3/30/2009

Ziekenhuis

Ik moet er niet teveel over nadenken: dat ik een CD aan het maken was over het leven in het Emma kinderziekenhuis en dat mijn dochtertje ineens ziek werd.
Het moet toeval geweest zijn -ik geloof in toeval- maar toch voelde het alsof ik het over onszelf had afgeroepen. Ineens waren wij zelf het onderwerp van mijn liedjes geworden.
Plotseling zaten wij aan de telefoon met doktersdiensten (omdat een kind altijd ’s avonds of ’s nachts ziek wordt als je niet naar de huisarts kan); ineens belden wij vrienden die arts waren om te overleggen; voor we het wisten zaten wij in de auto met een doodziek kind op de achterbank op weg naar het ziekenhuis; plotseling werden er infusen aangebracht en probeerden wij uit de woorden van de verpleegsters en artsen te begrijpen wat er aan de hand was. Maar we snapten er niets van. Achteraf niet zo raar: ze hadden zelf ook geen idee.
De dagen erna leerden we veel nieuwe woorden. Elk nieuw woord had iets onheilspellend. We probeerden het enge eraf te halen door er zoveel mogelijk over op te zoeken op internet. We leerden snel, maar werden er niet vrolijk van.
Na drie dagen kwamen er geen nieuwe woorden meer bij, maar vielen er juist woorden af: het was in ieder geval niet dit en niet dat. Zus kon nog wel, maar was weer raar omdat ze zo niet had.
Uiteindelijk bleven er nog twee woorden over die, hoe vaker we ze uitspraken, steeds vertrouwder begonnen te klinken.
Zoals ook de ziekenhuiskamer waar ze lag en waar ik elke nacht in een opklapbed naast haar sliep, begon te wennen. Ik ging er overdag zelfs naar verlangen. Ik werd rustig van die kamer. Ik hoefde niets anders te doen dan er te zijn; mijn taak was het over haar te waken en toe te zien dat de zusters op tijd de zakjes vervingen en de monitors in de gaten hielden. Heel overzichtelijk.
Ondertussen werd ons steeds duidelijker dat ook de twee woorden waar we inmiddels vertrouwd mee waren geraakt de lading niet dekten. Wat onze dochter had zat in een ‘grijs gebied’. Het had geen zin dat op te zoeken. Er was geen zinnige definitie te geven van ‘grijs gebied’, of het moest zijn dat daar geen definitie van te geven was. Een doos in een doos. Dus daar moesten we het mee doen.
Gelukkig begonnen de vloeistoffen; slangen en pompen hun werk te doen en op de vijfde dag zette ze voor het eerst een voet buiten haar bed. Twijfelend nog, als iemand die met een teen voelt hoe koud het water is, maar toch een geweldige stap.
Of, zoals haar tweelingzusje op een tekening van de maan met daarop een konijn had geschreven: ‘Een kleine stap voor een konijn, maar een enorme sprong voor de konijnenheid.’

3/19/2009

Erik's studio (deel 2)

We zijn terug in Erik’s studio, waarover ik twee jaar geleden een van mijn eerste weblogs schreef. Erik heeft zijn studio gemoderniseerd, d.w.z. dat er nu een nieuwe, volledig geautomatiseerde mengtafel staat; dat iedere muzikant nu zijn eigen koptelefoonversterker heeft en er in de afluisterruimte nog wat meer stukken noppenschuim en ‘diffusers’ (van piepschuim gemakkte richeltjes) tegen de muur zijn geplakt. Dit alles om ervoor te zorgen dat niets het geluidsbeeld verstoort.
Eerst dacht ik dat dit onzin was, maar het moet gezegd: werkelijk alles heeft invloed op het geluid. Tenminste als je zulke goede monitors hebt als Erik: het viel me op dat zelfs een gevuld broodzakje dat tussen de box en de luisteraar staat het geluid anders maakt.
Maar verder is alles gelukkig hetzelfde gebleven: de lichtbruine, skyleren bank waarop wij zitten als we een track afluisteren; de vloerkleden in de opnameruimte ; de kabels aan haakjes tegen de wanden; het Hammond orgel dat nog gereviseerd moet worden; de microfoon met de deuk erin; de lichtgroen geschilderde muren waar stukken uit zijn; de relaxruimte met zeil op de grond; het witte aanrechtmeubel. Nou goed, er is een Senseo-apparaat bijgekomen, maar gelukkig staat het gewone koffiezetapparaat er ook nog.
De studio zit in een oud fabrieksgebouw aan een grote parkeerplaats op een industrieterrein in Utrecht aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Het overslagbedrijf dat ernaast ligt is failliet gegaan en dat is te zien: het gras groeit tussen de tegels en een aantal deuren hangt scheef. Het maakt het plaatje nog fotogenieker. Niets zo desolaat als een groot, leeg parkeerterrein voor een vervallen loods.
Overigens kom ik niet veel buiten op dagen als deze. En dat wil ik ook helemaal niet. Ik wil alleen maar binnen zitten en aan liedjes ‘bouwen’, zoals ik vroeger op zomerse dagen niet naar buiten te slaan was als ik een Lego stad aan het maken was.
Daarbij is het geweldig om met (goeie) muzikanten te werken.
Het rare van samen muziek maken is namelijk dat je ‘dichtbij’ elkaar komt, zonder dat je elkaar daarvoor heel goed hoeft te kennen. Muziek maken is eigenlijk een veel prettiger vorm van communicatie dan praten. Of misschien moet ik het zo zeggen: muziek maken is hechte vriendschap sluiten zolang het liedje duurt.
Toen na twee dagen de muzikanten weer weg gingen omdat de basistracks opgenomen waren, voelde ik dan ook een soort ‘post vakantiekamp kater’: we hadden samen vanalles beleefd maar nu was het voorbij. Ik was weer alleen.
Nou ja, niet echt: Alberto en Erik bleven gelukkig, omdat ik alle nummers nog moest inzingen en de derde dag kwam Birgit (Schuurman) met wie ik deze CD maak.
Vandaag hebben we weer nummers ingezongen en hier en daar een gitaarpartij overgedaan en volgende week zit het er alweer op. Ik moet er nog niet aan denken.
Toen ik vanavond terug reed terwijl de eerste ondergaande voorjaarszon door mijn voorruit scheen, realiseerde ik me weer eens dat je mooie momenten niet vast kan houden. Je kan proberen ze op te slaan in je geheugen, maar na een tijd gaan ze scheef hangen en groeit er gras tussen.

2/24/2009

Ziek

Ik had voor het eerst sinds tijden weer eens ouderwets de griep. Ik weet niet welke variant, maar als ik mijn huisarts goed begrepen heb, leed ik aan een Aziatische (de hardnekkigste), want gedurende tien dagen begon ik elke ochtend met 39.1 waarna ik de rest van de dag niet meer durfde te meten, wat overigens ook geen zin had omdat ik me volstopte met paracetamol die de temperatuur drukt.
Die tien dagen hebben hun sporen nagelatent: ik viel vier kilo af (wat, gezien mijn normale gewicht, als een Sonja Bakker prestatie van formaat gezien kan worden) en zelfs nu, twee weken later, ben ik nog niet helemaal de oude.
Ik moest veel aan vroeger denken toen ik, voor mijn gevoel, ieder jaar wel een keer echt ziek was. Ik bewaar er goede herinneringen aan; natuurlijk omdat ik niet naar school hoefde maar vooral omdat ik overdag in het bed van mijn ouders mocht liggen. Dan keek ik uit het raam naar de sering in de tuin, die in mijn herinnering altijd in bloei stond, wat niet waarschijnlijk is want griep krijg je doorgaans in de winter.
Ik herinner mij de kadootjes, de gepelde druiven, de beschuitjes met kaas, de Donald Ducks en de Kijks.
Ik herinner mij niets van koorts of hoofdpijn of misselijkheid. Kennelijk heb ik een optimistisch geheugen: het filtert de rotdingen weg. Sterker, het maakt het mooier dan het was.
Maar wat ik me nog het meest herinner is de stilte in huis. De stilte die ik normaal gesproken saai vond, maar die weldadig is als je ziek bent. Urenlang hoor je niets anders dan een auto die voorbij rijdt; de wasmachine in de bijkeuken; het aanslaan van de verwarming. Af en toe hoor je beneden een deur open en dicht gaan, maar meer niet. Pas ver in de middag hoor je je broer thuiskomen van school en weer later hoor je je moeder je vader begroeten als hij thuis komt van z’n werk; je hoort ze met elkaar praten, maar je weet niet wat ze zeggen; je hoort iemand aanbellen; je hoort de TV. Je volgt het allemaal, maar je bent er niet bij. De geluiden zijn vertrouwd, je hoort erbij, maar je neemt er niet aan deel.
Zo was het nu ook: tot drie uur hoorde ik niks, daarna kwamen de kinderen thuis. Ik hoorde ze spelen; ik hoorde ze ruzie maken; ik hoorde het jeugdjournaal; ik rook de Spaghetti Bolognese.
Misschien is het fijne van ziek zijn wel het feit dat je een goede reden hebt om niks te doen: je bent ziek. Fijn.
‘Volgend jaar neem je maar een griepprik’ zei mijn vriendin, die de hele periode een stuk minder romantisch heeft ervaren dan ik.
‘Ja' zei ik, maar ik twijfel.

1/23/2009

Sint-Gillis

Vaak is het goed om er bovenop te zitten. Soms is het beter om op afstand te blijven.
Vanochtend werden er twee peuters en een peuterleidster vermoord in een kinderdagverblijf in Sint-Gillis door een man met een wit geschminkt gezicht.
Uit betrouwbare bron weet ik dat de halve wereldpers was uitgelopen om beelden te schieten en om gasten te regelen voor actualiteitenprogramma’s. Sint-Gillis was vandaag even het centrum van de wereld.
Iedereen is terecht geschokt dat kleine kinderen, de allerzwaksten, vermoord zijn. Maar waarom is niemand geschokt dat mensen, op hun allerzwakste moment, namelijk vlak nadat ze hebben gehoord dat hun kind of het vriendje van hun kind is vermoord, worden gefilmd?
Waarom vinden journalisten dat ze het recht hebben om mensen in het diepst van hun verdriet lastig te vallen en te filmen?
En welk doel dient het eigenlijk?
Waarheidsvinding, schijnt het doel van de journalistiek te zijn. Natuurlijk, als het een politiek schandaal betreft, als de journalist een doofpot vermoedt, als er zaken van algemeen belang op het spel staan, moet een journalist proberen de onderste steen boven te krijgen. Maar wat is er aan waarheidsvinding te doen in Sint-Gillis?
De enige waarheid is dat het afschuwelijk is. Er is geen complot, er is geen doofpot, er is geen verborgen waarheid. En als die er is, dan kan die wachten: de dader is gepakt, de kinderen zijn dood, de politie is aan het werk.
Er is echt geen waarheid te vinden in beelden van huilende moeders; er is echt niets te winnen in een gesprek met een inderhaast opgetrommelde forensisch psycholoog die net als wij slechts weet dat de dader een wit geschminkt gezicht had (NOVA).
De enige reden voor de gretigheid van de pers is, vrees ik, dat ze uit is op sensatie en, vooral, dat de collega's van de andere programma's het ook doen.
Het is jammer dat niet een redactie zich verzet heeft en zich heeft beperkt tot een enkele mededeling. Ik ben heus in staat de gruwelijke werkelijkheid er bij te denken.
Het is jammer dat er niet een programma zo ‘conservatief’ was om de mensen daar met rust te laten? Conservatief is niet altijd slecht, kijk maar naar de Rabobank.
Op 13 maart 1996 zat ik in het congresgebouw in Den Haag bij een optreden van Tori Amos. Die dag waren er in Dunblade, Schotland, 16 leerlingen vermoord door een psychopaat. Ze begon het optreden met de volgende woorden: ‘Ik geloof dat zieltjes van overleden kinderen een plek op aarde nodig hebben om te dansen. Dus ik speel vanavond voor hun in de hoop dat ze komen dansen.’
Dat was meer dan genoeg, ik dacht de hele avond aan die kinderen.

1/15/2009

Boekenclub

Ik stel me bij boekenclubs altijd een stel dames voor die in een groot huis bij een knapperend haardvuur, onder het genot van een paar flessen rode wijn en toastjes met kaas een uur lang over een boek praten om de rest van de avond het drama in hun eigen leven te bespreken. En zo hoort het ook, want goede literatuur zet aan tot introspectie.
Af en toe word ik, via via, gevraagd om aanwezig te zijn en meestal doe ik dat met veel plezier, omdat ik nou eenmaal graag over mijn werk praat een een zekere ijdelheid mij niet vreemd is. En omdat ik de illusie heb dat de revolutie onderop begint. Een beetje zoals een politicus die op een zeepkist op de markt gaat staan om zijn boodschap te verkondigen. Of zoals een Jehovagetuige redeneert: elke gewonnen zieltje is er een.
Gisteren was ik te gast bij een boekenclub die geheel aan mijn verwachtingen voldeed. Toen ik binnen kwam zaten de negen dames, die een een uur voor mijn komst bij elkaar gekomen waren om DHVDA eerst zonder mij te bespreken en om vragen te bedenken, klaar in een grote kring rond de haard.
Het werd een leuke avond waarbij ik mezelf af en toe iets te koket vond (zo kwalificeerde een collega schrijver mijn optreden een keer toen ik een lezing hield en sindsdien ben ik steeds bang dat ik te ‘koket’ ben) en waarbij het me weer eens opviel dat de interpretatie van een boek toch vooral iets zegt over de lezer.
Overigens heeft de situatie altijd iets raars omdat je weet dat niemand in zo’n club helemaal eerlijk tegen de schrijver durft te zijn. In mijn bijzijn benoemt men de positieve kanten van het boek nou eenmaal makkelijker dan de negatieve.
Behalve die ene keer anderhalve maand geleden.
Achteraf had ik het kunnen weten toen ik uit mijn auto stapte, de winderige parkeerplaats overliep naar de ingang van een jaren zeventig flat en de lift nam naar de achtste verdieping waar ik ontvangen werd door twee vrouwen en twee MANNEN die met een kopje rooibosthee aan de keukentafel op mij zaten te wachten. Geen haard, geen wijn, geen huiskamer.
‘Je zult wel zenuwachtig zijn om te horen wat we van je boek vinden, he’, begon een van de twee vrouwen nog voor ik goed en wel zat.
‘Er zaten best mooie stukken in, hoor’, zei de andere vrouw die een rode bril droeg ‘maar ik vind dat je ook recht hebt op kritiek.’
Ik ging zitten en kreeg een kopje zure thee voorgeschoteld waarna de bijeenkomst begon.
‘Laten we maar beginnen met wat we mooi vonden’, stelde de vrouw met het rode brilletje voor.
‘Ah, een slecht nieuws gesprek’, lachte ik in een poging mijn irritatie te verbergen.
Het viel even stil aan tafel.
‘Goed’, ging de andere vrouw verder, ‘iedereen heeft een lijstje gemaakt met wat hij goed vond...
‘... en met wat ie niet goed vond’, vulde de vrouw met de bril, aan wie ik inmiddels een hekel begon te krijgen, aan.
‘Rob, wil jij beginnen?’
Rob begon te vertellen wat hij mooi vond.
Daarna waren de anderen aan de beurt.
Toen ze door de positieve punten heen waren begon het deel van de bijeenkomst dat nog het meeste weg had van een verhoor.
‘Waarom heb je ervoor gekozen om aan het einde een derde persoon in te voeren?’ vroeg een van de twee mannen.
Nog voor ik antwoord kon geven tetterde het rode monster er al doorheen: ‘Ja, dat vond ik zo jammer. Echt vreselijk zonde.’
‘Waarom heeft het meisje een zusje dat heel extrovert is?’, wilde Rob weten.
‘Als reactie op haar introverte zusje’, antwoordde ik.
‘Dat kan natuurlijk nooit’, kwetterde de gastvrouw die psychologie bleek te hebben gestudeerd en nu aan de hoogeschool werkte. ‘Daar moet een andere oorzaak voor zijn en die miste ik in je boek.’
De anderen wilden ook allemaal wat weten. Of eigenlijk wilden ze niets weten, maar beweerden ze iets waarop ik geacht werd verweer te geven.
Toen ze door hun vragen heen waren, zette het rode nijlpaard haar bril af en zuchtte: 'Tja, ik denk dus dat we ons af kunnen vragen of dit wel literatuur is of niet.'
De anderen knikten instemmen, waarna de gastvrouw op stond, de kopjes van tafel pakte en ze op het namaak stenen keukenblad zette, ten teken dat de bijeenkomst was afgelopen.
'Welk boek doen we volgende keer?', vroeg Rob.
'Ik heb een prachtig boek gelezen', antwoordde de gastvrouw, 'ik weet zeker dat jullie het ook mooi vinden. Echt schitterend.'
'Heerlijk', verzuchtte de rode olifant, 'daar zijn we wel aan toe.'
Toen ik op de parkeerplaats stond realiseerde ik me dat ik niks gekregen had. Niet eens een pakje rooibosthee.

1/06/2009

Zeuren

Nu lees ik in de NCRV gids dat Mieke van der Wey vindt dat ik zeur. Ze zegt dit naar aanleiding van mijn eervorige blog over het uitblijven van recensies over DHVDA. (overigens werd ik de afgelopen weken op mijn wenken bediend want ineens schreven HD, de Morgen en het Parool over mijn boek).
Dus begon ik te twijfelen of de overdrijving (en daardoor de zelfrelativering) wel over waren gekomen, maar ook bij hernieuwde lezing kon ik er nog wel om glimlachen. Goed, er zit natuurlijk wel een serieuze ondertoon in mijn geklaag, maar om dat nou zeuren te noemen...
Mijn vriendin was het echter roerend met Mieke eens; ze vindt al maanden dat ik teveel klaag. ‘Hoeveel schrijvers zitten er nou bij de ‘TROS nieuwsshow’ en bij ‘Met het oog op morgen’ en bij ‘OBA live’?’ heeft ze mij de laatste tijd al een paar keer retorisch gevraagd. ‘En’, voegde ze er vandaag aan toe, ‘Jan Siebelink brak pas bij zijn 33-ste boek door, dus wat wil je nou’.
Dat vond ik wel weer een geestige opmerking, maar volgens mij meende ze het serieus. Het blijft een lastige combinatie: (mijn) humor en vrouwen.
Veel belangrijker dan mijn vermeende gezeur is het project dat ik momenteel in het AMC/Emma kinderziekenhuis doe. Er is mij namelijk gevraagd een CD te maken waarvan de teksten van de liedjes gebaseerd zijn op de verhalen van de kinderen die daar liggen. De afgelopen maanden ben ik daarom regelmatig in het ziekenhuis om te praten met met kinderen die vier keer per week gedialiseerd moeten worden; met graatmagere meisjes die elke dag zes ‘eetmomenten’ hebben; met stoere jochies uit de Bijlmer die elke nacht in hun broek plassen en met dappere kinderen met kale koppies die ‘kanjerkralenkettingen’ aan hun infuus hebben hangen (voor elke ‘gebeurtenis’ krijgen ze een kraal: voor de eerste bestraling; de eerste chemo; de tweede chemo; de eerste haaruitval; de derde lumbaalpunctie). En ik spreek er natuurlijk ook met verontruste of gelaten of berustende ouders. Of, in een geval, met ouders van een overleden kind.
Vrienden vragen me of het zwaar is, zeker omdat ik zelf jonge kinderen heb. Het valt mee. Het is intens, maar niet zwaar. Eerst vond ik dat raar: ik zou toch helemaal kapot moeten zijn van de aanblik van een meisje van elf met veertig kralen aan haar ketting? Waarom voelde ik zo weinig?
Pas later begreep ik dat het kwam omdat juist kinderen die erg ziek zijn, niet zeuren. Natuurlijk, als het pijn heeft klaagt een kind wel, maar zodra het zich weer redelijk voelt gaat het verder met spelen. Hoe groter het probleem, hoe minder er gezeurd wordt, lijkt het wel.
In die zin moet ik Mieke gelijk geven: ik heb geen enkele reden tot klagen.

12/16/2008

Enge mevrouw

Vandaag was er een brandoefening op de school van mijn kinderen en nu kan mijn dochtertje van negen niet slapen. Niet omdat ze bang is voor brand maar omdat ‘de enge mevrouw’ aan kwam lopen toen ze buiten stonden te wachten tot ze weer naar binnen konden. Ik geloof dat de schoolleiding even vergeten was dat er nog een klas buiten stond, want uit het verhaal van mijn dochtertje maak ik op dat ze daar zeker een half uur hebben staan blauwbekken. Maar ze overdrijft wel vaker een beetje.
In ons dorp woont een ‘enge mevrouw’. Mijn dochter is haar al een keer eerder tegengekomen toen ze voor het eerst alleen van school naar bijles liep en ze niet verder durfde omdat de enge mevrouw op de stoep tegen een boom stond te trappen terwijl ze riep: ‘HET IS ALLEMAAL JULLIE SCHULD, GODSAMME’.
Ik kom haar regelmatig tegen; ze is broodmager, heeft altijd een roze winterjas aan (ook in de zomer) en loopt met haar fiets aan de hand in slakkentempo door het dorp. Beetje voorovergebogen, als een zielig vogeltje dat geen vlieg kwaad doet. Maar toen ik haar een keer bij de zebra wilde helpen oversteken, begon ze te schreeuwen: ‘KLOOTZAKKEN’, riep ze, ‘VUILE KLOOTZAKKEN. GODVERDOMME, GODVERDOMME’.
De meeste winkeliers zijn niet zo blij met haar omdat ze de gewoonte heeft om een zaak binnen te lopen om vervolgens een willekeurige klant uit te schelden.
‘HOERENJONG, JE WEET HET WEL, JE WEET HET WEL. VUIL, GOOR HOERENJONG’, hoorde ik haar een keer uitvallen tegen een kalende heer van een jaar of zestig die net een pak aan het passen was.
Het is grappig hoe verschillend mensen op haar reageren. Sommigen beginnen terug te schelden; anderen doen of ze haar niet horen. Ik glimlach tegenwoordig vriendelijk tegen haar en tegen omstanders om duidelijk te maken dat ik geheel relaxed ben en wel weet hoe ik met psychische gevallen als dit om moet gaan (wat niet zo is).
De heer die het pak aan het passen was keek verontwaardigd naar de verkoper, die, zo bleek, vaker met dit bijltje gehakt had. ‘Kom Cato’, zei hij, ‘je weet dat je hier niet mag komen’. Ze draaide zich gedwee om, pakte haar fiets en droop af, maar niet nadat ze de kalende heer nog een keer ‘HOERENJONG’ had toegevoegd.
‘Ze is alleen een beetje zielig’, probeer ik mijn dochter gerust te stellen als ik op de rand van haar bed zit, ‘ze is ziek in haar hoofd, maar ze doet niks.’
‘Ik vind haar gewoon eng’, snikt ze.
‘Probeer maar aan leuke dingen te denken’, zeg ik.
‘Dat kan ik niet’, zegt mijn dochtertje.
‘Jawel’ zeg ik.
‘Aan wat dan?’ vraagt ze.
Terwijl ik nadenk over iets leuks, flitst door mijn hoofd dat ‘de enge mevrouw’ ook negen is geweest. Was ze toen nog ‘normaal’? Was ze toen ook gewoon een meisje dat niet kon slapen omdat ze bang was voor onweer of voor monsters onder het bed? Waar is het misgegaan?
‘Denk maar aan de paardenmanege’, zeg ik. Mijn dochtertje wil later, samen met haar zusje, een paardenmanege beginnen.
‘Mmmm’, zegt ze.

12/10/2008

De hartslag van de aarde (2)

Ondertussen ben ik eniszins in verwarring over DE HARTSLAG VAN DE AARDE.
De reacties op het boek zijn boven al mijn verwachtingen. Niet alleen van familie en vrienden, ook van wildvreemden; van boekhandelaren; van collega-schrijvers; van radiomakers en zelfs van een enkele wetenschapper hoor/lees ik dat ze het een prachtig boek vinden. Dat is fijn, dat is heerlijk.
Maar het rare is: het boek is nu 7 weken uit en er is niet een recensie verschenen in een landelijke krant.
Nou kan het zijn dat ik lijd aan chronische zelfoverschatting (als dat zo is lijd ik trouwens ook aan chronische zelfonderschatting; het is bij mij het een of het ander) en het is waarschijnlijk waar dat ik nogal verwend ben met de aandacht bij het verschijnen van mijn eerste roman, maar ik kan niet ontkennen dat ik teleurgesteld ben. Een beetje verongelijkt zelfs. Hoezo geen recensie? Het is toch een geweldig boek.
Ik merk dat het ook overslaat op mijn priveleven. Dingen die eerst vanzelfsprekend waren vind ik ineens onrechtvaardig: het feit dat ik de hele dag maar in m’n eentje zit te schrijven (ik ben inmiddels met een CD project bezig waarover later meer) terwijl iedereen koffie drinkt met zijn collega's; het feit dat ik ’s middags en ’s avonds de kinderen ‘doe’, terwijl mijn vriendin de hele dag leuke, interessante mensen ontmoet omdat ze voor Pauw en Witteman werkt (hoezo wilden die me trouwens niet in hun programma?): ik vind het nogal oneerlijk allemaal.
Ik vind elk boek van een Nederlandse auteur waaraan wel aandacht wordt besteed ineens ook bij voorbaat waardeloos. Ik raak geirriteerd als ik lees dat Beau van Erven Dorens is opgepakt door de politie omdat hij van de magere brug sprong ter introductie van zijn nieuwe (eerste?) roman. Goeie publiciteitsstunt. Maar waarom pakken ze mij nou nooit eens op?
Steeds vaker wens ik dat ik op een dag nog eens wereldberoemd word, niet om de aandacht, maar omdat ik dan alle recensenten en programmamakers die mij ooit hebben genegeerd een interview kan weigeren.
‘Ach, het duurt soms wel drie maanden voor ze recenseren’, zegt mijn uitgever (die het trouwens ook zo’n goed boek vindt), maar per week neemt de stelligheid waarmee ze het zegt af. Althans, volgens mij.
Misschien heeft ze gelijk en moet ik gewoon afwachten. Maar geduld is niet mijn sterkste eigenschap. Hoezo eigenlijk niet?

12/05/2008

Oplegger

Naast mijn ‘kantoor’ wordt momenteel een oude fabriekshal in nieuwe luister hersteld. Of hoe zeg je dat? Er verrijst een nieuw gebouw binnen de oude, gietijzeren constructie.
Omdat er door de werkzaamheden gebrek aan ruimte is, parkeert iedereen zijn auto daar waar het maar kan. Zo ook langs de toegangsweg naar de fabriekshal waar regelmatig een vrachtwagen vast komt te zitten tussen de aan twee kanten geparkeerde Audi’s en Volvo’s van de hippe reclamejongens en ontwerpers die hier in de buurt werken. Op een of andere manier lukt het de bestuurders altijd weer ‘los te komen’ – ik kijk er met grote bewondering naar – maar vanmiddag ontstaat er een, volgens mij, onoplosbare situatie.
Op de weg staat namelijk een oplegger strak tussen een geparkeerde Mercedes S-klasse en een gloednieuwe Jeep Cherokee, terwijl van het bouwterrein een graafmachine met rupsbanden aan komt rijden die, aan de gebaren van de opzichter te zien, op de oplegger moet. Maar dat is niet het enige probleem: de machine heeft twee bakken aan zijn arm hangen. Een die normaal bevestigd is, maar ook een die er ‘los’ aan bungelt. Ik heb het vaker gezien, kennelijk is dit de enige manier om de loodzware bakken te vervoeren.
Ik draai mijn stoel naar het raam en ga er voor zitten.
De graafmachine rijdt behoedzaam langs de auto’s. Meer dan tien centimeter ruimte aan elke kant heeft hij niet. Dat moet mis gaan, lijkt me, want zo’n machine kan niet alleen voor en achteruit bewegen, maar ook nog eens om zijn as draaien terwijl de arm van boven naar beneden kan bewegen. Een verkeerde beweging aan een hendel en de bestuurder richt voor tienduizenden euro’s schade aan.
Maar hij bereikt de oplegger zonder kleerscheuren. Nu moet de graafmachine via de smalle leggers op de vrachtwagen zien te komen terwijl hij de bungelende bak over de geparkeerde auto’s heen aan de achterkant van de oplegger moet zien te krijgen. Een schroef en een voorwaartse flikflak tegelijk.
Tergend langzaam rijdt de graafmachine naar boven, terwijl de leggers vervaarlijk doorbuigen en ik de oplegger letterlijk hoor kreunen onder het gewicht. Hoe zwaar zou zo’n ding zijn? Vierduizend kilo. Ik heb werkelijk geen idee.
Het lukt de bestuurder heelhuids ‘boven’ te komen. Nu moet hij de bungelende bak draaien. Ik vraag me af wat er van de Mercedes over blijft als er een gietijzeren bak van vijfhonderd kilo (?) op het dak valt. Zou alleen het dak indeuken of zou de hele auto platgedrukt worden? En wat zou er gebeuren als de graafmachine met zijn rupsbanden van de oplegger over het dak van de Mercedes rijdt? Bijvoorbeeld omdat de bestuurder genoeg heeft van al die dure auto’s die hem in zijn werk belemmeren. Ik heb weleens gezien hoe oude auto’s door monsterachtige machines tot het formaat van een grote verhuisdoos worden ingedrukt.
De graafmachine is inmiddels een halve slag gedraaid en hij moet nu verder ‘achteruit’. Of juist vooruit? Het zijn verwarrende begrippen bij een apparaat dat zijn bovenkant kan draaien. Alsof je romp gedraaid zit en je benen doorlopen. Loop je dan voor of achteruit?
De machine rijdt verder; de bak bungelt nog een paar keer vervaarlijk langs de auto’s, maar het gaat goed. Natuurlijk gaat het goed. De bestuurder kan lezen en schrijven met zo’n ding. Hoe lastiger de situatie, hoe liever hij het heeft.
Als alles goed staat springt hij uit de cabine en steekt tevreden een sigaret op.
Nu ik nog, denk ik en draai mijn stoel terug naar mijn bureau.

11/26/2008

Erfenis

Mijn vader belde dat een verre tante van ons was overleden en aan mijn vriendin en mij iets had gelegateerd.
‘Tante M.? vroeg ik verbaasd, ‘die was in de oorlog toch ...?’
‘Ja’, zei mijn vader.
‘Maar die heeft toch kinderen? Waarom zou ze mij iets nalaten?’
‘Ik heb geen idee’, antwoordde hij.
‘Wat is het dan?’, vroeg ik.
‘Dat weet ik vanmiddag pas als ik bij de notaris zit. Ik moet alleen even weten of je het accepteert.’
Ik zag geen reden om dat niet te doen. Ik vond het eigenlijk wel spannend: iets krijgen van iemand die je nauwelijks kent.
Ik bleef er de hele verdere dag mee bezig.
Zou ze gebrouilleerd zijn met haar kinderen? Of zou ze het uit filantropische overwegingen hebben gedaan? Had ze gedacht: zo’n arme artiest moet je steunen?
Ik had haar in mijn leven maar een keer ontmoet, na een voorstelling in Zutphen, dus dat zou kunnen.
Al naar gelang de dag vorderde werd de vraag WAAROM ze mij iets had nagelaten verdrongen door de vraag WAT ze me had nagelaten.
Misschien was ze steenrijk en erfden wij haar juwelen. Of haar zilver; of haar schilderijen. Misschien liet ze ons haar huis na. Hoe woonde ze eigenlijk? Op een landgoed, meende ik mij te herinneren.
Ik zag mezelf al rond rijden in een nieuwe BMW 1 cabriolet, die ik makkelijk had kunnen betalen uit de opbrengst van de nalatenschap. Waarschijnlijk kon ik er meerdere kopen.
Toen mijn vriendin thuis kwam vertelde ik haar van de erfenis.
‘Tante M.?’, vroeg ze, ‘die ken ik niet.’
Ik vertelde dat ik ook niet veel meer wist dan dat ze fout was geweest in de oorlog.
‘Dan hoef ik het niet’, zei mijn vriendin beslist.
‘Ach kom’, zei ik verbaasd, ‘die oorlog is al zo lang geleden.’
‘Maakt niks uit’, zei ze, ‘ik hoef het niet’.
Enigszins gegeneerd dat ik zelf geen moment aan de mogelijkheid had gedacht om de nalatenschap te weigeren, zei ik: ‘Je hoeft iemand toch niet af te rekenen op fouten die ze vijfenzestig jaar geleden heeft gemaakt.’
‘Ik wil er gewoon niks mee te maken hebben.’
‘Maar je weet toch helemaal niet wat het is’, probeerde ik, ‘mischien zijn het wel juwelen’.
‘Gadverdamme’, zei ze met een vies gezicht, ‘dan heeft ze die in de oorlog vast gestolen van Joden.’
Ik zag de droom van mijn nieuwe BMW uiteen spatten.
‘Het spijt me’, zei ik, ‘ik heb het al geaccepteerd en mijn vader zit nu bij de notaris, dus ik kan er niets meer aan veranderen.’
‘Dan neem jij het maar’, volhardde mijn vriendin, ‘ik hoef het niet’.
‘Ook niet als het haar huis is?’ vroeg ik.
‘Dan ook niet.’
Die avond belde mijn vader.
‘Ze heeft je iets heel aardigs nagelaten’, zei hij.
'Wat dan?' vroeg ik.
‘Vier tinnen schaaltjes.’
‘Oh’, zei ik, ‘tinnen schaaltjes.’

11/17/2008

Weeva

Ik herkende het hotel, waar ik de nacht ging doorbrengen pas toen ik ervoor stond. In de tijd dat ik hier studeerde heette het alleen nog niet ‘Martinihotel’, maar ‘Weeva’: Wonen En Eten Voor Allen. Het Weeva was een begrip in Groningen vanwege de legendarisch lage kamerprijs en de dienovereenkomstige staat van de kamers. WC en douche waren op de gang; de meeste kamers hadden drie of vier bedden met een diepe kuil in het midden en het kon gebeuren – in geval van grote drukte - dat je met wildvreemden op de kamer sliep. Kortom een socialistisch rolmodel-hotel.
Maar de tijden zijn veranderd en aan de buitenkant is niets meer van deze oude tijden terug te vinden; de gevel zit strak in de lak; het hotel wordt mooi uitgelicht en de grote entreedeur is indrukwekkend.
Ook aan de foyer en de eetzaal, die ik door moet voor ik bij de receptie kom, zie ik dat er een andere wind waait: het is ziet er allemaal redelijk modern uit. Alleen de oude prenten aan de muur laten vrijwel allemaal het oude hotel zien.
De receptionist is buitengewoon vriendelijk en ik ben ingecheckt voor ik het weet. Sterker, ik ben nog nooit zo snel in een hotel ingecheckt. Even later realiseer ik mij dat hij mij niet om een paspoort of rijbewijs heeft gevraagd. Zou hij dat misschien doen uit solidariteit met gasten zonder vaste woon of verblijfsvergunning? Zodat iedereen hier kan logeren?
Mijn kamer is op de tweede verdieping. Het is klein maar het heeft een badkamer met douche, een wc en wastafel; er staan twee bedden zonder kuilen, er is een zitje met een keurige tafel, een stoel, er staat een bureautje en er hangt een TV. Alles is schoon en alles werkt. Kortom, mijn kamer heeft alles wat een hotelkamer vandaag de dag moet hebben.
Maar toch ruik ik door het moderne interieur het oude socialisme nog. Er hangt de geur van zwembad WC’s; de bedlampjes zijn in de achterwand ingebouwde TL buizen die zo’n hard licht verspreiden dat elke mogelijke gedachte aan een romantische nacht direct in de kiem gesmoord wordt; de gordijnen zijn kanariegeel en vloeken met de blauw/paarse vloerbedekking (dat zie ik zelfs); de tafel en het bureau zijn van het aller-Ikeaaste beukenfineer en het analoge TV-tje hangt op zo’n rare, hoge plek dat je je nek verrekt als je er langer dan vijf minuten naar kijkt. Alsof alles uitgekozen en opgehangen is om er voor te zorgen dat je vooral niet geniet. Omdat genieten niet solidair is met mensen die geen geld hebben om te kunnen genieten?
De oude geest van het Weeva heeft zich nog niet heeft laten verdringen.
Ik slaap overigens heerlijk in mijn kamer die gelukkig geen airconditioning heeft en waar het raam nog gewoon wagenwijd open kan. Een hotel is er om in te slapen. Dat hadden ze vroeger goed begrepen.

11/04/2008

Uit de oude doos (2)

Jaren geleden traden Alberto en ik nogal eens op voor Nederlanders in den vreemde. Zo speelden wij onder andere in Oman, Thailand, Brunei, Nigeria en, twee keer, in Syrie.
De afspraak was simpel: wij deden een optreden, zij betaalden reis en verblijfkosten, wat meestal inhield dat we een week lang in een goed hotel zaten en een auto met chauffeur ter beschikking hadden.
De eerste keer dat we in Syrie speelden werden we van het vliegveld opgehaald door de voorzitter van de Nederlandse vereniging. Toen we van de aankomsthal naar buiten liepen nam hij me even apart.
‘Je moet de naam van de president (Assad, de vader van de huidige) hier niet noemen’, zei hij, ‘niet in een auto, niet in je hotelkamer. Nooit. Alle telefoonlijnen worden getapt; elke chauffeur is een informant; elke hotelkamer wordt afgeluisterd. Je moet zelfs niet naar zijn beeltenis wijzen.’ Vooral dat laatste was goed om te weten want werkelijk overal op straat en in elke openbare ruimte hingen foto’s van de man.
Toen wij de avond erna bij hem en zijn gezin aten begreep ik dat de Nederlanders die er woonden een goeie oplossing hadden gevonden voor dit afluisterprobleem. Assad woonde namelijk in een groot, grijs paleis boven op een berg, uitkijkend over Damascus. Als zij het over hem hadden, spraken zij over Pietje van den Berg.
Op de derde avond vond ons optreden plaats tijdens een groot diner waarbij ook de ambassadeur aanwezig was. Het toeval wilde dat ik in dat programma een verhaal had over een koning die op een berg woonde. Het was maar een kleine aanpassing om deze decadente, gestoorde koning Pietje van den Berg te noemen. Omdat ik het altijd leuk vond om op de situatie in te spelen begon ik de voorstelling met het optillen van borden en het weghalen van schilderijen zogenaamd om te checken of er ergens een microfoontje verborgen zat.
In de pauze kwam een assistent van de ambassadeur naar de kleedkamer om mij met klem te vragen geen verwijzingen meer te maken naar de president danwel naar het land. Enigszins verongelijkt, ik was immers cabaretier en die laat zich door niemand de les lezen, althans niet zolang er niets op het spel staat, besloot ik daar gehoor aan te geven, ook al omdat mijn verhaal over de koning toch al ten einde was.
De voorstelling verliep na de pauze verder goed tot ik vlak voor de toegift nog even op de situatie terug kwam. ‘Heeft de ambassadeur ondanks alles toch genoten?’ vroeg ik. Beetje flauw. Maar ja, ik was nou eenmaal cabaretier.
De ambassadeur stond op van zijn tafel. ‘Je weet niet waar je het over hebt’ zei hij geergerd, ‘je begrijpt er helemaal niets van. Dit is een gevaarlijk land, jongen, je kan hier zo in de gevangenis belanden’. Vervolgens beende hij, zijn gevolg met zich meenemend, boos de zaal uit.
Bedremmeld deden Alberto en ik onze toegift.
Na de voorstelling kwam de voorzitter naar onze kleedkamer toe. ‘Het spijt me’ zei hij, ‘ik had jullie moeten waarschuwen. Heb je die twee mannen met snorren achter in de zaal gezien? Die waren van de Syrische inlichtingendienst. Ik vermoed dat de ambassadeur zich geroepen voelde in het openbaar afstand te nemen van jouw optreden.’
‘Sorry’, zei ik.
‘Kon je niet weten’, zei hij, ‘het probleem is nu alleen dat ik niet zeker weet of je de komende dagen nog veilig bent in Syrie.
Ik schrok. ‘Hoezo?’ vroeg ik.
‘Als die mannen van de inlichtingendienst dit voorval melden kan het zijn dat ze je komen opzoeken.’
Even zag ik mijn luxe reisje – we zouden nog twee interessante excursies doen - vroegtijdig beeindigd worden, maar andere Nederlanders die zich inmiddels in de kleedkamer hadden verzameld meenden dat het zo’n vaart niet zou lopen.
‘Ik blijf wel’, zei ik stoer. Ik had toen nog geen kinderen.
De dagen erna verliepen zonder problemen.
Ik was het incident alweer vergeten toen wij teruggingen naar Nederland en ik, ingecheckt en wel, bij de gate op een stoel zat te wachten tot we het vliegtuig in mochten.
Ineens werd er op de glazen wand achter mij geklopt. Ik draaide me om en zag een politieman en een man in burger. Ze wezen op mij en gebaarden dat ik naar de uitgang moest lopen. Bedoelen jullie mij, wees ik nog. Ja, ze bedoelden mij. Het hart klopte in mijn keel toen ik naar de uitgang liep.
‘You come with us’, zei de agent.
‘Why?’, vroeg ik.
‘You come with us’, zei hij weer, nu wat harder.
‘But why?’, vroeg ik.
‘YOU COME WITH US’, blafte hij.
Ik zag het al voor me: een grot middenin de woestijn waar ik achter een stalen hek mijn dagen in eenzaamheid zou slijten. Toen vroeg de man in burger ineens: ‘You took taxi from the Meridian?’
‘No’, zei ik, ‘I wasn’t in the Meridian.’
‘Yes, you took taxi and didn’t pay.’
‘No’, zei ik, ‘I was in the Landmark hotel. Here, look but.’ (mijn Engels bezweek onder de stress). Ik pakte het reserveringsformulier uit mijn jaszak en liet het zien.
De agent bekeek het, liet het aan de andere man zien en zei: ‘Mmmm’. Daarna draaide ze zich om en liepen weg.
Er is een groot verschil tussen een grap maken in Nederland of in het Midden Oosten.

10/27/2008

De hartslag van de aarde

Afgelopen donderdag was de presentatie van ‘De hartslag van de aarde’. Ik had ongeveer honderd man uitgenodigd waarvan de helft ook daadwerkelijk was gekomen. Geen duur etablissement; geen dure hapjes; geen BN-er om het boek in ontvangst te nemen, maar gewoon bitterballen en bier op de bovenste verdieping van de uitgeverij om samen met mijn familie en vrienden te vieren dat het werk gedaan is. Een beetje als de vrijdagmiddag borrel na afloop van een week hard werken.
Mijn onvolprezen redacteur hield een geweldige speech onder andere over het Jeckyll and Hyde syndroom waaraan ik zou lijden. Ik moest bekennen dat ik het nooit gelezen had (al zei ik dat niet), maar ik begreep de strekking: het was mijn redacteur opgevallen dat mijn romanpersonages gedurende het schrijfproces steeds minder extreem werden. Wat, zo vroeg ze zich af, zegt dat over de auteur? Hoe extreem is hij eigenlijk onder de oppervlakte?
In dat kader had ik me voorgenomen om flink te gaan drinken, temeer de kinderen onder de pannen waren en mijn vriendin en ik die avond in een hotel honderd meter verderop sliepen, maar ineens bleek dat ik na de presentatie nog naar ‘Met het oog op morgen’ moest. Derhalve beperkte ik me tot het innemen van een paar glazen wijn direct bij het begin van de presentatie omdat dat altijd iets ongemakkelijks heeft: te weinig mensen in een te grote ruimte. Vanaf acht uur geen druppel meer gedronken en uiteindelijk om half elf met de taxi naar een uitgestorven Mediacentrum in Hilversum waar ik geinterviewd werd door Lucella Carasso.
Daarna terug naar het hotel waar ik de slaap niet kon vatten door alle opwinding en door het feit dat de liftschacht zich ongeveer in onze kamer bevond en er, zo bleek, best veel mensen hun bed pas middenin de nacht opzoeken. Vooral hardsprekende Engelsen.
De volgende morgen weer naar huis en me gedurende de dag enigszins verbaasd over het feit dat de telefoon niet roodgloeiend stond. Ergens heb je toch de naieve hoop dat iedereen die bij de presentatie was die nacht het boek in een ruk uitleest.
Zaterdagochtend opnieuw naar een vrijwel uitgestorven Mediacentrum waar ik werd geinterviewd door Mieke van der Weij in de TROS nieuwsshow. Het was een leuk gesprek al merkte ik, toen ik het terug hoorde, dat het meer een monoloog was. Zo kort als de zinnen in mijn boek zijn, zo lang zijn ze als iemand mij een vraag stelt.
Tot slot nog dit: de eerste tien lezers die een mailtje sturen naar agreven@uitgeverijcontact.nl ontvangen een gratis exemplaar van ‘De hartslag van de aarde’. Met als bedoeling dat je er na lezing en welbevinden reclame voor maakt. Want mijn uitgever is natuurlijk ook een beetje Jeckyl and Hyde.

10/16/2008

Uit de oude doos (1)

Mijn gedachten gingen terug naar de tijd dat Alberto en ik ons eerste avondvullende programma speelde, halverwege de jaren negentig.
Ons impressariaat had voor een indrukwekkende speellijst gezorgd alleen, zo bleek tijdens de tour, waren de lokaties waar wij speelden minder indrukwekkend. We stonden nogal eens in jongerencentra, buurthuizen en theatertjes die gerund werden door vrijwilligers.
Vooral die laatste kunnen slopend zijn.
Omdat ik geen geld had voor een eigen technicus ging ik op de dag van een voorstelling ’s middags al vroeg naar het theater om alles uit te leggen. Ik had de voorstelling woordelijk uitgeschreven, zodat de technicus die ’s avonds het licht zou doen wist wanneer hij een nieuwe stand in moest zetten. Dan stond er bijvoorbeeld: ‘Na de zin “Ik ben een hond die zijn stok niet kan vinden” langzaam uitfaden. Na drie tellen stand 22’.
Het ging regelmatig mis. Dan bleef ik aan het eind van een gevoelig nummer in het volle licht staan, terwijl het even later middenin een act ineens donker werd.
Professionele technici herstelden hun fout over het algemeen snel, maar vrijwillige technici bleven vanaf dat moment konsekwent het lichtplan een stap te laat of te vroeg uitvoeren, zodat wij soms, ten einde raad, maar een nummer oversloegen om weer synchroon te lopen met het licht.
Overigens maakte dat voor de reactie na afloop niets uit. Zelfs na een desastreus verlopen voorstelling kwam de vrijwilliger lachend naar ons toe om te zeggen: ‘Ging goed, he? Ja, jullie zaten even fout, maar verder vond ik het geweldig.’
Op een dag speelden wij in een plaatsje waarvan de naam mij ontschoten is. Ik had, zoals altijd, het lichtplan een maand van tevoren opgestuurd en een week later nog even nagebeld met de vraag of het allemaal duidelijk was. ‘Ja hoor’ zei de vrolijke vrijwilliger aan de andere kant van de lijn, ‘maak je geen zorgen, komt hee-le-maal goed.’ Ik weet nu dat als iemand dat zegt je je pas echt zorgen moet maken.
Toen we aankwamen zag ik dat we in een gymzaal annex balletzaal speelden. Ik keek naar boven en zag dat er nog geen spot hing en zelfs het grid (de buizen in het plafond waaraan de lampen hangen) kon ik nergens vinden.
‘Er was toch licht?’ vroeg ik enigszins bevreesd.
‘Jazeker’, lachte de te dikke, zwetende man die Henri bleek te heten, ‘kijk maar’ en hij liep naar schakelaar naast de deur en deed de TL-lichten aan en weer uit.
Toen ik nogal teleurgesteld reageerde, zei hij: ‘Wacht even’ en hij liep weg. Even later kwam hij terug met een huishoudtrap en een diaprojector. Hij zette de projector op de trap.’Kijk’, zei hij lachend, ‘een spot’.
Ik zag in dat kwaad worden de zaak alleen maar erger zou maken en besloot me bij de situatie neer te leggen.
Het enige probleem van de ‘spot’ was dat hij enorm reflecteerde in de spiegelwand zodat de mensen in ‘de zaal’ verblind zouden worden. ‘Geen probleem’ lachte Henri en hij trommelde vijf medevrijwilligers op die de spiegelwand met landbouwplastic begonnen af te plakken.
Nadat wij een pizza hadden gegeten werden de stoelen neergezet en om acht uur kwam het publiek binnen. Het TL-licht ging uit en Alberto en ik speelden onze voorstelling in het licht van de dia-projector terwijl achter ons, onder invloed van de hitte van de lamp, het plakband begon los te laten . Per nummer zakte een deel van het landbouwplastic verder naar beneden zodat het publiek ons de tweede helft van de voorstelling met toegeknepen ogen wezenloos aan zat te staren.
‘Ging goed, he?’ zei Henri na afloop.
‘Ja’, zei ik, ‘lekker gespeeld.’
Henri knikte: ‘Alleen jammer dat je geen grap maakte over dat landbouwplastic.’

10/10/2008

Verval

Dit najaar geef ik weer een aantal gastcolleges ‘Liedtekst schrijven’ aan het conservatorium van Groningen. Om de studenten ter voorbereiding alvast wat voorbeelden van goede teksten mee te geven struinde ik youtube af.
Gevaarlijk, want voor je het weet verzand je.
Zo bleef ik een middag hangen bij the Beatles. Vooral de documentaire ‘Let it be’ waarbij ze worden gevolgd bij het opnemen van hun plaat is prachtig omdat het verval dan al is ingetreden. Niet muzikaal gezien, in tegendeel, maar je ziet dat het samenwerken nauwelijks meer gaat. Er is dan al eindeloos veel ruzie geweest, Yoko Ono zit er permanent ‘dominant afwezig’ te zijn (een term die ik een keer hoorde van iemand die cursussen ‘doorgaan met ademhalen’ geeft) en er zijn spanningen omdat er de hele tijd camera’s bovenop zitten.
Kijk maar eens naar de opname van ‘The long and winding road’: McCartney zit aan de vleugel en kijkt naar het velletje papier dat voor hem staat; Harrison staart voornamelijk naar beneden; Lennon zit verscholen achter zijn bos haar en Starr kijkt een beetje stuurs om zich heen. Ze kijken geen moment naar elkaar. Ze willen er niet zijn, maar ze zitten er toch. Je vraagt je af, waarom?
Omdat ze nog steeds prachtige liedjes maakten, denk ik. Ze waren nog steeds verliefd op hun muziek, dus ze moesten wel. Zoals gescheiden ouders nog met elkaar omgaan omdat ze nou eenmaal kinderen hebben. Juist die wrijving maakt het zo mooi.
Ik vergat de colleges die ik moest voorbereiden en klikte van het ene fragment naar het andere en voor ik het wist zat ik te kijken naar de aankondiging op ABC van het nieuws dat Lennon was neergeschoten. En naar de reactie van McCartney daarop; naar McCartney die ‘Here today’ zingt (een lied over Lennon) en in tranen uitbarst; naar McCartney die aan komt rijden over een zandpad en de pers te woord staat als Harrison is overleden.
Ik wilde nog meer verval zien: Simon and Garfunkel voor het eerst weer samen bij David Letterman: onherkenbaar oude mannen. Ik vroeg me af wat Garfunkel al die jaren heeft gedaan, behalve ‘Bright eyes’? En waaraan dacht hij toen hij daar weer stond te zingen met zijn oude soulmate die na het opbreken van S & G nog tien prachtige platen maakte?
Nog meer verval: Ricky Lee Jones die in 2007 ter promotie van haar nieuwe album ‘Sermon on exposition boulevard’ een liedje zingt. Het verhaal gaat dat ze na haar eerste vier – briljante - platen ruim tien jaar lang niet veel anders heeft gedaan dan spullen in haar neus stoppen.
Er zit schoonheid in verval juist omdat het eerst wel mooi was. Lelijk is iets anders: lelijk is leeg. Verval is iets dat niet meer mooi is.
Iemand die een slecht liedje schrijft is niet interessant. Iemand die een slecht liedje schrijft maar vroeger prachtige dingen maakte is dat wel.

9/26/2008

Mannetjes

Ik begreep vorige week pas hoe de bankwereld in elkaar zit.
In de Verenigde Staten was Lehman Brothers omgevallen door jarenlang mismanagement en hebzucht van de top maar dat weerhield andere banken er niet van ‘het talent’ onder de ontslagen managers van de failliete bank weg te kopen. Hun bonussen, die vaak tien miljoen euro per jaar bedragen, werden als eerste veilig gesteld.
Met andere woorden: de mannetjes die het meest hun best hebben gedaan om hun bank naar het faillissement te helpen en die al jaren in Porsches en Ferrari’s rondrijden hoeven niet te vrezen.
Opportunisme, noem je dat met een vriendelijk woord. Obsceen, kan je ook zeggen.
Net zoals het reddingsplan van de Amerikaanse regering in feite de foute mensen beloond. Juist de mannetjes die de afgelopen jaren alleen maar aan zichzelf hebben gedacht en die zichzelf met enorme bedragen verrijkt hebben worden gered.
‘Ja maar als je dit niet doet stort alles in elkaar’, werd zo’n mannetje in de krant geciteerd.
Dat is precies hoe opportunisme werkt: je helpt de boel de vernieling in en staande op de rokende puinhopen zeg je: ‘Ik moest maar weer eens opstappen.’
Opportunisme is het ontbreken van elk verantwoordelijkheidsgevoel; daar willen zijn waar het leuk is en anders vertrekken.
Opportunisme is het onbreken van ieder besef van realiteit. Voor de goede orde: een manager met een bonus van tien miljoen euro verdient alleen al aan die bonus tweehondervijftig keer zoveel als de onderwijzer die mijn zoontje les geeft. Nou wil ik geloven dat hij hard werkt en over veel geld beslist, maar ik blijf een goede onderwijzer een stuk belangrijker vinden dan iemand die goed (foute) leningen kan verkopen.
En het gaat niet alleen om de top. De logica is volstrekt zoek als ook een middelmatig manager bij een bank tien of twintig keer zoveel verdient als een verpleegster.
Maar het probleem met mannetjes is dat ze het gewoon vinden en dat hun baas ook een mannetje is en dat zijn collega bij de andere bank ook een mannetje is. Bijna iedereen die succesvol is en veel geld verdiend verliest de realiteit uit het oog.
Het is aan de onderwijzers, de verplegers en aan al die mensen die een beroep hebben dat er wel toe doet om zich niet af te laten leiden en door te gaan met waar ze mee bezig zijn. Waar zouden we zonder hun zijn?

9/16/2008

Laf

Gisteravond was schrijver/journalist Peter Middendorp te gast bij P&W. Ik kende hem alleen van een uitgebreid stuk over Ferry Mingelen en over het Haagse gedoe. Ik vond het artikel weliswaar te makkelijk op de man gespeeld, maar aan de andere kant stelde hij een belangrijke vraag aan de orde, namelijk: is de parlementaire pers niet teveel verweven met de politiek?
Hoe kon het dat hij Mingele nooit op de perstribune zag zitten en er toch elke avond weer een item in Nova/Den Haag Vandaag bleek te zijn? Een item waarover hij in de kamer die dag niets gehoord had. Werd er niet teveel bekokstoofd tussen politici en journalisten? Waarom hingen ze allemaal steeds in Nieuwspoort rond?
Dezelfde thematiek als Joris Luyendijk beschrijft als het om journalistiek werk in het Midden Oosten gaat.
Maar Middendorp is geen Luyendijk. Hij wil namelijk, zo begreep ik bij P&W, liever schrijver zijn dan journalist. En schrijvers moet je niet vertrouwen als het om feiten gaat. Een schrijver heeft als hoogste doel een mooi verhaal te schrijven.
Net zoals je een cabaretier ook nooit moet vertrouwen in zijn engagement: zijn eerste en enige doel is een grap te maken die scoort.
In zijn latere columns probeert Middendorp te scoren. Hij beschrijft hoe fractievoorzitter Hamer op borrels altijd naast de bitterballen zit en hoe ze die vervolgens in haar mond propt; hij schrijft over Henk Kamp die hij ’s avonds laat op straat tegenkomt en die schichtig in de winkelruit naar hem kijkt. Vermakelijk, dat wel, maar ook flauw, want hoe moeten bovengenoemde personen zich hiertegen verweren?
Middendorp verweert zich door te zeggen dat hij niet aan journalistiek doet. Juist ja, je schrijft over bestaand (bekend) persoon, het speelt zich af op een plaats waar die persoon zich ook daadwerkelijk bevindt, op een tijdstip dat hij/zij daar ook was, maar het is niet echt. Ceci n’est pas une pipe.
Gisteravond was ook Pechtold te gast over wie Middendorp recentelijk een flauwe column schreef. De wijze waarop hij reageerde op het feit tegenover hem te zitten sprak boekdelen: hij bleef maar draaien op zijn stoel; wegkijken; ‘uuhh’ zeggen. Een schuldbekentenis, anders kon ik het niet uitleggen. Een puber die net te hard tegen z’n vriendjes zegt dat ‘die lul daar een homo is’ en die, nu die jongen verhaal komt halen zegt: ‘Neuh, dat ging niet over jou.’
Middendorp moet een keuze maken: of hij is journalist en hij houdt zich bij de feiten of hij is schrijver. Maar dan zal hij toch echt meer afstand van de werkelijkheid moeten nemen. De vorm die hij nu hanteert is vooral laf.

9/08/2008

De Wilders in jezelf

Alhoewel ik het verwerp is het nog te begrijpen dat een politieman die een ruzie sust bedreigingen naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Maar een ziekenbroeder die uitgerekend bezig is het leven van jouw familielid te redden dood wensen is niet alleen onbegrijpelijk; het is vooral angstaanjagend. Het illustreert namelijk dat de jongeren die dit doen helemaal niets gemeenschappelijks meer hebben met een geciviliseerde samenleving als de onze.
De reacties op de gebeurtenis zijn heftig. En terecht. Job Cohen liet zich voor zijn doen zeer uitgesproken uit over Marokkanen; Geert Wilders reageerde door te stellen dat de ouders van deze jongeren mee de gevangenis in moeten en Kader Abdollah schreef een prachtige, emotionele column in de Volkskrant waarin hij Cohen adviseert: ‘Pak hen, pak die jongens twee keer harder aan dan andere Amsterdamse jongeren. Sluit ze op in kazerne en leer ze met harde hand hun hoofd te buigen voor de omgangsvormen van de stad’.
Over de uitspraken van Wilders zal morgen ongetwijfeld wel weer ophef ontstaan, over Abdollah zal je niemand horen; laat staan over Cohen. Wat maar weer aantoont dat het om de boodschapper gaat, niet om de boodschap want die is gelijk.
Ik denk dat ik de verklaring heb voor de heftige reacties die Wilders bij mensen oproept. Hij zegt wat (bijna) iedereen denkt, maar wat we niet willen dat we denken. Wilders is het nare duiveltje in je hoofd dat woorden roept die niemand anders durft te roepen. Dat ‘correcte’ mensen zich anders voordoen dan ze zijn wordt keer op keer bewezen. Zo kregen we een paar jaar geleden een mooi inkijkje in in het zieleleven van Rob Oudkerk, toen hij dacht dat de microfoon uitstond en sprak over die ‘Kutmarokkanen’; zo wordt er ieder jaar wel een Brits conservatief lagerhuislid ontmaskerd als homoseksueel of schuinsmarcheerder en wordt er met enige regelmaat een Amerikaanse priester gearresteerd wegens pedofilie.
Hoe strenger in de leer, des te ongeloofwaardiger iemand wordt.
Waarmee ik niet wil zeggen dat je alles maar moet zeggen, integendeel. Een beschaafde samenleving valt of staat met zelfbeheersing. Maar het is wel slim om onder ogen te zien dat iedereen in de krochten van zijn ziel een Wilders heeft zitten die op dagen dat ambulancepersoneel met de dood bedreigd wordt begint te roepen. Met Job Cohen en Kader Abdollah bevind je je in goed gezelschap.

9/01/2008

Dichters

Er zijn twee liedteksten van mij opgenomen in een dichtbundel voor kinderen van Querido, wat ik vooral een eer vind omdat ik nu tussen de door mij zo bewonderde Rob Chrispijn en Toon Tellegen sta.
Ted van Lieshout, de samensteller, vroeg mij om bij de presentatie in de theaterzaal van de Openbare Bibliotheek twee liedjes te zingen, te weten: ‘Bart, Tom en ik’ (waarvan de tekst in de bundel is opgenomen) en ‘Contract’, dat er niet in staat.
Er is met ‘Contract’ iets raars aan de hand: het is veel bekender dan ik. Dat merkte ik ook weer bij deze presentatie: bijna iedereen kent het, maar niemand weet dat het van mij (en Alberto) is. Het verschijnt de laatste tijd ook op de ene na de andere verzamel CD, terwijl het al 10 jaar oud is en indertijd helemaal niet zo lang in de hitlijsten heeft gestaan. Kennelijk is het blijven hangen.
Ik aarzelde toen mij gevraagd werd het te zingen, maar natuurlijk ging ik uiteindelijk wel akkoord. Die aarzeling is namelijk een beetje voor de vorm. Ik vind het genant om nog steeds op dat ene lied te teren, maar aan de andere kant is het heel prettig dat mensen direct weten wie je bent. In die zin heeft het lied de leiding overgenomen: het neemt mij bij de hand en stelt me voor. In plaats van omgekeerd.
De presentatie was overigens veel levendiger dan ik me had voorgesteld. Ik dacht dat dichters teruggetrokken Walter de Rochebrune types waren die slechts na lang aandringen van hun uitgever uit hun tuinhuis gekropen kwamen. Maar niets is minder waar. Ik heb me geen moment verveeld ondanks het feit dat zeker twintig dichters hun gedichten kwamen voorlezen.
Helaas waren Rob Chrispijn en Toon Tellegen er niet. Daarom hier nog maar even enkele favoriete regels:
'Jij had ogen met uitzicht op zee/die me nooit hebben aan gekeken/Jouw billen in een spijkerbroek, daar zijn geen woorden voor/Nou ja, de eerste paar weken' (Chrispijn) en;
'Ik trok een streep/tot hier, nooit ga ik verder dan tot hier/Toen ik verder ging trok ik een nieuwe streep/ en nog een streep' (Tellegen)

8/22/2008

Envelop

Mijn hotelkamer heeft uitzicht op de achterkant van paleis Noordeinde. Ik leg mijn spullen – wat kleren, een lap-top en een grote envelop – op tafel en loop naar beneden. Eerst even door het park wandelen dat aan het paleis grenst. Het paleis is aan de achterkant veel groter dan aan de voorkant. De koningin is er, zie ik, want de vlag hangt uit.
Eenmaal terug in mijn hotel haal ik bij de receptie een krant en neem hem mee naar boven. Ik ga op mijn bed zitten en kijk naar de envelop.
Daarna lees ik over de strijd in Georgie; over de affaire Duyvendak en de gouden race van de zwemdames. Halverwege val ik in slaap.
Als ik wakker schrik is het half zes. Omdat het nog te vroeg is om te gaan eten lees ik een paar hoofdstukken in ‘De recht op terugkeer’ van Leon de Winter. Tegen achten pak ik de envelop en verlaat mijn kamer op zoek naar een restaurant. Ik kom uit bij Dudok: een grand cafe waar ik gegrilde Griet met friet eet.
Als ik klaar ben is het half tien. De envelop zit nog onaangeroerd in mijn tas en ga ik terug naar het hotel. De televisie in de lobby staat op eurosport. Ik kijk naar simultaan schoonspringen, wat een knappe maar belachelijke sport is. Het interesseert me niets, maar ik blijf zitten tot ver na elven om daarna te besluiten dat het echt te laat is om nog wat te doen..
Ik ben vreselijk aan het uitstellen. Ik heb drie nachten een hotel gereserveerd om mijn boek te lezen. Dat wil zeggen, de laatste versie; de bijna-definitieve versie; versie ‘boek 15b’. De versie waarover ik moet oordelen: wordt dit de definitieve?
Ik heb tijdens de vakantie express mijn computer thuis gelaten en ik hoop dat ik nu genoeg afstand heb om het te kunnen beoordelen.
Maar wat als ik het niks vind?
Ik begin er morgen aan, na het ‘Parkhotel 4 stars’ ontbijt.

6/19/2008

KPN

Helpdesk KPN zakelijk, met Jacqueline Lamans.
Ja dag, met Arthur Umbgrove. Ik heb een internet plus abonnement aangevraagd en ik krijg vandaag twee brieven: in de ene staat dat de aanvraag is afgewezen en in de andere dat hij geaccepteerd is.
Wat is uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Daar kan ik niks op vinden, hebt u een order nummer?
Ja, 874502986
Dat is een aanvraag voor particulier.
Ja, maar ik heb een zakelijk abonnement aangevraagd.
Er staast hier dat het om een particuliere aanvraag gaat.
Hoe kan dat nou?
Meneer, ik heb geen idee. Ik geef u het nummer van de particuliere helpdesk

Ja dag, met Umbgrove. Ik heb een internet plus abonnement aangevraagd en nu hoor ik van uw collega dat het om een particuliere aanvraag gaat.
Wat is uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Daar kan ik niks op vinden. Hebt u een ordernummer?
874502986
Die aanvraag is afgewezen.
Afgewezen? Hoezo?
Dat kan ik hier niet zien, meneer. Dan moet u opnieuw bellen en in het keuzemenu eerst een 5 en dan een 3 toetsen.

Umbgrove. Mijn aanvraag is afgewezen. Kunt u me vertellen waarom?
Wat is uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Heeft u een ordernummer?
874502986
Wat is het nummer van uw analoge telefoon
023-5487345
Dat is van de Praxis aan de Bellamyweg
Pardon?
U werkt daar niet?
Nee. Hoe kan dat nou; vorige maand is hier een monteur geweest die een lijn heeft aangesloten en nu blijkt het van de Gamma te zijn
Praxis.
Ja precies.
U kunt het beste de aanvraag annuleren en een nieuwe aanvraag doen
Ja, dan moet ik weer een maand wachten. Kunt u dat niet in orde brengen?
Ik kan hier alleen orders volgen en die van u is geannuleerd.
Ja maar, dat is toch niet mijn fout.
Ik heb geen idee, meneer.
Nou, annuleert u de aanvraag maar.
Dat kan ik niet, dan moet u bij de helpdesk zijn, die kunnen het annuleren,

Ik wilde graag mijn aanvraag voor een abonnement internet plus bellen annuleren.
Mag ik uw postcode en huisnummer?
2031 BG, 3
Daar kan ik niks op vinden. Hebt u een ordernummer?
874502986
Mag ik u vragen waarom u uw aanvraag wil annuleren?
Omdat ik al anderhalve maand bezig ben een abonnement te krijgen en dat maar niet lukt en ik helemaal gek wordt van jullie.
Wilt u een klacht indienen?
JA
Dat moet dan schriftelijk. Ik zal u het adres geven.
En gebeurt daar dan wat mee?
Ik heb geen idee, meneer.
Laat maar, annuleert u mijn aanvraag nou maar, dan ben ik van jullie af.
Wat was ook al weer uw postcode en huisnummer?

6/10/2008

Alleen eten

Afgelopen vrijdag samen met Alberto het lied ‘Alles scheef’ gezongen bij de opening van de tentoonstelling over mensenrechten en de Olympische Spelen georganiseerd door Amnesty International in Kamp Vught.
Door een lange file op de A2 bijna te laat om te soundchecken wat achteraf helemaal niet nodig bleek, omdat 1 minuut voor aanvang de geluidsinstallatie het begaf, zodat we alles akoestisch moesten doen.
Staatssecretaris Bussemakers kwam ook te laat (zelfde file), maar was gelukkig nog net op tijd om de opening te verrichten. Er was veel belangstelling van media; veel foto en videocamera’s. Maar goed dat Theo Maassen er niet was.
Daarna door naar Eindhoven om een concert bij te wonen van collega/vriend Gerard van Maasakkers en voor het eerst sinds lange tijd at ik weer eens alleen in een restaurant. Een Chinees restaurant aan een markt, waar ik, toen ze doorhadden dat ik alleen was, doorgestuurd werd naar de tweede verdieping, terwijl er op de begane grond en op een hoog maar een paar mensen zaten. Kennelijk was dit de ‘kneusjes’ verdieping want eenmaal boven zag ik dat er nog twee eenzame mannen achter een biertje voor zich uit zaten te staren.
Het was een echte Chinees: systeemplafond met gouden naden; versleten, rode vloerbedekking; een schilderij van een waterval met lichtjes; een witte ventilator in de vensterbank en door de boxen klonk Chinese Rock and Roll.
Ik bestelde een kippensoep en een Tjap Tjoy en bedacht me dat ik een krantje had moeten kopen. Als je alleen in een restaurant zit moet je iets te lezen hebben. Helaas was er geen leesportefeuille zodat ik me uiteindelijk tevreden stelde met een Kijkshop foldertje.
Toen ik dat drie keer had gelezen en het terug legde op de bar zag ik dat in de hoek het dochtertje van de eigenaar aan een tafeltje was gaan zitten. Ze was een jaar of zes, had staartjes en zat heel stilletjes een kleurplaat te stiften.
Ineens werd ik overvallen door een gevoel van ontroering. Alhoewel sinds het verschijnen van de film ‘Het paard van Sinterklaas’ elk treurig Chinese restaurant ineens iets idyllisch heeft gekregen vond ik het aandoenlijk: zo’n klein meisje tussen een paar dof voor zich uit starende, oudere heren.
En dan was dit nog een rustige avond. Ongetwijfeld werd dit restaurant regelmatig bezocht door groepen 'jolige' werknemers op bedrijfsuitje. Ongetwijfeld bestelden hier elke dag wel iemand: ‘Vijf biel’ en natuurlijk misdroeg zich hier elke week wel een een groep studenten. Ik zag het voor me: een brallende student die met zijn handen in de bami zit en roept: ‘Hee Ping, het is niet te vreten’; haar vader die lacht als een boer met kiespijn en gelaten afwacht tot ze weggaan. En dat meisje in de hoek die alles ziet.
Ik vroeg me nog even af of het nou ontroering om dat meisje was of zelfmedelijden, maar veel tijd om erover na te denken had ik niet want de de soep en de Tjap Tjoy werden tegelijk opgediend. Ik zei er niets van. Het smaakte goed.

5/28/2008

Hangen

Vorige week een lezing gehouden voor studentenvereniging Virgiel in Delft. De man van de SSS (afkorting van ‘Schrijvers School Samenleving; bijna iedereen verstaat het verkeerd en vraagt: SS?) die bemiddelt tussen organisator en schrijver had me gewaarschuwd: ‘Onze ervaringen met studentenverenigingen zijn heel wisselend.’
Toen ik de brede houten trappen van de societeit opliep, de verschraalde bierlucht opsnoof en nog net op tijd een stap opzij kon doen omdat er een half ontklede, met kots besmeurde jongen door vier vrienden naar buiten werd gedragen, begreep ik wat hij bedoelde. Niet voor iedere schrijver de ideale plek voor een lezing.
Eenmaal in de grote zaal zag ik dat het gezang dat ik buiten al had gehoord, afkomstig was van een gezette jongen die zich afwisselend op de bar bevond danwel in de enorme kroonluchter die erboven hing. Hij schreeuwde telkens twee regels van een lied, waarvan ik de tekst, ook na de twintigste keer niet kon verstaan. Het was iets als: WAAHOE INZE HOL, VUIHOE ZE WIJVEVOL. In ieder geval maakte het weinig indruk op de overige tien aanwezigen, want die bleven een beetje verveeld op hun kruk aan de bar hangen. Af en toe riep er nog wel iemand: ‘Hou je kop, lul’, maar tot enige actie leidde dat niet. De enige activiteit van de aanwezigen bestond uit het bestellen en opdrinken van vaasjes bier, een bezigheid die met grote voortvarendheid werd verricht.
Ik dacht met weemoed terug aan mijn tijd bij het corps. Zo hing ik er twintig jaar geleden ook bij; altijd in de hoop dat het toch nog gezellig zou worden, wat op dit soort avonden eigenlijk nooit gebeurde. Maar dat wist je pas zeker als je om vier uur ’s nachts je bed in tolde. Je kon per slot van rekening nooit weten of en wanneer er nog iemand binnen kwam die ‘gezellig’ was.
Er werden bij ons ook lezingen georganiseerd en ik herinner mij ook dat ik er regelmatig heen ging maar eerlijk gezegd schiet mij geen enkele schrijversnaam te binnen.
Wel herinner ik mij dat Andre Hazes en Herman Brood kwamen optreden en natuurlijk Jerney Kaagman die een paar maanden daarvoor in de Playboy had gestaan. Een van de corpsleden had het lumineuze idee gehad om bij de uitgever de inmiddels verouderde exemplaren op te halen zodat toen Jerney het podium betrad vijfhonderd man de uitklapposter met haar naakte beeltenis omhoog hielden.
‘He jongens, doe die poster nou eens weg’, probeerde Jerney na elk liedje, maar hoe vaker ze het vroeg des te fanatieker joelden wij HOERRR en BROEK UITTT. Het was een historische avond waarover wij weer maanden konden napraten tijdens het hangen.
Mijn lezing verliep in redelijke rust omdat de bar tijdens mijn optreden dicht ging wat de gezette jongen onverrichter zaken naar huis deed vertrekken.
Na afloop vroeg Merel, het meisje dat de avond organiseerde of ik nog even bleef hangen.
Ik keek op mijn horloge.
‘Nee’, zei ik, ‘de oppas moet naar huis.’

5/20/2008

Werk

Ik heb een kantoor gehuurd in de stad. Mijn zoontje heeft ‘mijn’ kamer in huis ingenomen en ik wilde toch al lang buitenshuis gaan werken.
Kantoor is een groot woord: het is een kamer van vier bij vier meter, maar het bevindt zich in een gebouw waarin een aantal bedrijfjes zit: een uitgever, een grafisch ontwerper, een makelaar en een bedrijfje waar ik nog nooit iemand naar binnen heb zien gaan, maar waar wel een stapel blauwe enveloppen voor de deur ligt. Ik neem aan dat het een verband houdt met het ander.
Het is een mooi, honderd jaar oud gebouwtje, dat alleen een beetje verknald is door de kunststof kozijnen met zonwerend glas die er een paar jaar geleden zijn ingezet.
Mijn vader zei wel eens dat hij op zijn werk geen idee had wat voor weer het was omdat de ramen, die niet open konden in verband met de airco, zo sterk zonwerend waren dat de buitenwereld een soort foto met enkel grijstinten werd. Gelukkig kunnen mijn ramen nog wel open.
Ik heb een fantastisch uitzicht. In de verte zie je de koepelgevangenis, dan de brug over het Spaarne; de oude Droste fabriek die verbouwd wordt tot (yuppen)appartementencomplex en daarnaast de prachtige, trendy Figee bedrijfshallen, waarvoor je wel heel succesvol moet zijn om die te kunnen huren.
Tussen laatstgenoemde gebouwen is een kleine vaart waaraan een scheepssloper zit. Een mooi contrast: die oude wrakken en roestige kranen tussen de snelle Audi’s en Volvo’s. Als het dorpje van Asterix en Obelix dat nog moedig stand houdt.
Ik ben begonnen aan een nieuw leven. Gewend om, nadat ik de kinderen naar school had gebracht, slechts vijftien treden naar de eerste verdieping te nemen, stap ik nu in de auto en rij naar ‘mijn werk’.
Het is mijn kinderen ook opgevallen.
‘Moet je nou al weer werken?’, vroeg mijn zoon de derde dag al.
Ik vroeg hem wat hij dacht dat ik de afgelopen jaren op ‘zijn’ kamer had zitten doen.
‘Niks’, zei hij.
Dus ook educatief gezien een juiste beslissing. Een vader gaat naar zijn werk.
Mijn nieuwe leven speelt zich af tussen mensen die om half negen op kantoor zijn; die om half elf koffiepauze houden en buiten sigaretjes roken. Tussen mensen die om half een gaan lunchen en om vijf uur met hun jas onder de arm naar de parkeerplaats lopen. Ik kijk ernaar en voel me een beetje als een boerenzoon van veertig die nog steeds bij zijn ouders op de boerderij woont en voor het eerst in zijn leven in de grote stad komt. Dus dit doen al die mensen daar de hele dag...
Het leukste van werken vind ik het ritje van mijn werk naar huis. Niet omdat het klaar is -ik werk graag- , maar omdat het een soort luchtledige is tussen het een en het ander. ‘Vroeger’ stopte ik eigenlijk nooit met werken. Elke vrije minuut kroop ik boven achter de computer om nog even iets te af te maken. Nu stap ik in de auto en is het werk klaar. Tijdens het ritje naar huis overdenk ik de dingen en bereid ik mij voor op het drukke gezinsleven. De vijftien minuten in de auto vormen een weldadige rust tussen twee uitersten; de stilte tussen het Andante en het Allegro. Zelfs de file van gisteren kon mijn goede humeur niet bederven. Eindelijk heb ik het gevoel dat ik werk.

4/24/2008

As you like it

Gisteren voor het eerst sinds lange tijd weer eens naar toneel geweest: ‘As you like it’ (Shakespeare) door het Nationaal Toneel.
Alhoewel ik het stuk jaren geleden al eens gezien had in het Amsterdamse bos kon ik mij er niets meer van herinneren.
Het is ook niet zo’n goed stuk. Meer een klucht eigenlijk waarin een jongen en een meisje verliefd worden op elkaar, maar zij moet vluchten uit het hof. Ze verkleedt zich als jongen; zij komen elkaar weer tegen in het bos en hij wordt verliefd op ‘hem’.
Toen ik de zaal binnenkwam stonden de acteurs achter het deels opgetrokken brandscherm: je zag alleen hun benen en buik. Ze bewogen zich met een soort danspasjes van rechts naar links over het podium en weer terug. Het zaallicht ging uit en Orlando (de jongen die verliefd wordt) kroop onder het scherm door en begon te vertellen. Nou, het was meer schreeuwen. Ouderwets acteerwerk: gedragen, hard en onnatuurlijk. Ik maakte me al na twee minuten zorgen of zijn stem het wel de hele avond vol zou houden.
Hij begon te vertellen over zijn achtergrond en al na vier minuten rolden hij en zijn broer (die ook onder het scherm door was gekropen) vechtend over het podium. Het was duidelijk dat ze heel boos waren op elkaar, ik had alleen geen idee waarom.
Weer vier minuten later was Orlando opnieuw betrokken bij een vechtpartij, dit keer met een man van wie ik nog steeds niet weet wat hij kwam doen noch waarom hij een slangenpak aan had.
Ondertussen bleef de rest van de cast achter het scherm maar over het podium heen en weer schuifelen en begon ik me bezorgd af te vragen of dit de hele avond zo door zou gaan. Het leidde namelijk enorm af van de tekst die toch al zo lastig te volgen was door de verschillende namen van personages die een rol speelden in het stuk. Ik ben slecht in het onthouden van namen.
Na een half uur werd het brandscherm eindelijk opgetrokken en zagen wij het hele toneelbeeld: drie enorme, hangende uien (of waren het condooms?); een paar autobanden en een stel opgezette kippen.
Het zag er mooi uit, maar omdat het hier om gesubsidieerd toneel ging vroeg ik me wel af: waarom? Je kan er namelijk donder op zeggen dat over alles vergaderd is. Alles is een keuze.
Waren de autobanden een verwijzing naar de huidige tijd? Stonden die grote hangende zakken voor de seksuele drift? Waarom liepen ze halverwege het stuk ineens leeg? Waarom kwamen er ineens levende kippen het podium op? Waarom droeg de ene acteur een levende kip in zijn armen en de ander een opgezette?
Ik kwam er niet uit.
Ondertussen ging het stuk in vliegende vaart door. Er werd veel gerend en geschreeuwd en plotseling juist weer heel gedempt gesproken. Er kwam een orgel aan twee kabels naar beneden; twee heren droegen een dode eland op; de hofnar neukte een als vrouw verkleedde man; plotseling danste het hele ensemble over het podium en zong ‘Wij hebben toverdrank, wij hebben toverdrank’ en aan het eind van het stuk trok een aantal acteurs hun kleren uit om vervolgens de liefde met elkaar te bedrijven, hetgeen mijn vermoeden bevestigde dat de regie in handen was van Gerard Jan Reinders.
Lichtelijk in verwarring verliet ik de zaal. Welke lading had ik gemist? Waar ging het over? Was het juist de bedoeling dat er zo theatraal geacteerd werd?
Even later stond ik naast Gerard Jan aan de bar. Ik wilde het hem net vragen, maar iemand was me voor. ‘Meneer Reinders’, zei hij, ‘ik vond het een mooie voorstelling, maar ik begreep het niet.’
‘Dat hoeft ook niet’, antwoordde GJ.
Zo is het maar net.

4/18/2008

Recensie

Vorige week kreeg ik van mijn uitgever een boek opgestuurd van een onbekende Engelse auteur met de vraag of ik het wilde lezen en een zogenaamd leesverslag wilde maken. Ze wilde namelijk weten of ze het in de fondslijst moest opnemen.
Omdat ik momenteel ‘in between books’ zit en ik dolgraag wat om handen heb, begon ik vol goede moed aan het driehonderdzeventig bladzijdes tellende verhaal over een jonge schrijver die de memoires van een stokoude man in handen krijgt. Me bewust van mijn belangrijke taak stortte ik mij op het levensverhaal van deze man die als kind werkte in de ganzenplukfabriek van zijn vader en Russich leerde door een vriendje om te kopen die hem op zijn beurt voorzag van uitgescheurde delen van boeken van grote Russische schrijvers.
Maar ik vond het niet zo goed: te ingewikkeld geschreven; te vaak onbedoeld niet grappig. Ik raakte ook steeds de draad kwijt en moest voortdurend terug bladeren om na te zoeken wie wie ook alweer was. Na verloop van tijd begon ik me zelfs te ergeren aan de semi-intellectuele wijsheidjes die de schrijver steeds naar voren bracht. Na honderd bladzijdes vond ik het genoeg. Ik belde mijn uitgever en zei dat ik de opdracht terug gaf. ‘Hoeveel bladzijdes heb je dan gelezen?’ vroeg ze. ‘Honderd’, zei ik. ‘Oh, dat is genoeg’, antwoordde ze, ‘maak dat leesverslag maar gewoon.’
Opgelucht zette ik me aan mijn computer en schreef dat het meer op een stijloefening van een of andere amateurschrijversschool vond lijken dan op een goed boek. Daarbij, schreef ik, was de structuur gewoon een copie van een boek dat ik al kende en ontbrak het mijns inziens aan noodzaak. ‘Ik adviseer dan ook het niet uit te geven’ besloot ik mijn verslag.
Mooi. Dat was dat.
Maar een dag later sloeg de twijfel toe.
Had ik niet te hard geoordeeld? Had ik het boek eigenlijk wel begrepen? Mijn Engels is niet zo heel goed, moet ik toegeven. Misschien ontging de humor me gewoon vanwege de taalbarriere. Wellicht had ik er niet genoeg mijn best voor gedaan. Daarbij zat ik al dagen met een zeurende hoofdpijn ten gevolge van een verkoudheid die maar niet over wilde gaan; misschien was dat wel de oorzaak van mijn irritatie. Misschien dat als ik in betere conditie was geweest ik het wel goed gevonden had. Hoe kan je uberhaupt een boek beoordelen als je minder dan eenderde leest?
Ineens moest ik denken aan mijn eigen (tweede) boek dat dit najaar uitkomt. Zouden de recensenten wel genoeg moeite doen om zich er in te verdiepen? Zouden ze het wel helemaal uitlezen? Zouden ze wel gezond zijn?
Over mijn eerste boek stonden in een recensie in het Parool zoveel feitelijke onjuistheden dat het niet anders kon dan dat de recensente het boek maar half of in ieder geval met een half oog gelezen had. Woedend was ik geweest.
En nu deed ik hetzelfde. Jaren werk in een A-viertje afgeserveerd.
In zekere zin een troostende gedacht: een recensie zegt meer over de recensent dan over de schrijver. Oftewel: de beperking van een recensie zit hem in de omstandigheden waarin de recensent zich bevindt. Anders gezegd: je moet als schrijver maar hopen dat 'jouw' recensent gezond is, dat zijn vriendin hem niet net in de steek heeft gelaten en dat hij zijn rekeningen kan betalen. Anders hang je.

4/04/2008

Vught

Vandaag was ik even terug in mijn geboortedorp.
Ik had een afspraak met iemand van het Nationaal Monument Kamp Vught in verband met een expositie waarvoor ze me gevraagd hebben een lied te schrijven.
Ik reed binnen over de N 65, een weg die dertig jaar geleden al te klein was voor het verkeer dat er overheen moet, langs de enige flat, onder het viaduct door langs het talencentrum Regina Celi dat door nonnen werd gesticht en waar nu expats voor heel veel geld een nieuwe taal leren. Langs mijn oude school, voorbij de stoplichten waar ik met mijn vrienden Bart en Tom stond te liften om na twee uur wachten te worden meegenomen door Bart’s vader omdat hij het zo zielig voor ons vond. Bij Restaurant de Vier Kolommen sloeg ik rechts af en reed langs ‘de ijzeren man’, een grote plas waar ik vaak naartoe ging en flirtte met meisjes die ik toch niet krijgen kon, richting het voormalig concentratiekamp.
Het viel me op dat alles kleiner was dan ik dacht: de huizen, de straten, het water. Zelfs de witte villa met de torens, met de exotische naam ‘Solskin’, was bij lange na niet zo indrukwekkend als in mijn herinnering. Werkt herinnering tegengesteld aan reizen met een trein: hoe verder weg je bent, hoe groter het wordt?
In mijn tijd was er nog geen monument. In de barakken van het voormalig concentratiekamp woonden Molukkers en wij, blanke jongens uit het villapark, durfden er geen stap te zetten. Ik reed over de Lunettenweg door het bos, langs de voormalige verblijven van de kampcommandanten die in gebruik zijn als kazerne, langs de gemoderniseerde barakken waar nog steeds Molukkers wonen en langs de hoge betonnen omheining met prikkeldraad van de Extra Beveiligde Inrichting, binnen welke muren zich de gevangenis van het voormalig concentratiekamp bevindt. Alles wordt dankbaar herbruikt.
Aan het eind van de weg lag het moderne, strakke gebouw waarin het Nationaal monument huist, vlakbij de fussiladeplaats met het immense kruis, dat toch niet zo immens bleek te zijn.
Ik kreeg een rondleiding en zag foto’s van een stoet mensen die van het station naar het kamp liep; langs het nonnenklooster, langs Solskin, langs de ijzeren man waar ik ongelukkig van liefdesverdriet, mij niet bewust was van wat zich op nog geen halve kilometer daar vandaan had afgespeeld.
Zo gaat dat met de tijd: de jaren vallen er over heen en ontnemen je het zicht. Alles wordt weer gewoon. Alsof er niets is gebeurd.
Het is goed dat er monumenten zijn.

3/26/2008

De W-film

In 1988 verscheen Scorsese’s film, ‘The last temptation of Christ’.
De film toont Christus als een normaal mens die bloot staat aan allerlei soorten van verleiding. Hij twijfelt, hij is angstig, gedeprimeerd en hij kent lustgevoelens. Er zit zelfs een scene in waarbij Jesus en Maria de liefde bedrijven.
Streng christelijke leiders, vooral in de Verenigde Staten, kraakten de film nog voor hij uit was. Vooral de scene waarin Jesus van het kruis stapt omdat een engel hem zegt dat hij niet de Messias is, waarna hij een gewoon leven begint, trouwt en kinderen krijgt, zorgde voor een reeks hel en verdoemenis-preken in orthodoxe kerken.
Een Franse, katholiek fundamentalistische groep gooide als protest molotov-cocktails in een Parijse bioscoop waardoor dertien mensen gewond raakten.
Ook zij hadden de film niet gezien.
In een aantal landen was de film jarenlang verboden. Daar kon dus niemand de film zien.
In datzelfde jaar verscheen ‘The satanic Verses’ van Salman Rushdie. De protesten van orthodox islamitische leiders – waarvan de meesten het boek niet gelezen hadden - waren zo mogelijk nog feller dan die van hun Christelijke collega’s; Khomeini vaardigde een decreet uit om Rushdie te vermoorden.
In een poging de onrust te sussen suggereerde premier Lubbers dat de vertaling van het boek – dat hij nog niet gelezen had - wellicht verboden zou kunnen worden als er sprake zou zijn van ‘smalende godslastering’.
Minister van staat Van den Broek toont zich een bekwaam leerling van hem door vandaag in de Volkskrant voor te stellen de W-film door de rechter te laten verbieden. Hij heeft hem ook nog niet gezien.
Misschien is het interessant om te kijken hoe het Rushdie’s boek en Scorseses film is vergaan. De duivelsverzen is in Nederland aan de dertiende druk toe, Rushdie leeft en ‘The last temptation of Christ’ wordt inmiddels door vrijwel alle orthodox christelijke groeperingen geaccepteerd als interessante kijk op het leven van Christus.

3/14/2008

Graf

Bedacht me vandaag dat ik het graf van mijn grootvader, de geoloog J.H.F. Umbgove, nog nooit bezocht had. Zoals de trouwe lezers van mijn blog inmiddels weten werk ik aan een roman die voor een deel over zijn leven gaat.
Ik belde mijn vader om te vragen waar het was – als het uberhaupt nog bestond – en hij vertelde me dat het op de begraafplaats bij de protestante kerk in Wassenaar lag.
Dus reed ik vandaag de prachtige route via Bennebroek, Noordwijkerhout en Katwijk naar het oude dorpje van Wassenaar.
Toen ik er aan kwam zag ik dat er een lijkwagen en twee volgauto’s voor het kerkje stonden. Door de ramen van de kerk klonk orgelmuziek.
Ik zocht op de plattegrond het nummer van het graf dat mijn vader mij had opgegeven en liep over het grindpad langs het achterschip van de kerk naar de begraafplaats.
Op het pad stond een auto. Ik liep er langs en zag dat er een liturgie van de dienst op de bestuurdersstoel lag met daarop een foto van de overledene. Zo te zien was hij niet veel ouder dan zestig.
Na enig zoeken vond ik het graf: een grote, liggende, verweerde steen waarop nauwelijks leesbaar zijn naam en die van zijn moeder. Een mooi, eenvoudig graf op een begraafplaats zoals alle begraafplaatsen zouden moeten zijn: rustig, in het centrum van het dorp, omringd door oude huizen en bomen. Niet ergens achteraf, maar juist middenin het leven dat doorgaat.
Toen ik terug liep bleek de dienst net afgelopen te zijn. De meeste bezoekers bleven buiten bij de ingang wachten tot de kist de kerk uit zou worden gedragen. Omdat ik het kerkje nog even van binnen wilde zien bleef ik op enige afstand staan.
De kerkgangers waren allemaal in het zwart; de mannen droegen een pak; de vrouwen een zwarte rok. Aan de mensen te zien kwam de overledene uit een goed milieu kwam, wat niet zo verwonderlijk is in Wassenaar.
Omdat het nogal lang duurde voor de kist naar buiten kwam drentelde ik wat heen en weer en ineens voelde ik me zo iemand die voor zijn lol begrafenissen van wildvreemden bijwoont. Iemand die verdriet leent.
Een beetje ongemakkelijk wachtte ik tot de kist uiteindelijk naar buiten kwam en iedereen erachter aan de begraafplaats op liep.
Ik ging het kerkje binnen, waar het warm was. Er klonk een mooie Bach cantate, de dominee deed zijn microfoontje af en nam een slok water; de kosteres haalde de bloemen weg. De zon scheen door de ramen, buiten rook het naar voorjaar: ik had geen beter moment kunnen kiezen.

3/05/2008

Klooster

Las een interview met schrijfster Karen Armstrong in ‘Hollands Diep’.
Op haar zeventiende vertrok ze vanuit London naar het klooster om non te worden, waar ze zeven jaar bleef tot ze teleurgesteld door de rigide levensopvatting weer vertrok en na veel onzwervingen uiteindelijk een zeer succesvol schrijfster werd.
Ik begrijp de aantrekkingskracht van het kloosterleven wel, alhoewel de romantiek bedrieglijk is. Het is net als mensen die zich rond hun veertigste afvragen of dit alles is, hun baan opzeggen, een mooi landhuis kopen in Zuid Frankrijk en een ‘Bed and breakfast’ beginnen: het lijkt romantisch maar de werkelijkheid is dat je lakens staat te verschonen en na drie jaar nog steeds als een buitenaards wezen wordt behandeld door de plaatselijke bevolking.
Ik romantiseerde het klooster ook, al heb ik nooit overwogen in te treden.
In de vakantie na mijn eindexamen ging ik een week naar Taize: een oecomenisch klooster in Frankrijk, waar duizenden jongeren vanuit de hele wereld naartoe komen. Ik weet niet meer precies waarom ik er op dat moment heen ging. In ieder geval niet om religieuze redenen. Het was meer de saamhorigheid die me aantrok. Iedereen hield vreselijk veel rekening met de ander en deed ontzettend zijn best om lief te zijn voor elkaar. In mijn herinnering was iedereen het ook steeds roerend met elkaar eens.
Overigens kwam ik er snel achter dat die saamhorigheid bij sommigen vooral buitenkant was, want toen ik op een avond mijn bord wegzette waarop nog wat vlees lag (omdat er echt niet door te komen was: idealisten praten goed, maar koken slecht) werd ik direct door een paar harige wereldverbeteraars ten overstaan van iedereen aan de schandpaal genageld. ‘You see what you do? You put meat away!!’, riepen ze op hoge, hysterische toon, ‘how can you do that? There are people starving from hunger’. Met een rood hoofd nam ik mijn bord terug en begon opnieuw te kauwen op het stuk ondoordringbaar taai varken.
Twee jaar later, in mijn studententijd, ging ik samen met een vriend naar het Benedictijnenklooster in Chevetogne. Wij waren de enige gasten tussen een handjevol monniken waarvan de gemiddelde leeftijd rond de zeventig moet zijn geweest: een uitstervend ras. Aandoenlijk om te zien: twintig, stokoude monniken in een klooster met veel te veel kamers.
De onvolprezen singer/songwriter James Taylor heeft eens gezegd: kinderen en creativiteit hebben regelmaat en discipline nodig. In het klooster kan je je als een kind laten meevoeren: je staat op, bidt, eet, bidt, wandelt, eet, etc. Je hoeft nergens over na te denken, alleen maar te volgen, wat heel prettig is als je het even niet meer weet.
Je dompelt je onder, doet je ogen dicht en laat je meevoeren met de stroom tot je adem op is en je weer naar boven moet. Alhoewel ik zeker weet dat ik het er nooit langer dan een maand zou uithouden, blijf ik er af en toe naar verlangen. Bijvoorbeeld als ik zo’n interview lees.

2/15/2008

Leeg

Mijn boek is bijna af. Al weet je het nooit. Vorige keer dacht ik het ook tot ik het manuscript liet lezen aan twee vrienden die zoveel aan te merken hadden op ‘de kleinzoon’ dat ik nog maanden bezig was met herschrijven.
Maar ook al zou ik nog wat dingen moeten veranderen, dan nog kan ik er niet omheen dat het een aflopende zaak is. Ik moet zeggen dat ik er tegenop zie.
Het afgelopen jaar liep ik , terwijl op de radio’s de files werden voorgelezen, de vijftien treden van onze trap omhoog om naar ‘mijn werk’ te gaan. Ik ging zitten aan mijn schrijftafel en opende het document ‘DHVDA boek 5a’ (afhankelijk van de versie waarmee ik bezig was) en begon met schrijven. Soms ging het goed, soms wat minder, maar altijd had ik een doel om naar te streven: minstens een A-viertje schrijven.
Dat doel valt binnenkort weg. Goed, ik heb nog gesprekken met mijn redacteur en er zal nog het nodige geredigeerd worden. En daarna komt nog de correctiefase en moet ik me nog bemoeien met de lay-out en het publiciteitsplan, maar dat zijn geen taken waarmee ik mijn dagen kan vullen. Er doemt een enorme leegt op in de verte; ik zie de contouren al.
Het fijne van schrijven is dat je enorm ‘open’ bent. Alles staat in dienst van het boek. Bij elke verhaal dat ik hoor; bij alles wat ik op TV zie; bij ieder gesprekje op straat, denk ik: kan ik het gebruiken? Als je schrijft loopt de camera permanent mee en dat is een prettig gevoel. Al leef je als je schrijft vanaf de zijlijn, je hoort en ziet alles.
Ik spreek ook de hele dag (en nacht) ideeen of opmerkingen in. Bijvoorbeeld: ‘Er moet meer wanhoop zitten in het meisje als ze de prof niet meer ziet’. Of, na het zien van een uitzending van Netwerk over Jan Siebelink: ‘Hij moet meer verscheurd worden door de liefde voor zijn gezin en zijn werk.’
Als ik eenmaal stop met schrijven sluit het zich weer. Je gevoeligheid neemt af en je wordt weer ‘normaal’. Helaas.
Wat ik hierna ga doen weet ik nog niet. Ik kan pas met een nieuw boek beginnen als ik los ben van het oude en dat zal zeker tot het najaar duren, want pas dan komt het uit.
Ik zou aan een nieuwe CD kunnen werken, maar mijn kompaan met wie ik muziek schrijf is tot de herfst bezig met andere projecten.
Ik moet in ieder geval mijn sociale leven weer oppakken, want de afgelopen anderhalf jaar heb ik als een holbewoner geleefd en buiten mijn kinderen en vriendin vrijwel niemand gezien.
En er zijn nog een heleboel klusjes te doen aan het huis. Binnenkort maar eens beginnen met de muren van de badkamer.

2/05/2008

Het marktplein van Peter R. de Vries

Ik weet niet met wie ik liever op een onbewoond eiland zou zitten: met een pathologische leugenaar die zich aangetrokken voelt tot foute types, drugs en vrouwen of met iemand die meerdere keren is opgepakt voor geweldsdelicten en die nu zijn ‘vriend’ erbij lapt om daarna glimmend van trots op TV te beweren dat hij het als zijn plicht zag ‘tegenover Aruba en Nederland en Beth’ (de moeder van Holloway).
De uitzending van Peter R. De Vries van afgelopen zondag was het ranzige hoogtepunt van commerciele televisie in Nederland: de dagenlange, ronkende aankondigingen; de eindeloze reclameblokken; de grote, druipende woorden, de domme verontwaardiging. Met als resultaat zeven miljoen Nederlanders met chips en cola op de bank.
Het moet gezegd: de Vries heeft de moderne, Nederlandse equivalent gevonden van de ‘good old’ openbare terechtstelling op het marktplein zoals we die in landen als Iran en Zimbabwe kennen.
En het werkt want gisteravond stonden in een Fries plaatsje honderd mensen klaar om Joran, die zich in een appartement aldaar schuil zou houden, te lynchen.
Het is dezelfde domme, selectieve, pathetische en gevaarlijke morele verontwaardiging als die Patrick van der E. tentoon spreidt als hij zegt dat hij het als zijn plicht voelt om Joran te pakken.
De Vries, en al zijn camera en geluidsmannetjes en redacteurtjes en alle mannetjes bij SBS die glijend op hun stoel zijn gaan rondbellen om extra reclames te verkopen voor de uitzending van afgelopen zondag zijn verantwoordelijk, want het gaat daar echt helemaal niemand om plichts- of rechtsgevoel; het gaat gewoon om geld, spanning en roem.
Wanneer heeft een van deze mannetjes zich trouwens voor het laatst opgewonden over de gruwelijkheden in Darfur? Misschien een idee om daar eens een paar camera’s in een kameel van de Janjaweed te bouwen en er dan met knuppels op af te gaan.

1/28/2008

Hondenbelasting

Vanochtend werd er aangebeld. Ik zat boven te werken en was verbaasd. Op dit tijdstip belt normaal gesproken alleen de TNT koerier aan die met zijn bus veel te hard naar mijn zin het terrein op scheurt. We wonen hier met tien gezinnen op een soort hofje –een oud fabrieksterrein- en er is elke dag wel iemand die via internet een jas of een boek besteld heeft. Maar ik had zijn bestelbus niet gehoord.
Het bleek iemand van de hondenbelasting te zijn.
Het was een klein, vriendelijk ogend mannetje: vale regenjas, te groot montuur, haren overdwars gekamd. Hij had een zakcomputertje bij zich en tikte erop met een pen. Hij zag er heel ongevaarlijk uit.
‘Hebt u een hond?’ vroeg hij.
‘Nee’, zei ik.
Terwijl ik het zei schoot door mijn hoofd: zou hij het geloven? Het is hetzelfde gevoel dat ik heb als ik een winkel uitloop zonder iets gekocht te hebben. Ik ben altijd bang dat het alarm toch afgaat.
Ik bedacht me dat hondenbelastinginspecteurs vast geschoold zijn in het doorzien van leugens. Hij kon vast aan iemands lichaamstaal zien of hij loog. Hoe was het ook al weer? Als je aan je neus zit terwijl je iets zegt, lieg je.
Ik had niet aan mijn neus gezeten.
Ik wilde de deur alweer dicht doen toen hij vroeg:
‘Heeft een van de buren een hond?’
Doortrapte vraag.
Ik wist dat ze op nummer 1 twee hondjes hebben, maar niet of ze daar belasting voor betaalden.
Wat moest ik doen? Zei ik ja, dan gaf ik ze misschien aan. Ontkende ik dan loog ik en dat zou hij doorhebben.
Ineens moest ik aan de oorlog denken. Zo gaat dat dus: kleine, miezerige mannetjes in regenjassen bellen aan en vragen of je bij de buren wel eens iets vreemds gezien hebt. Verdachte geluiden? Gestommel? Mensen die midden in de nacht aanbellen? Onderduikers?
‘Nee’, zei ik tegen de man, terwijl ik aan mijn neus zat.
Hij keek me aan, toetste iets in en groette vriendelijk.

1/21/2008

Oliver

Vorige vergastte TV-kok Jamie Oliver in een uitzending tien kuikens ten overstaan van zijn publiek. Normaal gesproken hou ik niet zo van dit soort confrontaties, maar dit vond ik geweldig.
Voor diegenen die het niet gezien hebben: het publiek in de studio zit aan grote ronde tafels. Er is mooi gedekt, de mensen zijn in avondkleding en op de tafels staan schalen waar levende kuikentjes in blijken te zitten. Oliver legt uit dat de mannetjes te onderscheiden zijn door hun vale kleur. Hij vraagt het publiek de mannetjes eruit te halen en in een glazen pot te doen en deze naar voren te brengen. Tot zover lijkt er niets aan de hand.
Dan legt Oliver uit dat in de bio-industrie de mannetjes nutteloos zijn en hij vraagt aan een kenner wat er met deze diertjes gebeurt. Onderwijl trekt hij het doek van een grote glazen kubus voorzien van een aantal slangen en stopt de dieren daarin. De man legt uit dat deze dieren vergast worden met koolmonoxide. Ontsteltenis op de gezichten van de aanwezigen. ‘Marc, can we start the process please’, zegt Oliver en vervolgens worden de dieren vergast.
Ik weet niet waarom ik het zo goed vond. Ik denk omdat hij het zo ‘naturel’ deed (vervelend toneelacademie woord, maar ik weet geen beter). Als dit in Nederland op TV was zou het heel pathetisch, vet aangezet worden met violen en vertraagde beelden van blije kuikentjes en een huilende presentator of juist heel cynisch en afstandelijk. En in ieder geval belerend. Oliver bleef sober en informatief. Dat is altijd sterker.
Vlak bij het huis in Brabant waar wij regelmatig komen staat een enorme ‘vleeskuiken’ boerderij. Het bestaat uit zes stallen met in elke stal 20.000 kuikens/kippen. In het kader van de openheid is in een stal de mogelijkheid om door een ruitje naar binnen te kijken. Ik ga er af en toe met de kinderen naartoe. Als je vroeg in de cyclus van het produktieproces komt zie je 20.000 schattige kuikentjes zitten. Ze hebben de ruimte, op de vloer ligt zaagsel; eten valt automatisch in grote bakken en water is beschikbaar via buizen. Kom je vijf weken later dan zie je dikke, witte kippen die zich nauwelijks kunnen bewegen op een vloer met stront zitten. Ze hebben dan nog precies een week te leven, want na zes weken worden ze geslacht. Niet veel later liggen ze in de supermarkt.
Ik neem die boer niks kwalijk. Hij verdient vierenhalve cent per kip, dat betekent dat hij per zeven weken (een week is nodig om de stallen te reinigen en in orde te brengen voor de volgende lichting) ongeveer vijfenhalf duizend euro omzet heeft. Daar moeten dus nog alle kosten vanaf.
We moeten gewoon meer betalen voor kippen en eieren.

1/14/2008

Waits

Zit al dagen in mijn hoofd met dat liedje ‘All the world is green’ van Tom Waits. Het wordt namelijk gebruikt in de mooie film ‘Butterfly and the diving bell’ over een man die na een hersenbloeding alleen nog zijn linkeroog kan bewegen.
Van mooie films onthoud ik altijd een of twee momenten. Zoals van ‘Magnolia’ als het ineens kikkers begint te regenen. Of zoals van bovengenoemde film als hij in zijn rolstoel met zijn ex-vrouw en hun kinderen op het strand staat. Het beeld past prachtig bij Waits of andersom: de schoonheid van het strand en daarnaast de tragiek van de rolstoel.
Ik hoopte het fragment op youtube te vinden, maar het stond er niet op. Ik kijk de laatste tijd steeds vaker mooie oude fragmenten op Youtube in plaats van gewone TV omdat ik de hoeveelheid licht verteerbare, pathetische en/of inhoudsloze programma’s van zelfingenomen (semi) bekende/onbekende Nederlanders op TV niet meer aankan. Je moet na een avond Nederlandse TV echt douchen om de ranzigheid weg te spoelen.
Van Waits staan een heleboel prachtige nummers uit liveshows en videoclips op youtube. Evenals een aantal interviews met David Letterman. Eerlijk gezegd was ik nogal verbaasd om hem daar aan te treffen, want de ‘Late night show’ is niet het decor dat ik bij Waits vind passen. Zeker omdat je weet dat de vragen en antwoorden van te voren tot in detail worden doorgenomen. In feite is het het soort televisie dat ik zo verschrikkelijk vind.
Tot ik me realiseerde dat Waits gewoon een hele goeie entertainer is. Een soort Frank Sinatra, maar dan tegenovergesteld: de doorrookte, aan alcohol verslaafde maar vriendelijk en humoristische loser. Het is gewoon een imago, want Waits woont bij mijn weten al twintig jaar met zijn vrouw en drie kinderen op een boerderij, drinkt niet en werkt hard.
Het maakt niet uit want bijna al zijn teksten prachtig: ‘You’re east of east St. Louis/and the wind is making speeches/and the rain sounds like a round of applause’ (Time) of: ‘I fell into the ocean/when you became my wife/made it all against the sea/to have a better life (All the world is green). Het is altijd beeldend, altijd weemoedig en door zijn rauwe stemgeluid wordt het nooit pathetisch.
Ik vond drieendertig Waits fragmenten op internet. Dat is ongeveer hondervijftig minuten. Op dezelfde avond wordt op de tien Nederlandse zenders samen drieduizend minuten TV aangeboden.

1/08/2008

Zembla's baard

Zelden zo’n slechte uitzending van Zembla gezien als die van afgelopen zondag over de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama.
Ik heb hem de afgelopen weken gevolgd in de krant en op Youtube. In zijn campagne komen twee woorden komen steeds terug: ‘Verandering’ en ‘Verzoening’. Zelf een ‘zwarte’ Amerikaan (blanke moeder, zwarte vader) benadrukt hij voortdurend de kandidaat van alle Amerikanen te zijn. Geen Jesse Jackson dus, die in de jaren tachtig probeerde president te worden door te blijven hameren op het feit dat zwarte Amerikanen als tweederangs burgers werden behandeld.
Obama weet op een slimme, op het oog bescheiden lijkende manier over te komen. ‘Ik hoop dat jullie op mij gaan stemmen’, zegt hij in New Hampshire tegen drieduizend mensen die uren op hem hebben staan wachten, ‘maar als je dat niet doet, stem dan in ieder geval op iemand die voor verandering is.’
Tijdens een interview met in Good Morning America : ‘Je moet een soort van megalomie hebben om te denken dat je de president van Amerika moet worden. Maar je moet ook een zekere drempel over om te zeggen: dit is niet alleen ambitie, dit is iets groters.’ Of tijdens een verkiezingsspeech in Wyomi: ‘Als je weet wie je bent, waar je in gelooft , als je weet waar je voor vecht, dan kan je je veroorloven om naar je tegenstander te luisteren.’
Goed, hij blijft vaak hangen in grote woorden en algemeenheden. Maar toch. Het is een ander geluid dan ik tot nu toe tijdens presidentsverkiezingen hoorde. Ook al omdat Obama zich verzet tegen het cynisme en de verbittering van de machthebbers in Washington en zich niet bedient van lobbyisten en grote bedrijven om geld in te zamelen. En, tot nu toe valt hij zijn tegenstanders niet aan door ze te ‘bespugen’. Hij gedraagt zich netter dan ik gewend ben van presidentskandidaten.
Natuurlijk kan je je afvragen of zijn idealisme echt is of dat het gewoon een boodschap is die lekker verkoopt. En je kan je afvragen hoe hij reageert als hij aan de verliezende hand is –je kan mensen pas beoordelen als je ze in slechte omstandigheden meemaakt - Je kan je afvragen of het niet gauw gedaan is met dat idealisme als hij eenmaal in het Witte huis zit. Kan je uberhaupt integer zijn als je vindt dat je president van Amerika moet worden?
Maar toch, ik ben geneigd hem het voordeel van de twijfel te geven.
Dat deden de makers van Zembla afgelopen zondag duidelijk niet. De boodschap die wij als kijkers vijfenveertig minuten lang ingepeperd kregen was: Obama kan wel over verzoening en verandering praten, de werkelijkheid is dat Amerika een tot op het bot verdeeld land is. Ten bewijze daarvan werd een scala aan ‘gewone’ Amerikanen aan het woord gelaten die dingen zeiden waar de honden geen brood van lusten. Zembla was er dan ook speciaal voor naar ‘het meest racistische plaatsje van de VS’ (quote uit de reportage) ergens in South Carolina gereisd. Daar waar vorig jaar nog stroppen aan de bomen hingen omdat zwarte kindjes onder een boom hadden gespeeld waar normaal gesproken alleen blanke kindjes speelden. En inderdaad, daar waren wel een paar blanke mannen van middelbare leeftijd die wat rascistisch wilde zeggen.
Ook was Zembla te gast bij de Hell’s Angels, die over het algemeen voor de camera bereid zijn een paar bruikbare quotes te leveren, zoals dat de naam Obama erg lijkt op die van Osama en dat hij zich daarom als een gevaarlijke moslimfanaticus zal ontplooien. Als je maar lang genoeg zoekt vind je altijd wel een debiel die iets zegt wat van pas komt.
Ook de voormalige, verbitterde adviseur van Jesse Jackson deed een duit in het zakje door juist te stellen dat Obama een verrader was omdat hij niet meeliep in een of andere mars.
Joris Luyendijk maakt in zijn belangrijke boek ‘Het zijn net mensen’ duidelijk wat het probleem is van de ‘oude’ journalistieke benadering van hoor en wederhoor: als er negenennegentig mensen voor iets zijn en een tegen, zal de journalist twee mensen voor de camera halen: eentje die voor is en die ene die tegen is. Waardoor de indruk ontstaat dat er evenveel voor als tegenstanders zijn.
Bij Zembla maakten ze het afgelopen zondag nog veel gekker: honderdduizenden mensen in Wyomi steunden vorige week de boodschap van verzoening, maar Zembla zocht en vond een paar racisten en liet hun aan het woord.
De makers van deze uitzending hebben een hele lange baard. Tijd voor verandering, zou ik zeggen.