7/24/2016

Parijs

Ik was de afgelopen week in Parijs. Het Parijs van de aanslagen, het Parijs van de noodtoestand, het Parijs van de angst. Althans, dat is wat ik verwachtte aan te treffen op basis van de berichten in Nederland: een angstige stad. Met veel militairen, veel politie, schichtig om zich heen kijkende mensen.
Ook vanochtend weer stond er een artikel in de Volkskrant met als kop: Israelisering van Frankrijk in volle gang.
Ik heb er niets van gemerkt: alles was nog hetzelfde als vorig jaar en de jaren daarvoor: de overvolle terrassen, de bijdehandte obers, het heerlijke eten, de veel te hoge rekeningen, de dames in korte jurkjes, de pislucht onder de bruggen.
We fietsten langs de Bataclan, langs de terrassen waar vorig jaar nietsvermoedende cafegangers werden neergemaaid.
Overal zat het vol, overal werd gelachen, overal werd gedronken. Het ongebroken Joie de vivre als middelvinger naar Abdeslam en z’n treurige vriendjes.
Ik geef onmiddellijk toe dat mijn observaties wetenschappelijk niet veel voorstellen, maar toch: ik ben er vijf dagen geweest en ik heb niets gemerkt van enige dreiging.
Volgens mij zijn de Fransen totaal niet geintimideerd door de aanslagen.
En dat vind ik heel geruststellend.
We hebben nogal eens wat aan te merken op de Fransen: ze zijn arrogant, chauvinistisch, ze vinden zichzelf geweldig en dat willen ze weten ook. Kijk maar naar de musea, de kerken, de bruggen, de winkels. Alles ademt grootsheid, zelfgenoegzaamheid. Dat is allemaal waar, maar als het gaat om het bewaken van hun manier van leven, kunnen we nog een voorbeeld aan ze nemen
Frankrijk blijft Frankrijk, wat er ook gebeurt.
Om een voorbeeld te noemen: het land is de afgelopen decennia nauwelijks ver-Amerikaniseerd: je vind er bijna geen McDonalds; je moet goed zoeken naar een Starbucks.
Nederland is in vijftig jaar een ander land geworden, kijk maar naar de winkelstraten: die zijn in elke dorp, in elke stad hetzelfde: met een Etos, een Albert heijn, een C&A, een Xenos.
Frankrijk niet.
Goed, de auto’s, de bussen, de scooters zijn moderner, maar ze razen nog steeds oorverdovend hard over de kasseien.
Goed, er is wifi in het hotel, maar daar moet je extra voor betalen, en dat doe je maar een keer omdat het internet zo traag is dat je er niets mee kan.
Goed, er is een fietsenplan, de Velib Velo, maar om een fiets te kunnen bemachtigen moet je een menu van twintig stappen door dat je alleen kunt begrijpen als je Frans hebt gestudeerd.
Frankrijk gaat mee met de tijd als een ezel die geen zin heeft om nog een stap te verzetten; Nederland omarmt alles wat nieuw is als een kwispelende hond die op het punt staat uitgelaten te worden.
Als er een land is dat aanslagen kan weerstaan, is het Frankrijk wel. Nog geen honderd aanslagen zal de Fransoos veranderen.
Zelfs als heel Frankrijk is uitgemoord en er nog maar een Fransman over is, gaat hij op een terras zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Garcon, un pernod, s’il vous plait’.
In bovengenoemd artikel in de Volkskrant beschrijft de journalist Paris Plage: een kade langs de Seine waar ze ieder jaar zand storten en palmbomen neerzetten zodat er een strandje ontstaat. De journalist merkt op dat het dit jaar niet erg leuk meer is omdat het volstaat met betonnen bakken en omdat er overal zwaarbewapende politie rondloopt.
Ik zag wat anders: ik zag dat alle ligstoelen bezet waren, ik zag de mensen verliefd naar elkaar en naar het water staren, ik ze drinken en lachen.

Ik zag in Parijs wat de kracht is van behoudzucht en chauvinisme: iedere buitenstaander bijt er op den duur zijn tanden op stuk, zelfs een terrorist.

7/14/2016

Obama for interim

Vandaag word Theresa May de nieuwe premier van Engeland. Zij moet het land uit de EU lijden.
Of zij de juiste persoon op de juiste plek is moet nog blijken, wat wel duidelijk is , is dat de Europese Unie niet de juiste persoon op de juiste plek heeft.
En dat is verontrustend. Want juist in lastige tijden heb je iemand nodig die inspireert, iemand met visie, iemand die zegt wat jij voelt maar wat je niet onder woorden kan brengen.
Een soort Barack Obama dus eigenlijk.
De afgelopen tijd viel het me weer op hoe goed hij is, hoe genuanceerd en hoe scherp.
Als voorbeeld wil ik een fragment laten horen van een lezing op een universiteit waarin hij het heeft over populisme:
Geluidsfragment
It’s not cool to not know what you’re talking about. It’s not keeping it reel, it’s not telling it at it is. It’s not challenging political corectness. That’s just not knowing what you’re talking about.
Het is niet cool om niet te weten waar je het over hebt. De spijker op z’n kop.
Ter vergelijking laat ik nu een fragment horen van de ‘president’ van Europa: Jean Claude Juncker, drie weken eerder:
Geluidsfragment
We expect the United Kingdom to formulate its proposals in this respect and the agreement which can be concluded with the UK as a third country will have to reflect the interests of both sides and be balanced in terms of rights and in terms of obligations.
Het is misschien flauw om een fragment te nemen waarin Juncker stottert, maar het viel me op dat hij dat heel vaak doet. Waar het mij vooral om gaat is dat er niets inspirerends van hem uitgaat. Zijn taal is ambtelijk, zijn toon vlak, ik moet drie keer luisteren voor ik begrijp wat hij bedoelt. En dat op een sleutelmoment in de geschiedenis van Europa, de dag na de Brexit. Dat op het moment dat we juist zo’n enorme behoeft hebben aan een inspirerende leider.
Gisteren kreeg ik een inval.
Obama zit vanaf november zonder baan. Waarom vragen we hem niet om de Europese unie de komende jaren te leiden? Als een soort interim manager. En ik meen dat heel serieus. Hij is het enige antwoord op het groeiende populisme, hij is de enige die alle kwaliteiten in huis heeft die we nu nodig hebben.
In het bedrijfsleven is het heel gewoon om topmannen weg te kopen bij de concurent, ongeacht uit welk land ze komen. In het voetbal gaan trainers van de ene naar de andere continent, eigenlijk wordt er overal om ons heen geschoven met topmensen. Alleen staatshoofden doen het nog niet.
Laten we de globalisering naar een hoger plan tillen; laten we gaan voor kwaliteit, laten we over onze eigen schaduw heen stappen.
Obama is nog jong, hij heeft ervaring, hij is inspirerender dan alle Europese premiers bij elkaar, hij is tranfervrij. En hij hoeft zijn slogan nauwelijks aan te passen. Van Yes, we can, naar Yes, EU can. Met EU.

Obama is de enige die Europa kan redden. Laten we daar niet te moeilijk over doen: zeventig jaar geleden werden we ook door Amerikanen gered.

6/01/2016

Discriminatie

Eergisteren werd rapper Typhoon aangehouden omdat de politie de grootte van zijn auto in combinatie met zijn zwarte huidskleur verdacht vond. Die auto moest wel gestolen zijn of met crimineel geld afgerekend.
Even los van de het discriminerende karakter van de aanhouding vind ik het minstens zo verontrustend dat een agent oprecht denkt dat criminelen in een Mitsubishi Outlander PHEV rijden. Als er één auto burgerlijk, saai en vooral lelijk is, is het de Mitsubishi Outlander wel, daar wil geen crimineel dood in gevonden worden.
De reacties logen er niet om: massaal vielen politici over elkaar heen om er schande van te spreken. En natuurlijk, het klopt niet.
Maar ik wil er toch graag een kanttekening bij maken.
Wat er namelijk nu gebeurt is dat iedereen wijst naar de politie. Die deugt niet, die discrimineert, die bestaat uit blanke, racistische mannetjes.
Ik vind dat te makkelijk.
Laat ik voorop stellen dat ik begrijp dat het ontzettend vervelend is om als gekleurde man of vrouw zomaar aangehouden te worden op basis van je uiterlijk; ik begrijp dat je daar kwaad van wordt en strijdbaar.
Maar ik begrijp eerlijk gezegd die agent ook wel. Als in een bepaalde wijk de criminaliteit onder allochtone jongeren twee of drie keer zo hoog is als bij autochtone, vind ik het niet zo verwonderlijk dat je eerder een gekleurde jongen in een dure auto aanhoudt, dan een blanke.
Wat zich hier wreekt is het verschil tussen theorie en praktijk.
Natuurlijk zou het beter zijn als de politie iedereen exact gelijk tegemoet treedt, maar dat is een onmogelijke opgave.
Vooroordelen zijn er altijd bij iedereen.
Om mezelf als voorbeeld te nemen: als ik ’s avonds laat in een donker steegje een groepje jongeren tegenkom maak ik meteen een inschatting of ik dat bedreigend vind of niet. Daarbij spelen ontzettend veel factoren een rol. Bijvoorbeeld, schreeuwen ze of zijn ze rustig. Zijn het alleen mannen of zijn het mannen en vrouwen. Hebben ze capuchons over hun hoofd. Hebben ze bierflesjes in hun hand. Spreken ze met een accent, en welk accent dan, spreken ze Nederlands of niet.
Allemaal factoren, gebaseerd op allemaal vooroordelen, die bepalen: loop ik door of draai ik om.
Om nog een voorbeeld te geven: een hard pratende, Duitse toerist met overgewicht benader ik ook anders dan een iel, Japannertje met een fototoestel.
Vooroordelen, discriminatie, het hoort bij mensen, overigens ook bij mensen die zelf gediscrimineerd worden.
Je maakt mij niet wijs dat Sylvana Simons, of Quinsy Gario geen vooroordelen hebben. Bijvoorbeeld tegen blanke, hoog opgeleide mannen die vinden dat Zwarte Piet zwart moet blijven.
Je maakt mij niet wijs dat er geen Turken zijn die Armenen discrimineren. Je maakt mij niet wijs dat er geen Marokanen uit Casablanca zijn die Marokanen uit het Rif gebergte discrimineren.
Daarom vind ik de enorme verontwaardiging over de aanhouding van Typhoon enigszins selectief en hypocriet.
Ik vrees dat discriminatie hoort bij mensen zoals ziektebacterien op onze huid.

We moeten er alles aan doen om het tegen te gaan, maar het is ook een fact of life.

5/23/2016

Max en Jeroen

Afgelopen vrijdag was Max Verstappen een uur lang te gast bij Pauw.
Het interview begon met een fragment uit de race met de door Olaf Mol uitgesproken, nu al legendarische woorden: Joehee, johoo, jo fucking ho.
Dat was niet alleen historische televisie door de prestatie van Verstappen waaraan de woorden gekoppeld waren, maar wat mij betreft ook omdat het woord fucking daarmee definitief geaccepteerd is als scheldwoord.
Tot vorige week zondag sprak ik mijn kinderen nog op aan op het gebruik van dat woord, precies zoals mijn moeder mij dertig jaar geleden aansprak op het gebruik van het woord kut, maar inmiddels is het fragment zo vaak herhaald dat ik mij er op betrap het zelf af en toe ook te gebruiken.
Het vraaggesprek dat volgde was leuk. Heel leuk.
Allereerst omdat Verstappen zulke goede antwoorden gaf: steeds to the point, steeds met begrip voor het feit dat Pauw geen enkel verstand van de materie had.
Nooit meewarig, steeds behulpzaam.
Misschien is dat sowieso wel een idee, dacht ik: sporters laten interviewen door journalisten die er niets vanaf weten. Sporters zijn nou eenmaal competatieve mensen die alles als wedstrijd zien, ook een interview. Als vanaf het begin duidelijk is dat zij de bovenliggende partij zijn, zullen ze eerder ontdooien.
Wat ook fijn was dat Verstappen antwoord gaf op de vraag die gesteld werd en niet op een vraag die niet gesteld werd, zoals politici gewoon zijn te doen. Je zag aan Jeroen Pauw dat hij dat ook leuk vond. Ook hij was opener en relaxter dan gebruikelijk.
Maar de grootste verademing vond ik wel: Verstappen was niet arrogant.
Wel zelfbewust.
Hij vind het logisch dat hij succes heeft, omdat hij zoveel talent heeft, zo hard werkt en een vader heeft die hem vanaf zijn vierde begeleidt, maar hij klopt zich er niet voor op de borst.
Wat een wereld van verschil met de meeste jonge voetballers.
Bekijk een willekeurig interview met Memphis Depay en je ziet wat ik bedoel. Zijn houding is verveeld, arrogant, zijn antwoorden zijn nietszeggend, vol clichees.
Nee, dan Verstappen. Gemotiveerd, vakkundig, bescheiden.
Grappig ook dat hij op de ochtend van de race nog allerlei verplichtingen had zoals een meet & greet met gasten van de sponsor. Kom daar bij het eerste van Ajax maar eens om op een competitiezondag als ze tegen Cambuur moeten.
Grappig ook dat zijn moeder niet bij de wedstrijd kon zijn omdat ze moest werken. Daar spreekt een zekere nuchterheid uit. En relativering.
Misschien dat dat het gebrek aan arrogantie verklaart.
            Volgens mij zijn er vier soorten sporthelden.
De eerste categorie is de antiheld. Die vind je veel in het wielrennen: Joop Zoetemelk, Steven Kruiswijk. Ik las vanochtend dat Kruiswijk begonnen is bij wielervereniging Trap met Lust. Dan weet je het wel. Ik las ook dat hij een fanclub had, maar dat die op zijn verzoek was opgeheven.
De tweede categorie is de glamourheld: Usain Bolt, Ibrahimovic. Mensen die zich enorm aanstellen, maar zo goed zijn dat we het door de vingers zien.
De derde categorie is de glamour net niet held. Mensen die zich gedragen als Ibrahimovic, maar lang zo goed niet zijn. Royston Drente, Memphis Depay, het halve eerste elftal van Ajax.
De laatste categorie is de naturel held. Verstappen, Daphne Schippers, Dennis Bergkamp, Rafael Nadal.
Mensen die zelfbewust zijn, maar niet arrogant.
Toen Nadal een keer werd gevraagd waar zijn bescheidenheid vandaan kwam, antwoordde hij: ‘Mijn oom heeft me altijd geleerd dat je pas arrogant mag zijn als je een medicijn tegen kanker hebt uitgevonden.’
Misschien is het verschil tussen arrogant en zelfbewust wel dit: arrogante mensen zien alleen zichzelf. Zelfbewuste mensen zien zichzelf in relatie tot de wereld. 

Iedereen heeft een oom nodig die ze vertelt wat echt belangrijk is in het leven.

4/27/2016

Kapster

Afgelopen zondag was minister Bussemakers te gast bij WNL om te melden dat de Cito weer doorslaggevend wordt als de leraar een lager schooladvies geeft dan de uitkomst van de toets aangeeft.
Op zich begrijp ik dat wel, ware het niet dat ik de Cito, zoals ik vorige week in mijn column heb aangegeven,  een onrechtvaardige, stigmatiserende toets vind die slechts één soort intelligentie meet, nml analytische.
Hoezeer iedereen op die intelligentie gericht is bleek wel uit de reactie op een fragment uit 1970 dat WNL liet zien en waarin aan een meisje wordt gevraagd wat ze later wil worden.
Interviewer: Wat wil jij later worden?
Meisjes: … Kapster.
Ze wil kapster worden.
En luister nu hoe er dan in de studio gereageerd wordt.
Hahaha.
Rick Nieman: En dat moet worden? Rechter, hoogleraar, minister.
Mijn vraag is: waarom zou iemand niet de ambitie mogen hebben om kapper te worden? Zegt het niet meer over de vooroordelen van de aanwezigen: een meisje en dan ook nog kapper willen worden. Dat zou niet moeten mogen.
Maar belangrijker: waarom zou ze in godsnaam hoogleraar moeten worden of rechter of minister?
De reactie op dit fragment laat zien dat ons schoolsysteem er nog steeds op gericht is zoveel mogelijk mensen naar het hbo of de universiteit te brengen. Iets, zo heb ik me laten vertellen, dat nog stamt uit de tijd van de industriele revolutie, toen we meer dan genoeg  arbeiders hadden, maar veel te weinig analytisch opgeleide mensen.
Maar de wereld is veranderd en er is vandaag de dag volgens mij veel meer behoefte aan andere intelligenties: creatieve bijvoorbeeld, of praktische of visuele.
De Cito toetst iets dat we honderd jaar geleden nodig hadden.
De Engelse hoogleraar Ken Robinson, die al decennia lang pleit voor een andere benadering van onderwijs vertelt in zijn prachtige TedX lezing ‘How school kills creativity’ een mooi verhaal.
Het gaat over een muziekleraar in Liverpool, eind jaren vijftig, die op zeer ouderwetse manier les geeft, en die een jongen in de klas heeft die er niets aan vindt. Hij zit steeds omgedraaid in de les, let niet op. Aan het eind van het jaar krijgt hij een 3. Met de aantekening erbij dat hij geen enkel muzikaal gevoel heeft.
Dat was Paul McCartney.
Twee jaar later heeft hij weer zo’n jongen in de klas die niet meedoet en het verschikkelijk vindt. Ook hij krijgt een 3.
Dat was George Harrison.
Deze leraar had dus de helft van de meest vernieuwende en succesvolle band ter wereld in zijn klas, maar herkende hun talent niet.
            Misschien is dat wel wat me zo frustreert aan de Cito toets: het herkent talent niet.
Ik denk dat school zou moeten gaan om het herkennen van talent en ambitie. Natuurlijk, er moeten ook een aantal dingen gewoon geleerd worden, en het hoeft ook helemaal niet altijd leuk te zijn, en school is er ook om te leren af te zien en om fouten te maken, allemaal waar, maar uiteindelijk heeft zowel het kind als de maatschappij er veel meer aan om mensen af te leveren die iets doen wat ze interessant vinden, waar ze blij van worden.
Als kapper worden je gelukkig maakt, wie heeft dan het recht om daar meewarig over te doen?
Het lijkt in de hele discussie over ongelijke kansen in het onderwijs wel alsof er maar één doel is: alle leerlingen naar het hbo of universiteit.
Over die ongelijke kansen wil ik tot slot ook nog iets zeggen: er zal altijd ongelijkheid zijn. Een kind van laag opgeleide ouders heeft wat minder kans op een hoge opleiding dan een kind van hoog opgeleide ouders, al was het maar omdat het thuis minder vaak goed Nederlands hoort, of omdat niemand het kan helpen bij een rekensom. Of omdat het minder gemotiveerd wordt.

Omgekeerd geldt dat ook trouwens: een kind dat opgroeit in een villawijk in Wassenaar zal minder kans hebben om profvoetballer te worden dan een kind dat opgroeit in Betondorp. Omdat zijn vriendjes niet voetballen, omdat zijn ouders het niet stimuleren, of omdat hij geacht wordt rechter te worden of hoogleraar of minister.

4/19/2016

Nooit meer cito

De onderwijsinspectie trekt in haar jaarverslag de conclusie dat de kloof tussen kinderen van laag en hoog opgeleide ouders groeit.
Bij gelijke intelligentie zou een leraar een kind van laag opgeleide ouders eerder een laag schooladvies geven dan een kind van hoog opgeleide ouders
Overal klonk de roep om de Cito terug te laten keren als maatgevend instrument.
Dat lijkt me het stomste wat je kan doen. Als er één toets onrechtvaardig en stigmatiserend is, is het wel de Cito.
Ik zal het uitleggen.
Vijfjarigen krijgen, om te testen of ze het begrip iglo kennen, de volgende vraag voorgelegd: welke kleur associeer je met het woord iglo: blauw of rood?
De meeste kinderen vullen hier blauw in en dat is vlgs Cito het juiste antwoord, want blauw staat voor kou.
Soms vult een kind rood in. Dat is fout.
Een onderzoeker was een keer zo slim om aan zo’n kind te vragen waarom hij rood had ingevuld. Het antwoordde: buiten is het koud, maar in de iglo is het warm.
Een creatiever antwoord dus, maar fout volgens de Cito.
De Cito stelt creativiteit niet op prijs.
Voorstanders wijzen op het feit dat 80 procent van de voorspellingen uit komt. Maar dat is nou juist het drama: de voorspellingen van de Cito zijn een self fullfilling prophecy.
Hoe werkt dat?
Als een kind in groep 3 wordt getoetst dan wordt op grond daarvan al een voorspelling gedaan over zijn waarschijnlijke middelbare schoolniveau.
Nog even los van de enorme zelfoverschatting te denken dat je iets zinnigs kan zeggen over de ontwikkeling van een kind van vijf, werkt het ook stigmatiserend. Een leraar zal namelijk een kind dat waaarschijnlijk Vmbo gaat doen anders behandelen dan een kind dat mogelijk naar het Gymnasium gaat.
Maar belangrijker is wat er met het kind zelf gebeurt.
Als het bij de toets bijvoorbeeld niet goed scoort op rekenen krijgt het in het vervolg extra uitleg.
Als dat na een paar maanden geen vruchten afwerpt, krijgt het een andere leermethode, een ander boekje en moet het, als de rest van de klas buiten speelt, extra opdrachten maken. En als het na een paar maanden nog steeds niet beter gaat moet het op bijles. Het gevolg is dat het kind denkt dat het iets fout doet.
In groep acht is het zijn zelfvertrouwen helemaal kwijt en krijgt het een laag schooladvies, terwijl het misschien gewoon jonger was dan zijn klasgenoten toen de toets in groep 3 werd afgenomen, of jong voor z’n leeftijd. Niemand ontwikkelt zich exact volgens een tijdlijn.
Het overkwam mijn dochters. Ze kregen een Vmbo T advies, waar niets mis mee is, maar volgens mijn vriendin en mij klopte dat niet. Temeer daar het mij veertig jaar geleden ook was gebeurd dat ik een mavo advies kreeg en ‘gewoon’ vwo deed.
Dus gingen ze naar een school met een zgn kansenklasje; een brugklas voor vmbo T/havo. Bevrijd van de ballast van de Cito begonnen ze hoge cijfers te halen en aan het eind van het jaar ging de ene naar de havo en de ander naar het vwo.
Ze waren in dat ene jaar echt niet intelligenter geworden, het enige verschil was dat ze hun zelfvertrouwen terughadden.
Het bewijs dat de Cito een waardeloze toets is bleek twee jaar geleden: mijn dochters zaten toen in resp 3 havo en 3 vwo. Op school werd nog een keer een niet bindende Cito toets gedaan; ze scoorden beiden weer vmbo.
Ik vind het onbegrijpelijk dat de Cito al vijftig jaar de norm is terwijl het slechts één intelligentie toetst en geen rekening houdt met de honderd en één andere factoren die een rol spelen bij het wel of niet halen van een schooldiploma: stressbestendigheid, sociale vaardigheden, doorzettingsvermogen, creativiteit, om er een paar te noemen.
Ik ben ook erg voor een rechtvaardig schoolsysteem, de Cito is alleen niet de oplossing, maar juist het probleem.


4/12/2016

VaDhorst

In de Vinexlokatie Vathorst, Amersfoort, strandt een op de twee huwelijken na de geboorte van hun eerste kind.
Een wethouder van de Christenunie wil stelletjes die op het punt staan te scheiden een gratis cursus relatietherapie aanbieden.
Daar is hier en daar wat meesmuilend over gedaan, maar ik vind het wel een sympathiek en zinvol idee. Ik vind dat in dezelfde categorie als het aanbieden van een prenatale test op Down syndroom: het hoeft niet, maar het kan wel. Daar lijkt me niks mis mee.
Over die prenatale test gesproken: misschien is het idee van een test vooraf, wel zinvoller dan een relatietherapie als het kwaad al geschied is.
Misschien zouden jonge stellen beter een preconceptietest kunnen doen: een test om te zien of ze wel enig idee hebben wat het ouderschap inhoudt.
Met vragen als:
Het is twaalf uur ’s nachts. Uw baby ligt al drie uur te huilen. Wat doet u?
a  U doet oordoppen in
b U scheldt uw partner uit
c  U pakt uw kind uit de wieg en schudt het zo lang door elkaar tot het stil is
Dat er veel mensen scheiden in Vathorst is niet zo verwonderlijk. Dat je bereid bent om drieenhalve ton neer te tellen voor een nieuwbouwwoningkje met plastic opdekdeuren, lamelparket op de vloer en een kookeiland waarvoor helemaal geen plaats is, en een tuintje dat minder privacy biedt dan een gemiddelde staplaats op een camping in Rosas, zegt wel iets over het gebrek aan realiteitszin van die jonge stelletjes.
Maar er is volgens mij nog een andere oorzaak: uit onderzoek blijkt al jaren dat Nederlandse kinderen de gelukkigste zijn ter wereld. Wat daar nooit bij wordt verteld is dat het percentage twintigers dat in therapie is ook tot het hoogste van de wereld behoort.
Omdat ze in hun jeugd alles mochten en alleen leuke dingen deden, hebben ze nooit geleerd om door te zetten als het tegen zit. En dat is nou juist wat je nodig hebt in een gezin met kleine kinderen: doorzettingsvermogen. Want het zit per definitie tegen.
Een baby hebben is nml 22 uur per dag verschrikkelijk. Het is keihard werken, het is drie uur slaap per nacht, het is maanden zonder sex en hopen dat je ooit, als ze vier of vijf jaar oud zijn en hele dagen naar school gaan, weer een keer tijd voor jezelf hebt.
Het is je kapot ergeren aan je partner die vadsig op de bank hangt terwijl je je uitslooft, daar komt die naam waarschijnlijk ook vandaan: Vadhorst.
Het is de constante geur van volle luiers die door het energiebesparende luchtrecyclingsysteem van je Label A woning in elk vertrek wordt verspreid.
Het is de valse idylle die je op moet houden op Facebook en bij de creche, waar je kind vier ochtenden per week naartoe gaat en waar jullie stress over hebben omdat je het eigenlijk niet kan betalen, ja, dat kan wel, maar dan moet zij stoppen met yoga, en hij met voetbal en dan heb je helemáál niks meer voor jezelf.
En dan moeten jouw kinderen natuurlijk ook weer de gelukkigste van Europa worden, dus mogen ze niets te kort komen en moeten ze het vooral steeds maar leuk hebben.
Dat is de ziekte van deze tijd: dat iedereen het  altijd maar leuk moet hebben.
Laten we beginnen met te accepteren dat het leven soms leuk is, en soms niet en heel vaak iets ertussenin.
Dat scheelt een hoop echtscheidingen.


4/06/2016

Avenue de Stalingrad

Afgelopen vrijdag reisde ik af naar Brussel.
Ik wilde Molenbeek bezoeken en de andere plaatsen waar de aanslagplegers van Zaventem en Parijs vandaan kwamen.
Ik ben op zoek naar de achtergronden van de huidige onrust; ik ben op zoek naar een standpunt.
Ik wil niet dat mijn kinderen later zeggen: waarom heb je toen niks gedaan? Later als de sharia is ingevoerd in Nederland of extreem rechts de lakens uitdeelt.
Ik boekte een kamer in een hotel aan de Avenue de Stalingrad, een Parijs aandoende boulevard met statige huizen en bomen. Het enige verschil: op straat ben ik de enige Westerse man.
Dat is het eerste wat me opvalt: de meeste emigranten wonen in aardige buurten.
Het pleintje waar Abdeslam zijn snode plannen voorbereidde is weliswaar slecht onderhouden, maar charmant en vriendelijk. Het lijkt in geen enkel opzicht op de grauwe flats van de banlieux van Parijs, eerder op een pleintje in de Maret.
Met dien verstande dat je in de winkels geen bonbons meer koopt, geen stokbrood, geen wijn, maar gouden spiegels, waterpijpen en korans. De naam van de oorspronkelijke, Brusselse winkel is meestal niet eens veranderd; het zaakje waar een paspop met Niqaab in de etalage staat heet: Le bon choix; de goede keuze.
Ik lunch in een negentiende eeuws Grand Cafe met een donkerbruine toog, marmeren vloer en art deco kroonluchters. Maar binnen kan je enkel Kebab of Kofte krijgen en de ober, die buitengewoon vriendelijk is spreekt geen woord Frans.
Ik moet denken aan heremietkreeften: de oorspronkelijke bewoner heeft zijn schelp verlaten en nu woont er een vreemde in.
         Twee dagen lang loop ik door de straten van Molenbeek, Schaarbeek, Stalingrad; geen moment voel ik me onveilig. Op straat gaat het er gemoedelijk aan toe, in cafe’s is men voorkomend, voorkomender dan in de meeste restaurants in Nederland.
Ik vraag me af hoe iemand die hier leeft, er toe komt om zichzelf op te blazen in een metrotunnel.
Als ik de laatste avond in Marokaans restaurant Mahounia eet, waar ik tevergeefs wijn bestel, raak ik in gesprek met mijn buurman. Het is opvallend hoe makkelijk je contact legt en hoe vriendelijk je tegemoet wordt getreden.
Hij vertelt me dat de aanslagplegers geen moslims kunnen zijn omdat moslims alleen maar vrede willen.
En dan komt weer het verhaal dat ik inmiddels te vaak heb gehoord: dat de Amerikanen erachter zitten.
Het is een raar soort paradox: die vriendelijkheid en die bizarre ideeen.
Het wordt na Wikileaks en Panama Papers hoog tijd voor Moslim Mumbles: documenten die aantonen dat het toch echt Islamieten zijn die aanslagen plegen.


3/22/2016

Brussel

Toen ik vanochtend hoorde van de aanslagen in Brussel moest ik denken aan afgelopen vrijdag toen ik een middag op trok met twee gevluchte Syrische jongens, Ali en zijn broer Ahmad.
Ze zijn respectievelijk 25 en 23 en een half jaar geleden uit Aleppo gevlucht voor de oorlog. Ze woonden precies op de grens van het deel dat in handen is van de oppositie en het noordelijke deel van het centrum dat in handen is van de troepen van Assad.
Oftwel, ze woonden midden in de vuurlinie.
Omdat alle winkels in hun buurt dicht of kapotgeschoten waren, moesten ze, om aan eten te komen, naar het door Assad gecontroleerde deel. Om daar te komen moesten ze een weg over steken die door scherpschutters onder vuur werd genomen. Elke dag weer namen ze afscheid van hun moeder in de wetenschap dat het de laatste keer kon zijn.
Ali liet me beelden zien van die weg.
Het was hartverscheurend. Mensen rennen letterlijk voor hun leven, sommigen halen het niet.
Ik nam ze mee naar het strand in Bergen aan zee. Het was geen mooi weer.
Is dit de Atlantische oceaan, vroeg Ahmad. De Noordzee, antwoordde ik.
Niet zo helder als onze zee, zei hij. Hij keek er weemoedig bij. Even leek het of hij moest huilen.
Of misschien maakte ik dat ervan.
Misschien is dat wel het probleem: je vult het zelf in, maar je weet eigenlijk helemaal niks. Je krijgt tachtig stukken van een puzzel die eigenlijk uit duizend stukjes bestaat en dan moet je raden wat het plaatje was.
We dronken koffie in een strandtent en ze vertelden over hun vlucht. Over hoe ze afscheid namen van hun ouders, hoe ze in een busje Aleppo uitreden, zes uur tot de Turkse grens. Hoe ze aankwamen in Izmir. Dat de Turken niets van Syriers moeten hebben. Dat ze 3000 dollar betaalden aan een mensensmokkelaar die ze op een gammel bootje zetten en vroeg: wie kan er sturen?
Hoe de man op een lichtje aan de horizon wees en zei: dat is Griekenland, daar moet je naartoe. Hoe ze eerst rondjes voeren omdat ze niet wisten hoe het roer werkte.
Dat de Grieken heel aardig waren.
Ik zoog hun verhaal met volle teugen in: het voldeed helemaal aan wat ik had gehoopt: twee onschuldige jongens die duizenden kilometers reizen, onderweg allerlei beproevingen doorstaan, en uiteindelijk hun doel bereiken: vrijheid.
Alleen op de wereld, maar dan met z’n tweeen.
Het verhaal raakte me.
Maar toen ik ze terugbracht met de auto gebeurde er iets raars.
‘IS en Al Quaida zijn door Amerika gemaakt’, zei Ali ineens.
Hij keek er even weemoedig bij als toen hij van zijn vlucht vertelde.
‘Wat bedoel je?’, vroeg ik.
‘IS is door Amerika gemaakt om moslims zwart te maken’, antwoordde hij,
‘het zijn geen moslims die de aanslagen plegen, maar Amerikanen’.
Ik keek hem verbaasd aan.
‘Hoe kom je daarbij?’, vroeg ik. Nogal geirriteerd.
Hij schrok ervan.
‘Sorry mister Arthur’, zei hij, ‘het is niet belangrijk.’
‘Jawel’, zei ik, ‘het is wel belangrijk. Waarom denk je dat?’
Hij lachte vriendelijk. Zoals hij steeds gedaan had.
‘Het is niet belangrijk’, zei hij weer.
Ik bracht ze terug naar het AZC.
We weten niets, dacht ik.







3/16/2016

Remancipatie


Het is vandaag de dag van het consumentenrecht. En de dag tegen politiegeweld.
Er is bijna elke dag wel een dag van iets.
Zo is er de dag van het kind; de dag van de leraar, de dag van de longontsteking, wereld toiletdag, de dag van het naakt tuinieren, de dag van het bewust zijn van de oudervervreemding, de dag van de ligfiets.
En vorige week was het internationale vrouwendag. Speciaal voor die dag had het Centraal en Cultureel Planbureau onderzoek gedaan waaruit bleek dat vrouwen evenveel vrije tijd hebben als mannen, maar dat ze er minder van genieten, omdat ze altijd zoveel móeten van zichzelf. Een man is relaxeter; thuis, maar ook in zijn werk. Werk is voor mannen zelfs spelen, stond gisteren nog te lezen in de Volkskrant.
Dan vind ik het toch raar dat vrouwen gemiddeld 3,7 jaar langer leven dan mannen.
Je zou verwachten dat mensen die zich druk maken en nooit ontspannen zijn en zich tekort gedaan voelen, eerder doodgaan dan mensen die relaxed in het leven staan.
Wellicht is het verschil vooral optisch van aard. Uit ander onderzoek blijkt namelijk dat vrouwen gemiddeld 20.000 woorden per dag gebruiken, tegen mannen die er maar 7.000 nodig hebben.
Ik bedoel, als je zoveel meer woorden gebruikt ga je vanzelf problemen creeeren die er niet zijn; hoe krijg je anders die woorden op.
Er wordt ook steeds gewezen op het feit dat vrouwen in dezelfde baan, minder betaald worden dan mannen.
Dat mag zo zijn, maar waarom wordt er nooit onderzocht wie dat geld dat al die mannen verdienen weer uitgeven?
Misschien is dat wel de verklaring van die stress over al dat moeten: waar móet ik dat geld in godsnaam aan uitgeven?
Probleem bij al die dagen van iets is dat het zijn doel over het algemeen voorbij schiet. Om een voorbeeld te geven: de gayparade is bedoeld  ter vergroting van de acceptatie van homo’s.  Maar als je dan vervolgens in latex broekjes en veren op je kont, dansend op glazuursplijtende kutmuziek door de grachten gaat varen, doe je die zo felbegeerde acceptatie vanzelf weer teniet. Hoezo zijn we allemaal gelijk?
Toen ik de lijst met dagen van iets door ploeterde, kwam ik terecht bij 19 november: de dag van de man.
Het verbaasde mij eerlijk gezegd nogal. Want ik vind het niks voor mannen om zo’n dag te organiseren, daarbij overheersen wij klaarblijkelijk de wereld, dus waarom zouden wij aandacht vragen voor ons lot?
De tekst op de website luidde:
Mannendag 2016 nodigt uit tot dialoog tussen mannen en vrouwen om te evolueren naar de middenweg van gelijkwaardigheid.
Dialoog? Evolueren? Middenweg? Gelijkwaardigheid?
Dat zijn helemaal geen mannenwoorden.
Toen begon het me te dagen.
Mannendag is helemaal niet door mannen bedacht. Mannendag is door vrouwen verzonnen. Om ons te veranderen, om ons meer begrip te laten hebben voor het feit dat zij al zoveel móeten de hele dag.
En dat terwijl mannen al zo soft zijn geworden. Iedere moderne man kan al lang koken, past al op de kinderen, brengt zijn vrouw kopjes koffie op bed.
De man moet juist terug naar de bron.
Daarom pleit ik hierbij voor een nieuwe dag: de dag van de remancipatie. Gewoon een dag per jaar waarbij mannen met Jeeps door de duinen mogen raggen, levende kippen de hals mogen doorbijten, schuurtjes in de fik mogen steken en ongegeneerd in de huiskamer porno mogen kijken.
Een dag van ons. Omdat ons al zo ontzettend veel is afgenomen.
En omdat het hoog tijd wordt dat ons gedrag nou eindelijk eens geaccepteerd wordt.




3/08/2016

Lasagne



Afgelopen donderdag kwamen Mustafa en zijn vrienden eten.
Ik ontmoette Mustafa drie weken geleden toen ik een dagje meeliep in een AZC.
Hij klaagde toen over de magnetronmaaltijden en dus nodigde ik hem en zijn twee kamergenoten bij mij thuis uit.
Hij was me ontzettend dankbaar. Thank you mister Arthur, zei hij steeds,  I’m so glad.
Ook de dagen erna nog appte hij me meermalen: I would like that so much; sounds so good; thanks you, I’m so glad, doeiiii.
Het was overigens niet alleen uit medemenselijkheid dat ik hem uitnodigde: ik ben bezig met een roman over vluchtelingen, dus hij en zijn vrienden waren studiemateriaal. Eigenbelang is een prima drijfveer, ook voor altruïsme.
Daarbij vond ik het ook wel goed voor mijn kinderen om eens geconfronteerd te worden met de harde werkelijkheid die zij alleen van TV kennen.
Mijn dochters beloofden een taart bakken. Twee taarten, want ze zouden wel honger hebben.
Ik twijfelde over wat ik zou koken. Geen varkensvlees, dat was duidelijk, maar aten ze  uberhaupt wel vlees? Moest ik iets Oosters maken? Of juist iets Hollands? Dronken ze alcolhol?
Ik besloot lasagne te maken. Veel lasagne, want je wil als gastvrije, rijke Nederlander natuurlijk niet dat iemand die niks heeft ook maar iets te kort komt. We hebben al zo’n slechte naam in het buitenland.
Ik had ook aangeboden ze mee te nemen naar de stad.
Dat wilden ze heel graag, want ze waren de afgelopen maanden maar één keer eerder naar een stad geweest. Naar Amsterdam.
Naar het rijksmuseum, vroeg ik?
Ze moesten lachen.
No mister Arthur, to the red light district.
Beautiful ladies, met big tralala.
Natuurlijk, of je nou een Engelse toerist bent of een Syrische vluchteling:  het instinct blijft hetzelfde.
Maar dat maakte het wel lastig, want hoe kwam ik daar nog overheen? Ik bedoel, wij hebben in Haarlem ook wel een hoerenbuurt, maar dat is madurodam vergeleken bij de Wallen.
Ik liet allerlei ideeen de revue passeren: karten, bowlen, fietsen, film, maar bij elke activiteit was ik bang dat ze dat om religieuze of tribale redenen niet zouden mogen. Dus besloot ik uiteindelijk maar met ze door de stad te gaan slenteren. Dat was in ieder geval een stuk opwindender dan de hele dag in een AZC naar de weilanden zitten koekeloeren.
De afspraak was dat ik ze om half drie zou oppikken. Thuis was alles in gereedheid: mijn dochters hadden de taarten klaar, de tafel was al gedekt, mijn zoon had het woordenboek Engels klaargelegd, de lasagne hoefde alleen nog maar in de oven.
Maar om half drie stond er niemand bij het AZC. En om kwart voor drie ook niet.
Om drie uur appte ik Mustafa: where are you?
Even later kreeg ik antwoord:
Sorry, I forgot. I’ m in Oude Pekela with my uncle.
I have much problems, mister Arthur, I need money, I need money so much.
Ik belde mijn kinderen om ze het slechte nieuws te vertellen, daarna reed ik terug, boos en teleurgesteld. Wat dachten die asielzoekers wel?
Voor zoveel medemenselijkheid kan je op z’n minst je afspraak nakomen.
Konden ze wel, kleine kinderen, míjn kinderen, de hele dag in de keuken laten zwoegen en dan gewoon niet komen opdagen. Hadden ze enig benul van wat dat met  een tere kinderziel doet?
En dan nog om geld vragen ook. Alsof het in het leven alleen maar om geld draait.
Toen ik thuis was kookte ik van woede.
Ik flikkerde de lasagne in de vuilnisbak.
Het moet wel leuk blijven, dacht ik, het moet verdomme wel leuk blijven.

3/02/2016

24 uur

Een paar dagen geleden werd bekend dat het interviewprogramma ’24 uur met…’ stopt.
Dat had de netmanager in goed overleg met de VPRO besloten.
Er hangt altijd iets verdachts rond de zinssnede:  ‘in goed overleg’.
Camiel Eurlings ging ook in goed overleg weg bij de KLM.
Guus Meeuwis en zijn vrouw zijn ook in goed overleg uit elkaar gegaan.
Over het algemeen betekent het, dat het helemaal mis is.
Presentator Theo Maassen was overvallen door het nieuws. Er was kennelijk met hém niet zo heel goed overlegd.
Hoewel het verder nergens gezegd is, neem ik aan dat de reden van het verdwijnen van het programma de tegenvallende kijkcijfers zijn.
Dat kan een hele legitieme reden zijn: het heeft geen zin om een programma te blijven maken waar niemand naar kijkt.
Maar de vraag dringt zich dan wel op: hoe betrouwbaar zijn die kijkcijfers?
Dat klinkt misschien wantrouwend, maar ik heb net iets teveel verkiezingen meegemaakt waarbij Maurice de Hond een voorspelling deed op basis van ‘zeer betrouwbare’ cijfers die niets te maken bleek te hebben met de realiteit.
Des te verbazingwekkender vind ik het dat iedereen die peilingen maar serieus blijft nemen. Je moet ze onmiddellijk afschaffen.
Om de kijkcijfers te meten staan er kastjes bij welgeteld 1250 Nederlandse huishoudens die bij elkaar bestaan uit 2750 personen .
Dat is 0,017 % van de Nederlandse bevolking. Zeventien -  honderdduizendste.
Als er gezegd wordt dat er anderhalf miljoen mensen naar DWDD hebben gekeken, dan is dus het enige wat we weten dat er  117  huishoudens met zo’n kastje naar dat programma hebben gekeken.
Ik ben geen statisticus, maar het lijkt me een beangstigend klein aantal.
En dan blijft de vraag: hoe hebben ze gekeken? Uit Frans onderzoek is eens gebleken dat mensen ondertussen in slaap vallen, de hond uit laten, sex hebben.
De cijfers zeggen dus niks over de kwaliteit van het kijken en dat lijkt me wel van belang. Ik bedoel, een programma dat door 100 mensen met aandacht bekeken wordt is misschien wel belangrijker dan een programma dat door 1000 mensen oppervlakkig gezien wordt.
Daar komt nog bij dat het makkelijk te manipuleren is, zoals de Volkskrant en Powned in het verleden al aantoonden: mensen met zo’n kastje voeren bijvoorbeeld in dat ze met veertig man kijken om een programma een boost te geven; mensen waarderen Piet Paulusma hoog omdat hij ook uit Franeker komt.
Op basis van die, zeer wankele, lastig te interpreteren en eenvoudig te manipuleren cijfers worden grote beslissingen genomen; wordt het ene programma van de buis gehaald en mag het andere blijven.
Waarom doen netmanagers dat?  Waarom gebruiken ze cijfers waarvan iedereen weet dat ze op z’n minst dubieus zijn?
Ik denk: om de schijn van objectiviteit op te houden. Of om van de discussie af te zijn.
In zijn boek over de bonuscultuur bij ABN haalt Kilian Wawoe een boekhouder aan die steeds als de jaarcijfers worden opgemaakt aan zijn directeur vraagt: Wil je dit jaar winst maken of verlies? 
Dat is het probleem: met cijfers kan je alle kanten op.
Cijfers zijn kameleons: ze nemen de kleur van de omgeving aan.
Ik geef het twee jaar en dan hebben we in Hilversum: kijk en luister gate. Treden er een paar netmanagers af. Maar dat zal dan vast wel weer in goed overleg gebeuren.







2/24/2016

Terlouw

Dit weekend stond er een mooi interview in de Volkskrant met oud politicus en schrijver Jan Terlouw.
Het maakte een zekere nostalgie in mij los; ik dacht terug aan mijn zolderkamertje waar ik, zittend op een paars kussen op de met rieten matten bedekte vloer, ademloos oorlogswinter en oosterschelde las.
Nostalgie is ook het woord waarmee je de teneur van het interview kan samenvatten.
In alles wat Terlouw zegt zit een verlangen naar de jaren zeventig en tachtig, niet geheel toevallig ook de periode dat hij zelf in de politiek zat.
‘De publieke moraal onder politici en ook in de samenleving is echt minder geworden’, zegt hij ergens.
Misschien is dat zo, maar het gedrag van politici uit zijn tijd was nou ook niet altijd even verheffend.
Ik heb het nog even opgezocht: Terlouw zat in twee kabinetten. Van Agt 2 bestond welgeteld zeven maanden en was het enige kabinet ooit dat al voor de presentatie in de tweede kamer zijn ontslag aanbood. Van Agt 3 bestond slechts vijf maanden voor het uit elkaar spatte.
Er is vast van alles aan te merken op het pragmatisme van Rutte en Samsom, maar dat heb ik toch liever dan het als sociaal engagement vermomde narcisme van al die principiele mannetjes.
Als er één periode is waarin men niet naar elkaar luisterde; waarin men niet bereid was samen te werken, was het wel in de jaren zeventig en tachtig.
Ergens anders zegt Terlouw: We worden geregeerd door het kapitaal. De politiek is niet meer de baas.
Ik deel zijn zorgen over het neoliberalisme. Het feit dat 1 procent van de Amerikanen de helft van het nationaal inkomen bezit is angstaanjagend.
Maar ik vrees dat als we de macht aan de politici geven het er niet beter op wordt. Daar hebben we de vorige eeuw al mee ge-experimenteerd en dat is niet echt bevallen. Het communisme en het nationaal socialisme blonken niet uit in solidariteit met de zwakkeren.
Het is van alle tijden: in de achttiende eeuw waren de vorstenhuizen de onderdrukkers, daarvoor was het de kerk.
De wolkenkrabbers van de grote bedrijven nu zijn de kerktorens van weleer.
Macht is bijna nooit in goede handen.
Ik wil er nog één uitspraak uitlichten.
Over de oliemaatschappijen die niet mee willen in de verduurzaming zegt Terlouw: ‘De politiek luistert naar het kapitaal en het kapitaal heeft er geen zin in.’
Daar vallen de schrijver en de politicus samen; hij maakt een personage van het kapitaal. Alsof het iemand is die op de bank ligt.
Het zette mijn fantasie meteen aan. Ik denk dat het kapitaal een topsporter is, iemand die altijd wil winnen.
En net als de politicus aan de deur komt met de collectebus voor duurzaamheid ligt hij op de bank voor de tv uit te puffen van weer een zware training en zegt: ik heb even geen zin in duurzaamheid.
En de volgende dag als er weer iemand over begint, zegt ie: Hee, wat heb ik nou gezegd?
En als er de dag erna weer een politicus aanbelt, roept ie vanaf de bank: Fuck you. Want dat moet je antwoorden op jou onwelgevallige vragen, heeft hij van Daan Roosegaarde geleerd.
Volgens mij is het probleem van Terlouw dat hij ervan uitgaat dat iedereen is zoals hij: sociaal, intelligent, bevlogen, betrokken, getalenteerd.
Terwijl de werkelijkheid is dat er bijna niemand is die én een goed politicus én een voortreffelijk schrijver is. En nog kerngezond op z’n 85 ste. En nog in het bezit van een leuke vrouw. En wonende in een koetshuis  op een landgoed met uitzicht op weilanden met schapen.

Daarmee vergeleken is de rest van de wereld al snel een teleurstelling.

2/12/2016

AZC

Afgelopen zondag bracht minister Koenders een bezoek aan een vluchtelingenkamp in Macedonie.
Het heeft altijd iets koloniaals: zo’n boomlange man in pak die uit een zwarte auto stapt en zich begeeft tussen de bewoners die in witte tenten zitten te kleumen van de kou.
You speak English very good, zei Koenders tegen een klein meisje, waarmee hij verraadde zelf niet zo goed Engels te spreken, want volgens mij moet het zijn: You speak English very well.
Maar misschien zei ie dat wel om haar op haar gemak te stellen.
Vorige week voelde ik me ook een beetje minister Koenders toen ik zelf een dag mee mocht lopen in een AZC in Noord Holland.
Ik had geen kostuum aan gedaan, maar ik viel toch op, al was het maar omdat ik geen trainingspak droeg; het uniform van de vluchteling.
Het AZC was gevestigd in een voormalige gevangenis. Het was er bedompt, de verf bladderde, douchegordijnen hingen voor de ramen.
In het kantoortje van vluchtelingenwerk was een medewerkster aan het bellen met iemand die niet of nauwelijks Nederlands verstond. Het ging over documenten die kwijt waren.
Bij een tafeltje stonden twee meisjes met hun mobiele telefoon. Ze probeerden via bluetooth een paar documenten uit te printen die ze gemaild hadden gekregen van hun familie in Irak.
Als me iets duidelijk werd deze dag, dan was het wel dat het bij vluchtelingen draait om documenten: documenten die bewijzen dat jij bent wie je zegt dat je bent. Documenten die bewijzen dat je woonde waar je woonde; dat je vluchtverhaal klopt; dat je ouders echt zijn omgekomen.
De IND wil documenten zien, voor verhalen kopen ze niks.
In een spreekkamer naast het kantoortje woonde ik een gesprek bij dat een medewerkster van vluchtelingenwerk had met een Syrisch gezin. De vader en moeder hadden nog iets ruraals, maar hun zoon en dochter zagen er heel Westers uit.
Gek hoe je idee over een zaak onmiddellijk verandert als je mensen van vlees en bloed tegenover je hebt in plaats van krantenkoppen.
Ze werden voorbereid op de verhoren door de IND.
Drie kwartier lang werd er gehamerd op de bewijslast. Je paspoort moet echt zijn. Je komt vrij makkelijk aan een vals Syrisch paspoort. Die zijn populair want Syriers krijgen in principe een verblijfsvergunning in Nederland. Tenzij je oorlogsmisdaden hebt begaan. Maar hoe kom je daar achter?
Mensen uit Iretrea krijgen in principe ook een verblijfsvergunning, maar die hebben vrijwel nooit een paspoort, nooit gekregen, dus wie zegt dat ze uit Iretrea komen?
Homo’s uit landen waar op homoseksualiteit de doodstraf staat krijgen ook asiel in Nederland, maar hoe bewijs je dat?
In de wereld van de vluchtelingen wordt niemand vertrouwd op zijn woord.
Later op de dag ontmoette ik Ali, een jonge Syrier.
Hij vertelde over zijn vlucht; via de Turkse grens, met een boot naar Griekenland, verder te voet door Europa tot hij in Nederland aan kwam. Hij vertelde over de kinderen die overboord sloegen en verdronken, over de criminelen die hij bij elke grens geld moest betalen. Over zijn ouders die nu in Noorwegen zaten. Hij vertelde me over de reden van zijn vlucht: omdat hij anders in dienst moest. Hij vertelde dat hij vroeger in een telefoonwinkel werkte; dat Syrie voor de oorlog een fijn land was.
Ik voelde me de IND: ik wist niet wat waar was en wat niet.

Maar dat zei ik niet. Ik zei: You speak English very good.