over elkaar heen om er schande van te spreken. En natuurlijk, het klopt niet.
Maar ik wil er toch graag een kanttekening bij maken.
Wat er namelijk nu gebeurt is dat iedereen wijst naar de politie. Die deugt niet, die discrimineert, die bestaat uit blanke, racistische mannetjes.
Ik vind dat te makkelijk.
Laat ik voorop stellen dat ik begrijp dat het ontzettend vervelend is om als gekleurde man of vrouw zomaar aangehouden te worden op basis van je uiterlijk; ik begrijp dat je daar kwaad van wordt en strijdbaar.
Maar ik begrijp eerlijk gezegd die agent ook wel. Als in een bepaalde wijk de criminaliteit onder allochtone jongeren twee of drie keer zo hoog is als bij autochtone, vind ik het niet zo verwonderlijk dat je eerder een gekleurde jongen in een dure auto aanhoudt, dan een blanke.
Wat zich hier wreekt is het verschil tussen theorie en praktijk.
Natuurlijk zou het beter zijn als de politie iedereen exact gelijk tegemoet treedt, maar dat is een onmogelijke opgave.
Vooroordelen zijn er altijd bij iedereen.
Om mezelf als voorbeeld te nemen: als ik ’s avonds laat in een donker steegje een groepje jongeren tegenkom maak ik meteen een inschatting of ik dat bedreigend vind of niet. Daarbij spelen ontzettend veel factoren een rol. Bijvoorbeeld, schreeuwen ze of zijn ze rustig. Zijn het alleen mannen of zijn het mannen en vrouwen. Hebben ze capuchons over hun hoofd. Hebben ze bierflesjes in hun hand. Spreken ze met een accent, en welk accent dan, spreken ze Nederlands of niet.
Allemaal factoren, gebaseerd op allemaal vooroordelen, die bepalen: loop ik door of draai ik om.
Om nog een voorbeeld te geven: een hard pratende, Duitse toerist met overgewicht benader ik ook anders dan een iel, Japannertje met een fototoestel.
Vooroordelen, discriminatie, het hoort bij mensen, overigens ook bij mensen die zelf gediscrimineerd worden.
Je maakt mij niet wijs dat Sylvana Simons, of Quinsy Gario geen vooroordelen hebben. Bijvoorbeeld tegen blanke, hoog opgeleide mannen die vinden dat Zwarte Piet zwart moet blijven.
Je maakt mij niet wijs dat er geen Turken zijn die Armenen discrimineren. Je maakt mij niet wijs dat er geen Marokanen uit Casablanca zijn die Marokanen uit het Rif gebergte discrimineren.
Daarom vind ik de enorme verontwaardiging over de aanhouding van Typhoon enigszins selectief en hypocriet.
Ik vrees dat discriminatie hoort bij mensen zoals ziektebacterien op onze huid.

We moeten er alles aan doen om het tegen te gaan, maar het is ook een fact of life.

5/23/2016

Max en Jeroen

Afgelopen vrijdag was Max Verstappen een uur lang te gast bij Pauw.
Het interview begon met een fragment uit de race met de door Olaf Mol uitgesproken, nu al legendarische woorden: Joehee, johoo, jo fucking ho.
Dat was niet alleen historische televisie door de prestatie van Verstappen waaraan de woorden gekoppeld waren, maar wat mij betreft ook omdat het woord fucking daarmee definitief geaccepteerd is als scheldwoord.
Tot vorige week zondag sprak ik mijn kinderen nog op aan op het gebruik van dat woord, precies zoals mijn moeder mij dertig jaar geleden aansprak op het gebruik van het woord kut, maar inmiddels is het fragment zo vaak herhaald dat ik mij er op betrap het zelf af en toe ook te gebruiken.
Het vraaggesprek dat volgde was leuk. Heel leuk.
Allereerst omdat Verstappen zulke goede antwoorden gaf: steeds to the point, steeds met begrip voor het feit dat Pauw geen enkel verstand van de materie had.
Nooit meewarig, steeds behulpzaam.
Misschien is dat sowieso wel een idee, dacht ik: sporters laten interviewen door journalisten die er niets vanaf weten. Sporters zijn nou eenmaal competatieve mensen die alles als wedstrijd zien, ook een interview. Als vanaf het begin duidelijk is dat zij de bovenliggende partij zijn, zullen ze eerder ontdooien.
Wat ook fijn was dat Verstappen antwoord gaf op de vraag die gesteld werd en niet op een vraag die niet gesteld werd, zoals politici gewoon zijn te doen. Je zag aan Jeroen Pauw dat hij dat ook leuk vond. Ook hij was opener en relaxter dan gebruikelijk.
Maar de grootste verademing vond ik wel: Verstappen was niet arrogant.
Wel zelfbewust.
Hij vind het logisch dat hij succes heeft, omdat hij zoveel talent heeft, zo hard werkt en een vader heeft die hem vanaf zijn vierde begeleidt, maar hij klopt zich er niet voor op de borst.
Wat een wereld van verschil met de meeste jonge voetballers.
Bekijk een willekeurig interview met Memphis Depay en je ziet wat ik bedoel. Zijn houding is verveeld, arrogant, zijn antwoorden zijn nietszeggend, vol clichees.
Nee, dan Verstappen. Gemotiveerd, vakkundig, bescheiden.
Grappig ook dat hij op de ochtend van de race nog allerlei verplichtingen had zoals een meet & greet met gasten van de sponsor. Kom daar bij het eerste van Ajax maar eens om op een competitiezondag als ze tegen Cambuur moeten.
Grappig ook dat zijn moeder niet bij de wedstrijd kon zijn omdat ze moest werken. Daar spreekt een zekere nuchterheid uit. En relativering.
Misschien dat dat het gebrek aan arrogantie verklaart.
            Volgens mij zijn er vier soorten sporthelden.
De eerste categorie is de antiheld. Die vind je veel in het wielrennen: Joop Zoetemelk, Steven Kruiswijk. Ik las vanochtend dat Kruiswijk begonnen is bij wielervereniging Trap met Lust. Dan weet je het wel. Ik las ook dat hij een fanclub had, maar dat die op zijn verzoek was opgeheven.
De tweede categorie is de glamourheld: Usain Bolt, Ibrahimovic. Mensen die zich enorm aanstellen, maar zo goed zijn dat we het door de vingers zien.
De derde categorie is de glamour net niet held. Mensen die zich gedragen als Ibrahimovic, maar lang zo goed niet zijn. Royston Drente, Memphis Depay, het halve eerste elftal van Ajax.
De laatste categorie is de naturel held. Verstappen, Daphne Schippers, Dennis Bergkamp, Rafael Nadal.
Mensen die zelfbewust zijn, maar niet arrogant.
Toen Nadal een keer werd gevraagd waar zijn bescheidenheid vandaan kwam, antwoordde hij: ‘Mijn oom heeft me altijd geleerd dat je pas arrogant mag zijn als je een medicijn tegen kanker hebt uitgevonden.’
Misschien is het verschil tussen arrogant en zelfbewust wel dit: arrogante mensen zien alleen zichzelf. Zelfbewuste mensen zien zichzelf in relatie tot de wereld. 

Iedereen heeft een oom nodig die ze vertelt wat echt belangrijk is in het leven.

4/27/2016

Kapster

Afgelopen zondag was minister Bussemakers te gast bij WNL om te melden dat de Cito weer doorslaggevend wordt als de leraar een lager schooladvies geeft dan de uitkomst van de toets aangeeft.
Op zich begrijp ik dat wel, ware het niet dat ik de Cito, zoals ik vorige week in mijn column heb aangegeven,  een onrechtvaardige, stigmatiserende toets vind die slechts één soort intelligentie meet, nml analytische.
Hoezeer iedereen op die intelligentie gericht is bleek wel uit de reactie op een fragment uit 1970 dat WNL liet zien en waarin aan een meisje wordt gevraagd wat ze later wil worden.
Interviewer: Wat wil jij later worden?
Meisjes: … Kapster.
Ze wil kapster worden.
En luister nu hoe er dan in de studio gereageerd wordt.
Hahaha.
Rick Nieman: En dat moet worden? Rechter, hoogleraar, minister.
Mijn vraag is: waarom zou iemand niet de ambitie mogen hebben om kapper te worden? Zegt het niet meer over de vooroordelen van de aanwezigen: een meisje en dan ook nog kapper willen worden. Dat zou niet moeten mogen.
Maar belangrijker: waarom zou ze in godsnaam hoogleraar moeten worden of rechter of minister?
De reactie op dit fragment laat zien dat ons schoolsysteem er nog steeds op gericht is zoveel mogelijk mensen naar het hbo of de universiteit te brengen. Iets, zo heb ik me laten vertellen, dat nog stamt uit de tijd van de industriele revolutie, toen we meer dan genoeg  arbeiders hadden, maar veel te weinig analytisch opgeleide mensen.
Maar de wereld is veranderd en er is vandaag de dag volgens mij veel meer behoefte aan andere intelligenties: creatieve bijvoorbeeld, of praktische of visuele.
De Cito toetst iets dat we honderd jaar geleden nodig hadden.
De Engelse hoogleraar Ken Robinson, die al decennia lang pleit voor een andere benadering van onderwijs vertelt in zijn prachtige TedX lezing ‘How school kills creativity’ een mooi verhaal.
Het gaat over een muziekleraar in Liverpool, eind jaren vijftig, die op zeer ouderwetse manier les geeft, en die een jongen in de klas heeft die er niets aan vindt. Hij zit steeds omgedraaid in de les, let niet op. Aan het eind van het jaar krijgt hij een 3. Met de aantekening erbij dat hij geen enkel muzikaal gevoel heeft.
Dat was Paul McCartney.
Twee jaar later heeft hij weer zo’n jongen in de klas die niet meedoet en het verschikkelijk vindt. Ook hij krijgt een 3.
Dat was George Harrison.
Deze leraar had dus de helft van de meest vernieuwende en succesvolle band ter wereld in zijn klas, maar herkende hun talent niet.
            Misschien is dat wel wat me zo frustreert aan de Cito toets: het herkent talent niet.
Ik denk dat school zou moeten gaan om het herkennen van talent en ambitie. Natuurlijk, er moeten ook een aantal dingen gewoon geleerd worden, en het hoeft ook helemaal niet altijd leuk te zijn, en school is er ook om te leren af te zien en om fouten te maken, allemaal waar, maar uiteindelijk heeft zowel het kind als de maatschappij er veel meer aan om mensen af te leveren die iets doen wat ze interessant vinden, waar ze blij van worden.
Als kapper worden je gelukkig maakt, wie heeft dan het recht om daar meewarig over te doen?
Het lijkt in de hele discussie over ongelijke kansen in het onderwijs wel alsof er maar één doel is: alle leerlingen naar het hbo of universiteit.
Over die ongelijke kansen wil ik tot slot ook nog iets zeggen: er zal altijd ongelijkheid zijn. Een kind van laag opgeleide ouders heeft wat minder kans op een hoge opleiding dan een kind van hoog opgeleide ouders, al was het maar omdat het thuis minder vaak goed Nederlands hoort, of omdat niemand het kan helpen bij een rekensom. Of omdat het minder gemotiveerd wordt.

Omgekeerd geldt dat ook trouwens: een kind dat opgroeit in een villawijk in Wassenaar zal minder kans hebben om profvoetballer te worden dan een kind dat opgroeit in Betondorp. Omdat zijn vriendjes niet voetballen, omdat zijn ouders het niet stimuleren, of omdat hij geacht wordt rechter te worden of hoogleraar of minister.