4/18/2008

Recensie

Vorige week kreeg ik van mijn uitgever een boek opgestuurd van een onbekende Engelse auteur met de vraag of ik het wilde lezen en een zogenaamd leesverslag wilde maken. Ze wilde namelijk weten of ze het in de fondslijst moest opnemen.
Omdat ik momenteel ‘in between books’ zit en ik dolgraag wat om handen heb, begon ik vol goede moed aan het driehonderdzeventig bladzijdes tellende verhaal over een jonge schrijver die de memoires van een stokoude man in handen krijgt. Me bewust van mijn belangrijke taak stortte ik mij op het levensverhaal van deze man die als kind werkte in de ganzenplukfabriek van zijn vader en Russich leerde door een vriendje om te kopen die hem op zijn beurt voorzag van uitgescheurde delen van boeken van grote Russische schrijvers.
Maar ik vond het niet zo goed: te ingewikkeld geschreven; te vaak onbedoeld niet grappig. Ik raakte ook steeds de draad kwijt en moest voortdurend terug bladeren om na te zoeken wie wie ook alweer was. Na verloop van tijd begon ik me zelfs te ergeren aan de semi-intellectuele wijsheidjes die de schrijver steeds naar voren bracht. Na honderd bladzijdes vond ik het genoeg. Ik belde mijn uitgever en zei dat ik de opdracht terug gaf. ‘Hoeveel bladzijdes heb je dan gelezen?’ vroeg ze. ‘Honderd’, zei ik. ‘Oh, dat is genoeg’, antwoordde ze, ‘maak dat leesverslag maar gewoon.’
Opgelucht zette ik me aan mijn computer en schreef dat het meer op een stijloefening van een of andere amateurschrijversschool vond lijken dan op een goed boek. Daarbij, schreef ik, was de structuur gewoon een copie van een boek dat ik al kende en ontbrak het mijns inziens aan noodzaak. ‘Ik adviseer dan ook het niet uit te geven’ besloot ik mijn verslag.
Mooi. Dat was dat.
Maar een dag later sloeg de twijfel toe.
Had ik niet te hard geoordeeld? Had ik het boek eigenlijk wel begrepen? Mijn Engels is niet zo heel goed, moet ik toegeven. Misschien ontging de humor me gewoon vanwege de taalbarriere. Wellicht had ik er niet genoeg mijn best voor gedaan. Daarbij zat ik al dagen met een zeurende hoofdpijn ten gevolge van een verkoudheid die maar niet over wilde gaan; misschien was dat wel de oorzaak van mijn irritatie. Misschien dat als ik in betere conditie was geweest ik het wel goed gevonden had. Hoe kan je uberhaupt een boek beoordelen als je minder dan eenderde leest?
Ineens moest ik denken aan mijn eigen (tweede) boek dat dit najaar uitkomt. Zouden de recensenten wel genoeg moeite doen om zich er in te verdiepen? Zouden ze het wel helemaal uitlezen? Zouden ze wel gezond zijn?
Over mijn eerste boek stonden in een recensie in het Parool zoveel feitelijke onjuistheden dat het niet anders kon dan dat de recensente het boek maar half of in ieder geval met een half oog gelezen had. Woedend was ik geweest.
En nu deed ik hetzelfde. Jaren werk in een A-viertje afgeserveerd.
In zekere zin een troostende gedacht: een recensie zegt meer over de recensent dan over de schrijver. Oftewel: de beperking van een recensie zit hem in de omstandigheden waarin de recensent zich bevindt. Anders gezegd: je moet als schrijver maar hopen dat 'jouw' recensent gezond is, dat zijn vriendin hem niet net in de steek heeft gelaten en dat hij zijn rekeningen kan betalen. Anders hang je.

4/04/2008

Vught

Vandaag was ik even terug in mijn geboortedorp.
Ik had een afspraak met iemand van het Nationaal Monument Kamp Vught in verband met een expositie waarvoor ze me gevraagd hebben een lied te schrijven.
Ik reed binnen over de N 65, een weg die dertig jaar geleden al te klein was voor het verkeer dat er overheen moet, langs de enige flat, onder het viaduct door langs het talencentrum Regina Celi dat door nonnen werd gesticht en waar nu expats voor heel veel geld een nieuwe taal leren. Langs mijn oude school, voorbij de stoplichten waar ik met mijn vrienden Bart en Tom stond te liften om na twee uur wachten te worden meegenomen door Bart’s vader omdat hij het zo zielig voor ons vond. Bij Restaurant de Vier Kolommen sloeg ik rechts af en reed langs ‘de ijzeren man’, een grote plas waar ik vaak naartoe ging en flirtte met meisjes die ik toch niet krijgen kon, richting het voormalig concentratiekamp.
Het viel me op dat alles kleiner was dan ik dacht: de huizen, de straten, het water. Zelfs de witte villa met de torens, met de exotische naam ‘Solskin’, was bij lange na niet zo indrukwekkend als in mijn herinnering. Werkt herinnering tegengesteld aan reizen met een trein: hoe verder weg je bent, hoe groter het wordt?
In mijn tijd was er nog geen monument. In de barakken van het voormalig concentratiekamp woonden Molukkers en wij, blanke jongens uit het villapark, durfden er geen stap te zetten. Ik reed over de Lunettenweg door het bos, langs de voormalige verblijven van de kampcommandanten die in gebruik zijn als kazerne, langs de gemoderniseerde barakken waar nog steeds Molukkers wonen en langs de hoge betonnen omheining met prikkeldraad van de Extra Beveiligde Inrichting, binnen welke muren zich de gevangenis van het voormalig concentratiekamp bevindt. Alles wordt dankbaar herbruikt.
Aan het eind van de weg lag het moderne, strakke gebouw waarin het Nationaal monument huist, vlakbij de fussiladeplaats met het immense kruis, dat toch niet zo immens bleek te zijn.
Ik kreeg een rondleiding en zag foto’s van een stoet mensen die van het station naar het kamp liep; langs het nonnenklooster, langs Solskin, langs de ijzeren man waar ik ongelukkig van liefdesverdriet, mij niet bewust was van wat zich op nog geen halve kilometer daar vandaan had afgespeeld.
Zo gaat dat met de tijd: de jaren vallen er over heen en ontnemen je het zicht. Alles wordt weer gewoon. Alsof er niets is gebeurd.
Het is goed dat er monumenten zijn.

3/26/2008

De W-film

In 1988 verscheen Scorsese’s film, ‘The last temptation of Christ’.
De film toont Christus als een normaal mens die bloot staat aan allerlei soorten van verleiding. Hij twijfelt, hij is angstig, gedeprimeerd en hij kent lustgevoelens. Er zit zelfs een scene in waarbij Jesus en Maria de liefde bedrijven.
Streng christelijke leiders, vooral in de Verenigde Staten, kraakten de film nog voor hij uit was. Vooral de scene waarin Jesus van het kruis stapt omdat een engel hem zegt dat hij niet de Messias is, waarna hij een gewoon leven begint, trouwt en kinderen krijgt, zorgde voor een reeks hel en verdoemenis-preken in orthodoxe kerken.
Een Franse, katholiek fundamentalistische groep gooide als protest molotov-cocktails in een Parijse bioscoop waardoor dertien mensen gewond raakten.
Ook zij hadden de film niet gezien.
In een aantal landen was de film jarenlang verboden. Daar kon dus niemand de film zien.
In datzelfde jaar verscheen ‘The satanic Verses’ van Salman Rushdie. De protesten van orthodox islamitische leiders – waarvan de meesten het boek niet gelezen hadden - waren zo mogelijk nog feller dan die van hun Christelijke collega’s; Khomeini vaardigde een decreet uit om Rushdie te vermoorden.
In een poging de onrust te sussen suggereerde premier Lubbers dat de vertaling van het boek – dat hij nog niet gelezen had - wellicht verboden zou kunnen worden als er sprake zou zijn van ‘smalende godslastering’.
Minister van staat Van den Broek toont zich een bekwaam leerling van hem door vandaag in de Volkskrant voor te stellen de W-film door de rechter te laten verbieden. Hij heeft hem ook nog niet gezien.
Misschien is het interessant om te kijken hoe het Rushdie’s boek en Scorseses film is vergaan. De duivelsverzen is in Nederland aan de dertiende druk toe, Rushdie leeft en ‘The last temptation of Christ’ wordt inmiddels door vrijwel alle orthodox christelijke groeperingen geaccepteerd als interessante kijk op het leven van Christus.

3/14/2008

Graf

Bedacht me vandaag dat ik het graf van mijn grootvader, de geoloog J.H.F. Umbgove, nog nooit bezocht had. Zoals de trouwe lezers van mijn blog inmiddels weten werk ik aan een roman die voor een deel over zijn leven gaat.
Ik belde mijn vader om te vragen waar het was – als het uberhaupt nog bestond – en hij vertelde me dat het op de begraafplaats bij de protestante kerk in Wassenaar lag.
Dus reed ik vandaag de prachtige route via Bennebroek, Noordwijkerhout en Katwijk naar het oude dorpje van Wassenaar.
Toen ik er aan kwam zag ik dat er een lijkwagen en twee volgauto’s voor het kerkje stonden. Door de ramen van de kerk klonk orgelmuziek.
Ik zocht op de plattegrond het nummer van het graf dat mijn vader mij had opgegeven en liep over het grindpad langs het achterschip van de kerk naar de begraafplaats.
Op het pad stond een auto. Ik liep er langs en zag dat er een liturgie van de dienst op de bestuurdersstoel lag met daarop een foto van de overledene. Zo te zien was hij niet veel ouder dan zestig.
Na enig zoeken vond ik het graf: een grote, liggende, verweerde steen waarop nauwelijks leesbaar zijn naam en die van zijn moeder. Een mooi, eenvoudig graf op een begraafplaats zoals alle begraafplaatsen zouden moeten zijn: rustig, in het centrum van het dorp, omringd door oude huizen en bomen. Niet ergens achteraf, maar juist middenin het leven dat doorgaat.
Toen ik terug liep bleek de dienst net afgelopen te zijn. De meeste bezoekers bleven buiten bij de ingang wachten tot de kist de kerk uit zou worden gedragen. Omdat ik het kerkje nog even van binnen wilde zien bleef ik op enige afstand staan.
De kerkgangers waren allemaal in het zwart; de mannen droegen een pak; de vrouwen een zwarte rok. Aan de mensen te zien kwam de overledene uit een goed milieu kwam, wat niet zo verwonderlijk is in Wassenaar.
Omdat het nogal lang duurde voor de kist naar buiten kwam drentelde ik wat heen en weer en ineens voelde ik me zo iemand die voor zijn lol begrafenissen van wildvreemden bijwoont. Iemand die verdriet leent.
Een beetje ongemakkelijk wachtte ik tot de kist uiteindelijk naar buiten kwam en iedereen erachter aan de begraafplaats op liep.
Ik ging het kerkje binnen, waar het warm was. Er klonk een mooie Bach cantate, de dominee deed zijn microfoontje af en nam een slok water; de kosteres haalde de bloemen weg. De zon scheen door de ramen, buiten rook het naar voorjaar: ik had geen beter moment kunnen kiezen.

3/05/2008

Klooster

Las een interview met schrijfster Karen Armstrong in ‘Hollands Diep’.
Op haar zeventiende vertrok ze vanuit London naar het klooster om non te worden, waar ze zeven jaar bleef tot ze teleurgesteld door de rigide levensopvatting weer vertrok en na veel onzwervingen uiteindelijk een zeer succesvol schrijfster werd.
Ik begrijp de aantrekkingskracht van het kloosterleven wel, alhoewel de romantiek bedrieglijk is. Het is net als mensen die zich rond hun veertigste afvragen of dit alles is, hun baan opzeggen, een mooi landhuis kopen in Zuid Frankrijk en een ‘Bed and breakfast’ beginnen: het lijkt romantisch maar de werkelijkheid is dat je lakens staat te verschonen en na drie jaar nog steeds als een buitenaards wezen wordt behandeld door de plaatselijke bevolking.
Ik romantiseerde het klooster ook, al heb ik nooit overwogen in te treden.
In de vakantie na mijn eindexamen ging ik een week naar Taize: een oecomenisch klooster in Frankrijk, waar duizenden jongeren vanuit de hele wereld naartoe komen. Ik weet niet meer precies waarom ik er op dat moment heen ging. In ieder geval niet om religieuze redenen. Het was meer de saamhorigheid die me aantrok. Iedereen hield vreselijk veel rekening met de ander en deed ontzettend zijn best om lief te zijn voor elkaar. In mijn herinnering was iedereen het ook steeds roerend met elkaar eens.
Overigens kwam ik er snel achter dat die saamhorigheid bij sommigen vooral buitenkant was, want toen ik op een avond mijn bord wegzette waarop nog wat vlees lag (omdat er echt niet door te komen was: idealisten praten goed, maar koken slecht) werd ik direct door een paar harige wereldverbeteraars ten overstaan van iedereen aan de schandpaal genageld. ‘You see what you do? You put meat away!!’, riepen ze op hoge, hysterische toon, ‘how can you do that? There are people starving from hunger’. Met een rood hoofd nam ik mijn bord terug en begon opnieuw te kauwen op het stuk ondoordringbaar taai varken.
Twee jaar later, in mijn studententijd, ging ik samen met een vriend naar het Benedictijnenklooster in Chevetogne. Wij waren de enige gasten tussen een handjevol monniken waarvan de gemiddelde leeftijd rond de zeventig moet zijn geweest: een uitstervend ras. Aandoenlijk om te zien: twintig, stokoude monniken in een klooster met veel te veel kamers.
De onvolprezen singer/songwriter James Taylor heeft eens gezegd: kinderen en creativiteit hebben regelmaat en discipline nodig. In het klooster kan je je als een kind laten meevoeren: je staat op, bidt, eet, bidt, wandelt, eet, etc. Je hoeft nergens over na te denken, alleen maar te volgen, wat heel prettig is als je het even niet meer weet.
Je dompelt je onder, doet je ogen dicht en laat je meevoeren met de stroom tot je adem op is en je weer naar boven moet. Alhoewel ik zeker weet dat ik het er nooit langer dan een maand zou uithouden, blijf ik er af en toe naar verlangen. Bijvoorbeeld als ik zo’n interview lees.

2/15/2008

Leeg

Mijn boek is bijna af. Al weet je het nooit. Vorige keer dacht ik het ook tot ik het manuscript liet lezen aan twee vrienden die zoveel aan te merken hadden op ‘de kleinzoon’ dat ik nog maanden bezig was met herschrijven.
Maar ook al zou ik nog wat dingen moeten veranderen, dan nog kan ik er niet omheen dat het een aflopende zaak is. Ik moet zeggen dat ik er tegenop zie.
Het afgelopen jaar liep ik , terwijl op de radio’s de files werden voorgelezen, de vijftien treden van onze trap omhoog om naar ‘mijn werk’ te gaan. Ik ging zitten aan mijn schrijftafel en opende het document ‘DHVDA boek 5a’ (afhankelijk van de versie waarmee ik bezig was) en begon met schrijven. Soms ging het goed, soms wat minder, maar altijd had ik een doel om naar te streven: minstens een A-viertje schrijven.
Dat doel valt binnenkort weg. Goed, ik heb nog gesprekken met mijn redacteur en er zal nog het nodige geredigeerd worden. En daarna komt nog de correctiefase en moet ik me nog bemoeien met de lay-out en het publiciteitsplan, maar dat zijn geen taken waarmee ik mijn dagen kan vullen. Er doemt een enorme leegt op in de verte; ik zie de contouren al.
Het fijne van schrijven is dat je enorm ‘open’ bent. Alles staat in dienst van het boek. Bij elke verhaal dat ik hoor; bij alles wat ik op TV zie; bij ieder gesprekje op straat, denk ik: kan ik het gebruiken? Als je schrijft loopt de camera permanent mee en dat is een prettig gevoel. Al leef je als je schrijft vanaf de zijlijn, je hoort en ziet alles.
Ik spreek ook de hele dag (en nacht) ideeen of opmerkingen in. Bijvoorbeeld: ‘Er moet meer wanhoop zitten in het meisje als ze de prof niet meer ziet’. Of, na het zien van een uitzending van Netwerk over Jan Siebelink: ‘Hij moet meer verscheurd worden door de liefde voor zijn gezin en zijn werk.’
Als ik eenmaal stop met schrijven sluit het zich weer. Je gevoeligheid neemt af en je wordt weer ‘normaal’. Helaas.
Wat ik hierna ga doen weet ik nog niet. Ik kan pas met een nieuw boek beginnen als ik los ben van het oude en dat zal zeker tot het najaar duren, want pas dan komt het uit.
Ik zou aan een nieuwe CD kunnen werken, maar mijn kompaan met wie ik muziek schrijf is tot de herfst bezig met andere projecten.
Ik moet in ieder geval mijn sociale leven weer oppakken, want de afgelopen anderhalf jaar heb ik als een holbewoner geleefd en buiten mijn kinderen en vriendin vrijwel niemand gezien.
En er zijn nog een heleboel klusjes te doen aan het huis. Binnenkort maar eens beginnen met de muren van de badkamer.

2/05/2008

Het marktplein van Peter R. de Vries

Ik weet niet met wie ik liever op een onbewoond eiland zou zitten: met een pathologische leugenaar die zich aangetrokken voelt tot foute types, drugs en vrouwen of met iemand die meerdere keren is opgepakt voor geweldsdelicten en die nu zijn ‘vriend’ erbij lapt om daarna glimmend van trots op TV te beweren dat hij het als zijn plicht zag ‘tegenover Aruba en Nederland en Beth’ (de moeder van Holloway).
De uitzending van Peter R. De Vries van afgelopen zondag was het ranzige hoogtepunt van commerciele televisie in Nederland: de dagenlange, ronkende aankondigingen; de eindeloze reclameblokken; de grote, druipende woorden, de domme verontwaardiging. Met als resultaat zeven miljoen Nederlanders met chips en cola op de bank.
Het moet gezegd: de Vries heeft de moderne, Nederlandse equivalent gevonden van de ‘good old’ openbare terechtstelling op het marktplein zoals we die in landen als Iran en Zimbabwe kennen.
En het werkt want gisteravond stonden in een Fries plaatsje honderd mensen klaar om Joran, die zich in een appartement aldaar schuil zou houden, te lynchen.
Het is dezelfde domme, selectieve, pathetische en gevaarlijke morele verontwaardiging als die Patrick van der E. tentoon spreidt als hij zegt dat hij het als zijn plicht voelt om Joran te pakken.
De Vries, en al zijn camera en geluidsmannetjes en redacteurtjes en alle mannetjes bij SBS die glijend op hun stoel zijn gaan rondbellen om extra reclames te verkopen voor de uitzending van afgelopen zondag zijn verantwoordelijk, want het gaat daar echt helemaal niemand om plichts- of rechtsgevoel; het gaat gewoon om geld, spanning en roem.
Wanneer heeft een van deze mannetjes zich trouwens voor het laatst opgewonden over de gruwelijkheden in Darfur? Misschien een idee om daar eens een paar camera’s in een kameel van de Janjaweed te bouwen en er dan met knuppels op af te gaan.

1/28/2008

Hondenbelasting

Vanochtend werd er aangebeld. Ik zat boven te werken en was verbaasd. Op dit tijdstip belt normaal gesproken alleen de TNT koerier aan die met zijn bus veel te hard naar mijn zin het terrein op scheurt. We wonen hier met tien gezinnen op een soort hofje –een oud fabrieksterrein- en er is elke dag wel iemand die via internet een jas of een boek besteld heeft. Maar ik had zijn bestelbus niet gehoord.
Het bleek iemand van de hondenbelasting te zijn.
Het was een klein, vriendelijk ogend mannetje: vale regenjas, te groot montuur, haren overdwars gekamd. Hij had een zakcomputertje bij zich en tikte erop met een pen. Hij zag er heel ongevaarlijk uit.
‘Hebt u een hond?’ vroeg hij.
‘Nee’, zei ik.
Terwijl ik het zei schoot door mijn hoofd: zou hij het geloven? Het is hetzelfde gevoel dat ik heb als ik een winkel uitloop zonder iets gekocht te hebben. Ik ben altijd bang dat het alarm toch afgaat.
Ik bedacht me dat hondenbelastinginspecteurs vast geschoold zijn in het doorzien van leugens. Hij kon vast aan iemands lichaamstaal zien of hij loog. Hoe was het ook al weer? Als je aan je neus zit terwijl je iets zegt, lieg je.
Ik had niet aan mijn neus gezeten.
Ik wilde de deur alweer dicht doen toen hij vroeg:
‘Heeft een van de buren een hond?’
Doortrapte vraag.
Ik wist dat ze op nummer 1 twee hondjes hebben, maar niet of ze daar belasting voor betaalden.
Wat moest ik doen? Zei ik ja, dan gaf ik ze misschien aan. Ontkende ik dan loog ik en dat zou hij doorhebben.
Ineens moest ik aan de oorlog denken. Zo gaat dat dus: kleine, miezerige mannetjes in regenjassen bellen aan en vragen of je bij de buren wel eens iets vreemds gezien hebt. Verdachte geluiden? Gestommel? Mensen die midden in de nacht aanbellen? Onderduikers?
‘Nee’, zei ik tegen de man, terwijl ik aan mijn neus zat.
Hij keek me aan, toetste iets in en groette vriendelijk.

1/21/2008

Oliver

Vorige vergastte TV-kok Jamie Oliver in een uitzending tien kuikens ten overstaan van zijn publiek. Normaal gesproken hou ik niet zo van dit soort confrontaties, maar dit vond ik geweldig.
Voor diegenen die het niet gezien hebben: het publiek in de studio zit aan grote ronde tafels. Er is mooi gedekt, de mensen zijn in avondkleding en op de tafels staan schalen waar levende kuikentjes in blijken te zitten. Oliver legt uit dat de mannetjes te onderscheiden zijn door hun vale kleur. Hij vraagt het publiek de mannetjes eruit te halen en in een glazen pot te doen en deze naar voren te brengen. Tot zover lijkt er niets aan de hand.
Dan legt Oliver uit dat in de bio-industrie de mannetjes nutteloos zijn en hij vraagt aan een kenner wat er met deze diertjes gebeurt. Onderwijl trekt hij het doek van een grote glazen kubus voorzien van een aantal slangen en stopt de dieren daarin. De man legt uit dat deze dieren vergast worden met koolmonoxide. Ontsteltenis op de gezichten van de aanwezigen. ‘Marc, can we start the process please’, zegt Oliver en vervolgens worden de dieren vergast.
Ik weet niet waarom ik het zo goed vond. Ik denk omdat hij het zo ‘naturel’ deed (vervelend toneelacademie woord, maar ik weet geen beter). Als dit in Nederland op TV was zou het heel pathetisch, vet aangezet worden met violen en vertraagde beelden van blije kuikentjes en een huilende presentator of juist heel cynisch en afstandelijk. En in ieder geval belerend. Oliver bleef sober en informatief. Dat is altijd sterker.
Vlak bij het huis in Brabant waar wij regelmatig komen staat een enorme ‘vleeskuiken’ boerderij. Het bestaat uit zes stallen met in elke stal 20.000 kuikens/kippen. In het kader van de openheid is in een stal de mogelijkheid om door een ruitje naar binnen te kijken. Ik ga er af en toe met de kinderen naartoe. Als je vroeg in de cyclus van het produktieproces komt zie je 20.000 schattige kuikentjes zitten. Ze hebben de ruimte, op de vloer ligt zaagsel; eten valt automatisch in grote bakken en water is beschikbaar via buizen. Kom je vijf weken later dan zie je dikke, witte kippen die zich nauwelijks kunnen bewegen op een vloer met stront zitten. Ze hebben dan nog precies een week te leven, want na zes weken worden ze geslacht. Niet veel later liggen ze in de supermarkt.
Ik neem die boer niks kwalijk. Hij verdient vierenhalve cent per kip, dat betekent dat hij per zeven weken (een week is nodig om de stallen te reinigen en in orde te brengen voor de volgende lichting) ongeveer vijfenhalf duizend euro omzet heeft. Daar moeten dus nog alle kosten vanaf.
We moeten gewoon meer betalen voor kippen en eieren.

1/14/2008

Waits

Zit al dagen in mijn hoofd met dat liedje ‘All the world is green’ van Tom Waits. Het wordt namelijk gebruikt in de mooie film ‘Butterfly and the diving bell’ over een man die na een hersenbloeding alleen nog zijn linkeroog kan bewegen.
Van mooie films onthoud ik altijd een of twee momenten. Zoals van ‘Magnolia’ als het ineens kikkers begint te regenen. Of zoals van bovengenoemde film als hij in zijn rolstoel met zijn ex-vrouw en hun kinderen op het strand staat. Het beeld past prachtig bij Waits of andersom: de schoonheid van het strand en daarnaast de tragiek van de rolstoel.
Ik hoopte het fragment op youtube te vinden, maar het stond er niet op. Ik kijk de laatste tijd steeds vaker mooie oude fragmenten op Youtube in plaats van gewone TV omdat ik de hoeveelheid licht verteerbare, pathetische en/of inhoudsloze programma’s van zelfingenomen (semi) bekende/onbekende Nederlanders op TV niet meer aankan. Je moet na een avond Nederlandse TV echt douchen om de ranzigheid weg te spoelen.
Van Waits staan een heleboel prachtige nummers uit liveshows en videoclips op youtube. Evenals een aantal interviews met David Letterman. Eerlijk gezegd was ik nogal verbaasd om hem daar aan te treffen, want de ‘Late night show’ is niet het decor dat ik bij Waits vind passen. Zeker omdat je weet dat de vragen en antwoorden van te voren tot in detail worden doorgenomen. In feite is het het soort televisie dat ik zo verschrikkelijk vind.
Tot ik me realiseerde dat Waits gewoon een hele goeie entertainer is. Een soort Frank Sinatra, maar dan tegenovergesteld: de doorrookte, aan alcohol verslaafde maar vriendelijk en humoristische loser. Het is gewoon een imago, want Waits woont bij mijn weten al twintig jaar met zijn vrouw en drie kinderen op een boerderij, drinkt niet en werkt hard.
Het maakt niet uit want bijna al zijn teksten prachtig: ‘You’re east of east St. Louis/and the wind is making speeches/and the rain sounds like a round of applause’ (Time) of: ‘I fell into the ocean/when you became my wife/made it all against the sea/to have a better life (All the world is green). Het is altijd beeldend, altijd weemoedig en door zijn rauwe stemgeluid wordt het nooit pathetisch.
Ik vond drieendertig Waits fragmenten op internet. Dat is ongeveer hondervijftig minuten. Op dezelfde avond wordt op de tien Nederlandse zenders samen drieduizend minuten TV aangeboden.

1/08/2008

Zembla's baard

Zelden zo’n slechte uitzending van Zembla gezien als die van afgelopen zondag over de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama.
Ik heb hem de afgelopen weken gevolgd in de krant en op Youtube. In zijn campagne komen twee woorden komen steeds terug: ‘Verandering’ en ‘Verzoening’. Zelf een ‘zwarte’ Amerikaan (blanke moeder, zwarte vader) benadrukt hij voortdurend de kandidaat van alle Amerikanen te zijn. Geen Jesse Jackson dus, die in de jaren tachtig probeerde president te worden door te blijven hameren op het feit dat zwarte Amerikanen als tweederangs burgers werden behandeld.
Obama weet op een slimme, op het oog bescheiden lijkende manier over te komen. ‘Ik hoop dat jullie op mij gaan stemmen’, zegt hij in New Hampshire tegen drieduizend mensen die uren op hem hebben staan wachten, ‘maar als je dat niet doet, stem dan in ieder geval op iemand die voor verandering is.’
Tijdens een interview met in Good Morning America : ‘Je moet een soort van megalomie hebben om te denken dat je de president van Amerika moet worden. Maar je moet ook een zekere drempel over om te zeggen: dit is niet alleen ambitie, dit is iets groters.’ Of tijdens een verkiezingsspeech in Wyomi: ‘Als je weet wie je bent, waar je in gelooft , als je weet waar je voor vecht, dan kan je je veroorloven om naar je tegenstander te luisteren.’
Goed, hij blijft vaak hangen in grote woorden en algemeenheden. Maar toch. Het is een ander geluid dan ik tot nu toe tijdens presidentsverkiezingen hoorde. Ook al omdat Obama zich verzet tegen het cynisme en de verbittering van de machthebbers in Washington en zich niet bedient van lobbyisten en grote bedrijven om geld in te zamelen. En, tot nu toe valt hij zijn tegenstanders niet aan door ze te ‘bespugen’. Hij gedraagt zich netter dan ik gewend ben van presidentskandidaten.
Natuurlijk kan je je afvragen of zijn idealisme echt is of dat het gewoon een boodschap is die lekker verkoopt. En je kan je afvragen hoe hij reageert als hij aan de verliezende hand is –je kan mensen pas beoordelen als je ze in slechte omstandigheden meemaakt - Je kan je afvragen of het niet gauw gedaan is met dat idealisme als hij eenmaal in het Witte huis zit. Kan je uberhaupt integer zijn als je vindt dat je president van Amerika moet worden?
Maar toch, ik ben geneigd hem het voordeel van de twijfel te geven.
Dat deden de makers van Zembla afgelopen zondag duidelijk niet. De boodschap die wij als kijkers vijfenveertig minuten lang ingepeperd kregen was: Obama kan wel over verzoening en verandering praten, de werkelijkheid is dat Amerika een tot op het bot verdeeld land is. Ten bewijze daarvan werd een scala aan ‘gewone’ Amerikanen aan het woord gelaten die dingen zeiden waar de honden geen brood van lusten. Zembla was er dan ook speciaal voor naar ‘het meest racistische plaatsje van de VS’ (quote uit de reportage) ergens in South Carolina gereisd. Daar waar vorig jaar nog stroppen aan de bomen hingen omdat zwarte kindjes onder een boom hadden gespeeld waar normaal gesproken alleen blanke kindjes speelden. En inderdaad, daar waren wel een paar blanke mannen van middelbare leeftijd die wat rascistisch wilde zeggen.
Ook was Zembla te gast bij de Hell’s Angels, die over het algemeen voor de camera bereid zijn een paar bruikbare quotes te leveren, zoals dat de naam Obama erg lijkt op die van Osama en dat hij zich daarom als een gevaarlijke moslimfanaticus zal ontplooien. Als je maar lang genoeg zoekt vind je altijd wel een debiel die iets zegt wat van pas komt.
Ook de voormalige, verbitterde adviseur van Jesse Jackson deed een duit in het zakje door juist te stellen dat Obama een verrader was omdat hij niet meeliep in een of andere mars.
Joris Luyendijk maakt in zijn belangrijke boek ‘Het zijn net mensen’ duidelijk wat het probleem is van de ‘oude’ journalistieke benadering van hoor en wederhoor: als er negenennegentig mensen voor iets zijn en een tegen, zal de journalist twee mensen voor de camera halen: eentje die voor is en die ene die tegen is. Waardoor de indruk ontstaat dat er evenveel voor als tegenstanders zijn.
Bij Zembla maakten ze het afgelopen zondag nog veel gekker: honderdduizenden mensen in Wyomi steunden vorige week de boodschap van verzoening, maar Zembla zocht en vond een paar racisten en liet hun aan het woord.
De makers van deze uitzending hebben een hele lange baard. Tijd voor verandering, zou ik zeggen.

12/11/2007

Emma kinderziekenhuis

Vandaag ben ik te gast in het Emma kinderziekenhuis op de achtste verdieping van het AMC. Elke maand is daar, op een geimproviseerd podium in de gang, een optreden voor de kinderen. Omdat ik ook gevraagd ben een keer wat te doen ga ik er alvast kijken. Als ik om half elf binnen kom worden de kinderen net naar binnen gebracht. Er liggen kinderen in bedden, anderen zitten in rolstoelen, sommige zitten op een gewone stoel met achter zich een infuus. Hulpstukken die bij oude mensen horen, niet bij kinderen.
Ik moet mijn nieuwsgierigheid bedwingen. Het liefst wil ik van iedereen weten wat ze mankeert. Ik betrap me erop met sommige kinderen minder medelijden te hebben dan met andere. Een meisje van een jaar of vier met een gipsen been vind ik niet zo zielig. Op de schaal van ziek zijn in het Emma kinderziekenhuis scoor je daar niet hoog mee.
Het optreden word verzorgd door Opus One die momenteel met het programma ‘Musical to the Max’ door het land toeren. Ik vind musicals verschrikkelijk en zeker een programma met hits uit verschillende producties lijkt me een straf om naartoe te moeten. Maar Brigitte Nijman, Joke de Kruijf, Tony Neef en Frans Schraven doen het geweldig. Ze lopen tussen de kinderen door, praten met ze, laten een jongetje dat niet van het podium af wil, met de pianist meespelen en zingen en passant nog wat liedjes. Van ‘Op een mooie pinksterdag’ tot ‘Memories’ tot ‘Do re mi’ uit de ‘Sound of music’. Liedjes waar die kinderen veel te jong voor zijn, maar het maakt niets uit: er word uit het hart gezongen. Dat kan ook haast niet anders, want als je ergens geraakt wordt, dan is het tussen de (dood)zieke kinderen en hun ouders.
Als het optreden is afgelopen en ik al bij de koffietafel van de ouderlounge sta, begrijp ik dat er nog een optreden gepland staat. Ditmaal op de afdeling oncologie; de kinderen daar mogen de afdeling niet af in verband met infectiegevaar.
Er zitten ongeveer acht kinderen met hun ouders op banken, stoelen of op een mat op de grond. De meeste zonder haar. Opus one doet hetzelfde optreden, maar de lading is anders. Het is ingetogener, de vrolijke nummers klinken holler. Ziekte en ellende zijn hier onontkoombaar.
Frans en Tony zingen een liedje; iets over sterren en de maan. Zo’n tekst waarvoor ik alle moeite doe om hem niet te schrijven, omdat ik dat te pathetisch vind.
De meeste ouders huilen en ik probeer uit alle macht dat niet te doen. Ik kijk naar buiten. Vanaf de achtste verdieping heb je een prachtig uitzicht over de kantoren van Zuid-Oost, de Arena, de snelweg en de weilanden. De zon schijnt, maar er ligt een donkere lucht op de loer. In de verte ligt Amsterdam. Daarachter liggen de havens. Dat wil zeggen, ik zie ze niet, maar ze moeten daar ergens liggen.
Misschien is dat een troostend beeld: een haven die nog verscholen ligt. Kom je dichterbij dan vind je hem vanzelf.

12/03/2007

Natuur verkrachten

Wij komen met enige regelmaat voor een weekend of een vakantie in het oude huis van mijn grootouders aan de rand van een prachtig natuurgebied in Brabant. Of eigenlijk moet ik zeggen: een mix van weilanden en heide.
Boeren moet je er, in dit van oudsher boerenland, met een vergrootglas zoeken; ze zijn allemaal uitgekocht door Natuurmonumenten. Dat proces verloopt even geniepig als onomkeerbaar: vanuit Den Haag of Brussel worden ieder jaar de regels een klein beetje aangescherpt waardoor het voor de kleine boerenbedrijven steeds lastiger wordt er aan te voldoen. Dan weer mogen ze geen mest meer uitrijden, dan weer mag het land niet gefreest worden, dan mogen er niet meer dan 10 stuks vee op hun land staan. Als de duimschroeven genoeg zijn aangedraaid komt er een vriendelijke man van Natuurmonumenten op bezoek die veel begrip voor hun situatie toont en vraagt of ze hun land niet willen verkopen. Het lijkt op die martelscene uit Soldaat van Oranje: de slechte Duitser (de als altijd onverstaanbare Rijk de Gooijer) beult de gevangene af en net op het moment dat het uit de hand dreigt te lopen komt de ‘goeie’ Duitser binnen die zegt: ‘Beken nou maar, dan ben je overal van af.’
Bijna alle boeren in de omgeving hebben hun land verkocht en zijn nu lopende band medewerker, tegelzetter of bouwvakker. Op zondag rijden ze nog een rondje op hun oude tractor en kijken uit over wat vroeger van hun was.
Toen we er dit weekend weer waren zag ik tot mijn schrik dat er tien enorme landbouwmachines op een van de weilanden stonden. Ook was het zandpad dat van de grote weg naar het natuurpark loopt geplaveid met stalen platen, stond er een weegbrug voor vrachtwagens en lag er verderop een enorme berg zwart zand.
Het zit zo: de bovenlaag van de opgekochte dertig hectare landbouwgrond wordt afgegraven om ‘de natuur weer in haar oude luister te herstellen’ (site:Natuurlijk Brabant)
Nou is de vraag natuurlijk: wat is oude luister? Hoever ga je terug? Honderd jaar? Vijfhonderd jaar? Tienduizend jaar? Ga je terug tot de laatste ijstijd toen Nederland bedekt was met een ijskap? Ga je terug tot het Jura toen hier dinosauriers liepen of naar het Krijt toen Nederland zeebodem was?
Na wat googlen blijkt dat ze teruggaan naar de negentiende eeuw. Dat houdt in dat de vruchbare landbouwgrond verwijderd wordt zodat de aarde verschraald en er heide kan groeien. Tevens worden er vennen, pelterheggen en vloeiweiden aangelegd.
Was dat landschap dan oorspronkelijk? Nee hoor, ook dat is door mensen aangelegd. Ik citeer de site Projectenbank Natuurhistorie: ‘De Pelterheggen, onderdeel van dit landbouwgebied, is een van de laatste vloeiweidecomplexen die in de negentiende eeuw is aangelegd. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar hooi werden ook de droge, zure en schrale gronden geschikt gemaakt voor productie. Hiertoe werden werd een stelsel van kanalen, stuwen, duikers en aquaducten aangelegd, waarmee kalkrijk water uit de Maas naar de weiden werd gevoerd.’
Maar waarom is dat cultuurhistorisch meer verantwoord dan de weilanden die er nu liggen? Horen weilanden met koeien niet bij het cultuurhistorische erfgoed van Nederland? Moesten die boeren daarom weg?
Het wordt echt ranzig als je even verder wat getallen leest: er wordt 130 000 kubieke meter grond weggehaald; er zullen 300 vrachtwagenbewegingen per dag gedurende een maand zijn en de kosten worden begroot op 5,8 miljoen euro.
Alleen al van die driehonderd vrachtwagenbewegingen warmt de aarde een halve graad op.
En waarom?
De helft van het bedrag bestaat uit een subsidie van de Europese unie, lees ik. Ik kan niet anders dan een cynisch antwoord bedenken: ergens in een te duur kantoorgebouw zit een te duur betaalde medewerker met teveel belastinggeld onder zijn hoede. En hij moet wat met dat geld. Hij moet een 'statement' maken, hij moet gezien worden, hij moet hogerop, minister worden wellicht.
Over honderdvijftig jaar zal er weer een andere sukkel in een kantoor in Brussel zitten die een lumineus idee heeft: het natuurgebied in oude luister herstellen en weilanden aanleggen met grazende koeien.

11/21/2007

In vorm

Afgelopen weekend samen met collega auteur Gerbrand Bakker een avond verzorgd in het Boekenhotel in Doldersum. Leuk hotel, mooie omgeving, goed gezelschap. Na afloop vroeg iemand of ik al wist wat het thema van mijn tweede boek zou worden. Ik antwoordde dat ik dat wel in de recensies zou lezen.
Tijdens het schrijven ben ik alleen bezig met het vertellen van het verhaal, achteraf blijkt waar het eigenlijk over gaat. Zo ging het ook toen ik de recensie van Jeroen Versteele over MODWZHM in ‘De Morgen’ las. Ik dacht; inderdaad, daar heb ik over geschreven.
Verder vroeg iemand of ik veel inspiratie had, waarop ik zei dat ik de laatste tijd wel ‘in vorm’ ben en dat dat voornamelijk komt omdat ik discipline heb. Analoog aan wat ik eens een voetbalcoach hoorde zeggen, namelijk dat je de competitie wint door van ‘kleine’ tegenstanders te winnen, heb ik geleerd dat je een boek schrijft door op ‘kleine’ dagen toch te schrijven. Ik bedoel: de dagen waarop alles lukt, de dagen dat je een geweldige inval hebt en de woorden als vanzelf uit je lijken te stromen hoef je geen moeite te doen.
Juist de dagen dat het stroef gaat moet je zorgen dat je toch wat schrijft. Een boek schrijven is sprokkelen; als je het elke dag doet heb je na twee jaar een boek.
Zo waren de afgelopen dagen nogal chaotisch. Normaal gesproken zit ik iedere werkdag om kwart over negen aan mijn tafel en stop rond half drie met schrijven, maar gisteren ging de ochtend op aan het opstellen van een boze brief in verband met een financiele kwestie en vandaag hield de loodgieter me tot twaalf uur van m’n werk omdat we een lekkage hadden. Er moesten een ‘klauwhamertje’, een ‘schopzaagje’ en een ‘kijkbuisje’ aan te pas komen om de oorzaak te vinden. Momenteel zit ik met een opengesneden achterwand die zwart ziet van de schimmel en die ruikt naar een slecht geventileerd sousterrain van een Amsterdamse benedenwoning achter mijn computer. Gelukkig lukte het me de resterende twee uur toch nog een A-viertje vol te schrijven, waardoor het alsnog een geslaagde dag werd. In die zin is schrijven: zorgen dat je tevreden bent over jezelf. Ook al is het op zulke dagen lang niet geweldig wat ik schrijf, ik heb in ieder geval het gevoel dat ik gewerkt heb. In vorm zijn is vooral: jezelf aanpraten dat je goed bezig bent.
Net zoals ik vroeger met mijn fiets op de stoep voor ons huis wedstrijdjes deed; de hoek van de straat was de finish; de huizen waren het stadion; het publiek dacht ik erbij. Ik won altijd.
Dat doe ik dus nog steeds: ergens een lijn trekken, hard fietsen en als eerste over de streep komen. Zonder tegenstanders, dat wel.

11/14/2007

Zelfkritiek

Mijn vorige weblog was geschreven enkele uren voor de bekendmaking van de AKO literatuurprijs. Rita Verdonk was ambassadeur voor het boek van Afth. Dat wil zeggen dat zij het boek op TV mocht aanprijzen. Aangezien ‘Het schervengericht’ deels in de gevangenis speelt en Verdonk vroeger gevangenisdirecteur was klonk het allemaal oprecht en overtuigend. Ik heb de kranten er niet op nageslagen, maar het zou me niet verbazen als enige literatuurkenners er schande van hebben gesproken – zo’n verderfelijke vrouw koppelen aan literatuur – maar ik vond het origineel en spannend.
Helaas vielen Frank Westerman, Dimitri Verhulst en Willem van Maanen kwa aandacht een beetje weg bij het ego geweld van Grunberg en Van der Heijden.
Daags erna verklaarde Grunberg dat hij het openbare literaire leven in Nederland van nu af aan zou mijden. Vrij clowneske uitspraak als je de media jarenlang uit en te na hebt gebruikt om jezelf te profileren, met als (naar nu blijkt) sluitstuk de act met de baby tijdens de uitreiking van de AKO. Je zou zeggen dat zijn boeken goed genoeg zijn om het zonder al die onzin te stellen.
Zelfkritiek is ver te zoeken in bekend Nederland dezer dagen. Een verontwaardigde Daphne Deckers valt een ‘journalist’ van Story aan omdat hij onzin over haar en haar gezin schrijft. Het zal ongetwijfeld heel irritant zijn, maar hypocriet is het ook, want diezelfde roddelpers wordt wel uitgenodigd op haar boekpresentaties. De journalist in kwestie laat zich ook van zijn geestigste kant zien en daagt haar voor de rechter omdat ‘je je woede ook op duizend andere, fatsoenlijke manieren kan uiten.’ Let vooral op het woordje ‘fatsoenlijk.’
Georgina Verbaan , die een paar jaar geleden nog naakt in de Playboy stond, verklaarde vandaag dat zij de aanval van Deckers wel kan billijken omdat zij ook zo’n last heeft van de roddelpers. Maar ja, als je met ranzige mensen in zee gaat, moet je niet raar opkijken dat ze je blijven stalken. Die bladen zijn de maffia; Deckers en Verbaan zijn de ‘slachtoffers’ die eerst geld van ze hebben geleend en, nu ze zelf geld genoeg hebben, hun handen in onschuld proberen te wassen.
Over het echte maffiawerk (en over het gebrek aan zelfkritiek) zag ik eergisteren het eerste deel van een boeiende tegenlicht-documentaire over de ‘rise and fall’ van Enron. De makers volgen de drie hoofdrolspelers, Lay, Skilling en Fastow, die het Amerikaanse energiebedrijf groot maken, maar daarbij ook vals spelen. De enorme winsten die Enron maakt, blijken alleen op papier te staan. Wat begint bij een leugentje wordt uiteindelijk een klassiek drama waarin het bedrijf failliet gaat en de directeuren veroordeeld worden tot lange gevangenisstraffen.
Misschien is dat de les die je hieruit moet trekken: een beetje zelfkritiek kan geen kwaad. Ook, of misschien wel juist, als je succesvol bent.

11/05/2007

Het sterkste jongetje Grunberg

Of een belediging hard aankomt wordt voornamelijk bepaald door de reactie van de omstanders. Als ik vroeger op een leeg schoolplein wel eens door iemand uitgescholden werd dan haalde ik mijn schouders op en liep door. Stonden er andere kinderen bij, dan werd het lastiger. Dan moest ik haast wel iets terug zeggen.
Arnon Grunberg is al jaren een van de meest gelauwerde en best verkochte auteurs in Nederland en dat wil hij weten ook. Hij is nu eindelijk wat hij vroeger nooit kon zijn: het sterkste jongetje van de klas.
Als hij over ‘zijn’ schoolplein loopt deelt hij zo nu en dan min of meer willekeurig een klap uit in de hoop dat iemand terug vecht. Wie hij uitdaagt maakt hem weinig uit. Sterker nog, hij hoeft helemaal geen hekel aan die persoon te hebben. Het gaat hem om het gevecht. Iemand die de sterkste is wil dat steeds opnieuw bevestigd zien.
Net als jongens die vijf keer per week in de sportschool zitten: die doen dat ook niet voor niks. Er moet af en toe iemand in elkaar gebeukt worden.
Daarom schrijft Grunberg brieven. Zou hij deze brieven alleen opsturen dan zou de geadresseerde zijn schouders op kunnen halen. Maar juist omdat hij zijn brieven publiek maakt wil er nog wel eens iemand zijn die zich genoodzaakt voelt om te reageren en dat is precies de bedoeling. Dan ontstaat er namelijk een gevecht waarin Grunberg zijn klasse kan tonen.
De omstanders genieten van zijn schitterende traptechniek; zijn perfecte linkse en zijn prachtige stoot tegen het hoofd. Praatprogramma’s hebben weer vulling voor dagen; literair recensenten zien bevestigd wat ze altijd al schreven: hij is de beste.
Natuurlijk, er staan ook mensen bij die niet zo van vechten houden, maar het is een bekend fenomeen dat de sterkste weinig tegenspraak krijgt. In het groot zie je dat bij de Mugabes en Musharrafs van deze wereld: wie kritiek heeft moet ondergronds of wordt afgevoerd.
Als het gevecht klaar is toont Grunberg ons nog een keer zijn spierballen en iedereen, ook zij die eigenlijk niet van vechten houden, verzuchten: ‘Aaah’. Omdat het veiliger is om bij de winnaar te horen dan bij dat hoopje stront dat daar op de tegels ligt.

10/28/2007

Watermachine, locomotief en NASA

Ik heb besloten om vandaag de schilderijen en foto’s die tegen de muur van de slaapkamer staan op te hangen. We wonen hier al anderhalf jaar, maar sinds de oplevering is er niets meer gebeurd.
Als ik de tuin in loop zie ik Jacob met zijn vriendje spelen. Ze hebben een grote emmer water neergezet. Even verderop staat een doos met daarop een plank. Op de plank ligt een lege fles.
Ik vraag wat ze doen.
‘We maken een machine’, zegt mijn zoon.
‘Ja’, zegt zijn vriend, terwijl hij met een beker water in de emmer giet. Z’n broek en mouwen zijn al nat.
Ik kijk het een tijdje aan, dan vraag ik hoe de machine werkt.
Ze twijfelen even. Ze hebben er nog niet zo goed over nagedacht.
Dan weet Jacob het. ‘Kijk’, zegt hij, ‘eerst moet het water hierin’, hij wijst op de emmer, ‘en dan moet je zo doen’. Hij pakt de beker van zijn vriend en haalt die door het water.
‘Ja’, zegt zijn vriend, ‘en dan pak je de Pelikaan’ - de Pelikaan is een plastic speelgoedvogel annex waterpistool – en dan doe je zo.’ Hij vult het ding met water.
‘En dan’, zegt hij, ‘.......’
‘Dan moet je schieten’, helpt Jacob.
‘Ja, dan moet je schieten’, zegt hij en hij schiet een paar keer op de fles.
‘En dan moet je de dop dicht doen’, zegt mijn zoon weer, ‘en dan pak je de fles zo en dan loop je naar daar’ – hij wijst op het caviahok.
‘Nee’, zegt zijn vriend, ‘dan moet je naar daar...’
‘Oh ja’, zegt Jacob en hij loopt naar de deur.
‘En nu?’, vraag ik.
‘Nou moet je dit doen’, zegt zijn vriend en hij schiet nog een keer op de doos.
‘Ja’, zegt Jacob, ‘en dan heb je een watermachine.’
Hij loopt terug naar de doos en legt de fles er weer op.
Ik zeg dat ik het mooi vind en loop naar de garage om mijn gereedschapskist te halen, maar die is in gebruik. Mijn dochtertje heeft de hamer in haar hand en slaat ermee op een schroef. Ze heeft al drie planken scheef op elkaar geschroefspijkerd. Ik probeer te ontwaren wat het is, maar ik zie het niet.
‘Wat maak je?’, vraag ik.
‘Een locomotief’, zegt ze.
Ik vraag waarom ze een locomotief maakt.
‘Gewoon’, zegt ze, ‘wil jij de wielen maken?’
Ik zeg dat ik dat niet kan.
‘Maar een locomotief heeft wel wielen nodig’, zegt ze, hetgeen ik beaam.
Ik beloof haar dat ik erover na zal denken hoe we dat moeten doen en loop naar binnen, waar mijn andere dochtertje, Leen, aan tafel zit. Ze schrijft een brief.
Om haar heen liggen tekeningen van raketten.
‘Aan wie schrijf je?, vraag ik.
‘Aan de NASA’, zegt ze.
Ik vraag me af hoe ze aan die naam komt.
‘Aan de NASA?’, vraag ik.
‘Ik wil astronaut worden’, zeg ze zonder op te kijken.
‘Juist’, zeg ik.
Ik denk even na hoe ik het slechte nieuws zal brengen. Om astronaut te worden moet je heel goed kunnen rekenen en dat zit niet in onze genen; mijn dochters volgen, net als ik vroeger, al vanaf groep drie aangepaste leerplannen voor rekenen.
Ik zeg dat astronaut worden heel moeilijk is en dat je heel goed met cijfers overweg moet kunnen.
Dat vindt ze geen probleem.
‘Ik ga gewoon heel erg mijn best doen en niet meer televisie kijken maar sommen maken.’
Dan vraagt ze of ik de brief even in het Engels wil vertalen zodat ze hem kan opsturen.
Ik denk dat er vandaag geen schilderijen opgehangen gaan worden.

10/05/2007

Ranking the stars

Je vraagt je wel eens af waar je het allemaal voor doet, als je de hele dag op je kamertje aan je nieuwe roman hebt zitten werken. In ieder geval niet voor het geld, realiseerde ik me maar weer eens na het zien van een aflevering van ‘Ranking the stars’.
Voor de mensen die dit BNN programma niet kennen: tien bekende Nederlandse mannen (van Ruud de Wild tot Xander de Buisonje tot Beau van Erven Dorens) beantwoorden ‘leuke’, ‘persoonlijke’ vragen, zoals ‘Wie stinkt er het meest?’ of ‘Wie gaat er het vaakst vreemd?’ en maken een ranglijst waarop ze elkaar een plaats toebedelen.
Vanavond was een vraag: ‘Wie verdient er het meest?’
Filemon Wesselink werd door de meesten op de laatste plaats gezet en inderdaad hij bleek ‘maar’ 7.000 euro per maand te verdienen. Daar moest iedereen wel heel meewarig om lachen. Daarna liepen de bedragen snel op, met als grootstverdiener D.J. Ruud de Wild die meer dan 8 ton per jaar verdient. Mijn vriendin en ik zaten te stuiteren voor de televisie, maar de heren leken het allemaal volstrekt normaal te vinden. Het werd nog even spannend toen Jan Smit het niet pikte en meldde dat hij in de ‘Quote Junior top 500’ wel degelijk boven Ruud de Wild stond. Ik geloof dat hij het serieus meende.
De enige die een zinnige opmerking maakte was bovengenoemde Filemon die zei dat zijn vriendin in de zorg werkt en maar 1300 euro per maand verdient, dus dat hij heel blij was met zijn salaris. Maar die opmerking werd door niemand opgepikt, want dat zou het allemaal veel te gecompliceerd maken. Terwijl hij daarmee natuurlijk wel de kern van het probleem raakt: waarom moet iemand die plaatjes draait 784.000 euro per jaar meer verdienen dan iemand die zieken verpleegt? Goed, het kan nog erger: ik geloof dat de topman van Unilever vorig jaar bijna 10 miljoen verdiende (dat is dus 640 keer zoveel als een verpleegster), maar het blijft ranzig.
Temeer daar de heren vlak daarvoor de vraag: ‘Wie geeft er het meest aan goede doelen?’ hadden behandeld. Nou, het bleek dat ze allemaal het hart op de juiste plaats hadden zitten: de een gaf altijd als er een collectant aan de deur kwam en de ander was ambassadeur voor het Beatrixfonds, de volgende had een vriendin die altijd geld overmaakte als er een acceptgiro binnenkwam, weer een ander gaf een zwerver altijd vijf euro.
Dat niemand het raar vond om drie minuten later te lopen brallen over de tonnen die iedereen verdient bewijst maar weer dat proleten de halve wereld hebben.
Ik zou er bijna SP van gaan stemmen.

9/26/2007

Erbij horen

Iedereen wil ergens bijhoren bedacht ik me toen ik op de site van het Holocaust Memorial Museum te Washington (www.ushmm.org) het fotoalbum van Karl Hoecker, een kampbewaarder in Auschwitz doorbladerde. Honderzesenveertig foto’s van zich ontspannende, vrolijke heren en dames in de Solahute, het ontspanningsoord voor SS-ers die in het kamp werkten. Als je de uniformen en de verdoemde plek wegdenkt ziet het er heel onschuldig en gemoedelijk uit. Zelfs Joseph Mengele die op een paar foto’s te zien is, zou ik absoluut niet herkennen als beul. Hij heeft zelfs wel iets sympathieks.
Het zijn verbijsterende foto’s in de wetenschap dat het werk van deze mannen bestond uit het vergassen van mensen. En, alhoewel het lastig is op basis van deze foto’s te oordelen, lijkt het er sterk op dat ze hun werk ook echt als werk beschouwden. Je ziet een groep mannen die zich na een dag hard werken nog wat ontspant zoals mensen op de vrijdagmiddagborrel van hun werk.
Hoe is het mogelijk, vroeg ik mij af.
Het antwoord stond een dag later in de Volkskrant. In een interview met een jongen uit Sierra Leone die een boek heeft geschreven over zijn leven als kindsoldaat. Nadat zijn hele familie was uitgeroeid door de rebellen werd hij na een vlucht van enkele weken opgenomen door het leger. ‘Het leger werd mijn nieuwe familie’, zegt hij, ‘Ik wilde erbij horen. Geweld plegen was de enige manier om dat te doen.’
Ergens bij horen is na eten en drinken de belangrijkste levensbehoefte van mensen. Een middelbare scholier wil bij de stoere jongens horen; een soapactrice wil bij de bekende Nederlanders horen; Rijkman Groenink wil bij de topmannen van grote bedrijven horen; iemand die nergens bij wil horen wil bij het groepje mensen die nergens bij wil horen horen.
Niemand wil overblijven. Zelfs als je niet helemaal geaccepteerd wordt en er maar een beetje bijhangt is dat altijd nog beter dan nergens bijhoren.
Onontkoombaar is dat je je conformeert aan ‘jouw’ groep. Een anarchist draagt een Palestijnse sjaal en kraakt een leegstaand kantoor; Rijkman Groenink toucheert 6 miljoen euro per jaar; Hoecker vergastte gevangenen. En na een dag hard werken is het goed bier drinken.

9/20/2007

Wilders

Met de beschouwingen in de Tweede Kamer laait ook de discussie over de verruwing van het taalgebruik in de politiek weer op. Iedereen wijst daarbij naar Wilders en inderdaad, hij speelt de rol van proleet die aan de bar de wijsheid van de straat uitvent met verve. Maar het verwijt dat Wilders het heeft uitgevonden, of dat het iets is van de laatste jaren slaat nergens op.
Toen Bolkestein het begin jaren negentig aandurfde om het probleem van de mislukte integratie van vreemdelingen op de agenda te zetten werd hij door links Nederland keihard aangepakt. Wallage verweet hem een onderbuik politicus te zijn; zei dat hij in troebel water viste en wees hem erop dat zijn hele familie tijdens de Tweede Wereldoorlog vergast was als gevolg van soortgelijke opvattingen.
Toen Fortuyn aan zijn opmars begon vergeleek Marcel van Dam zijn opvattingen over de islam met het anti-semitisme van de nazi’s.
Het mag kwa taalgebruik dan wat beschaafder zijn, de karikaturale, eenzijdige en onware voorstelling van zaken doet niet onder voor die van Wilders. In die zin waren Wallage en van Dam (en overigens ook Rosenmuller en Melkert) gevaarlijker. Ze deden alsof ze een intellectueel standpunt verwoordden, terwijl ze in feite bezig waren onder de gordel te trappen.
Bij Wilders heb je dat probleem niet; hij verpakt zijn boodschap niet; hij doet er geen intellectueel strikje om. Hij is de bokser in de ring. Je krijgt het rauw en ongecensureerd in je gezicht, zoals het aan de bar in het cafe om de hoek ook gaat.
In die zin doet hij waar iedereen al jaren om vraagt: de politiek dichter bij de mensen brengen.
Volgens mij zit daar het probleem: we moeten Wilders niet verwijten dat hij onfatsoenlijk is, we moeten onszelf verwijten dat de politiek zonodig van iedereen moest worden. Want daar is het veel te ingewikkeld voor.
Vijfennegentig procent van de mensen heeft er geen tijd voor, is niet geinteresseerd of is gewoon te dom om een weloverwogen keuze te maken. Hoeveel mensen lezen uberhaupt een partijprogramma?
Politiek is juist niet voor de straat, maar dient bedreven te worden door saaie, grijze mannen en vrouwen in met kaarslicht verlichte, zeventiende eeuwse kamers met ornamenten aan het plafond. Een nieuw soort adel hebben we nodig: bekwame, rustige vakmensen, die evenwichtige besluiten nemen, zonder gestoord te worden door journalisten of door Maurice de Hond. Wim Kokken, Els Borsten of Ben Botten. Mensen die eigenlijk ook niet houden van camera’s en interviews; mensen die voor hun lol een duizend pagina tellend dossier over de thuiszorg doorspitten; mensen die uit plichtsbesef tot twee uur ’s nachts aan begrotingen sleutelen; mensen die in het weekend ter ontspanning een langspeelplaat met Bach cantates opzetten.
Dat zijn de mensen die we nodig hebben. Geen schreeuwers, geen in de markt gezette politici, geen door spindoctors ingefluisterde mannetjesmakers.
Weg met de zogenaamde openheid of transparantie van de politiek; het is allemaal schijn. Iedere fractievoorzitter heeft wel een rapport dat zijn gelijk ondersteunt. Elke minister tovert wel ergens een cijfer tevoorschijn dat zijn standpunt onderbouwt. In Den Haag weten ze allang dat wij die rapporten niet lezen, en dat we dus toch afgaan op de grijze haren of de blauwe ogen van de politicus. Of op de gebezigde schuttingtaal.
Wilders voldoet gewoon aan de verwachtingen, we hebben hem zelf gecreeerd. Wallage en Van Dam zijn zijn vaders.

9/13/2007

Thomése

Ik volsta deze keer met een paar citaten van de schrijver Frans Thomése uit een interview in de Volkskrant naar aanleiding van zijn nieuwe boek.
Omdat ik er niks aan toe te voegen heb; omdat ik jaloers ben op zijn scherpe analyses en formuleringen.
Nou goed, laat ik het kort inleiden.
Een paar weken geleden sprak ik hem even op de jaarlijkse borrel van ‘onze’ uitgever. Daarna pakte ik thuis zijn bekendste boek(je) ‘Schaduwkind’ uit de kast en herlas het. Voor diegenen die het nooit lazen: het gaat over de vroege dood van zijn dochtertje. Ondanks het loodzware thema wordt het nergens pathetisch. Ik las het met tranen in de ogen (eigenlijk te pathetisch en onorigineel geformuleerd. Hoe zou Thomése dat zeggen?), juist omdat het zo scherp en literair is geschreven. Onbegrijpelijk dat hij daar geen prijs mee gewonnen heeft.
Twee weken geleden stuurde mijn uitgever me zijn nieuwe boek, ‘Wladiwostok’. Een totaal ander boek. Gaat over een mannetjesmaker die een politicus ‘in de markt zet’. Een boek over platte karakters in een platte wereld, maar verre van plat geschreven.
Het boek is in feite een grote aanklacht tegen de ‘vertelevisering’ van deze tijd. Een tijd waarin het gaat om quotes, one-liners, beeldvorming, uiterlijk en bedrog. Niets is wat het lijkt, alles is geregisseerd. Verdieping, gedegen onderzoek, nuance, subtiliteit zijn verboden; het moet snel, aansprekend en oppervlakkig. Het is een soort kaasschaaf wereld: mensen weten van een heleboel dingen een beetje. Ze schaven van alles een dun laagje af en gaan weer verder.
Nou ja, ik laat het Thomése verder wel zeggen:
‘In de maatschappij en de media bestaat de trend om steeds persoonlijker te worden, openhartiger, zogenaamd eerlijker en authentieker. Een omkering van waarden. Iemand denkt: ‘Als ik persoonlijker ben, wordt wat ik zeg vanzelf waar en interessant.’
‘De grachtengordel pleegt lachend naar Geert Wilders of de LPF-operette te wijzen, maar in wezen ligt de schuld bij beschaafden, bij ons soort mensen. Die hebben het toegelaten, zijn lacherig gaan doen over moeilijke boeken. Die hebben de weg vrijgemaakt voor debiliteit.’
‘Er bestaat een gigantisch onderdrukt gilles-de-la-tourettesyndroom in de westerse samenleving, die door de cultuur een uitlaapklep wordt gegeven. Daarom wil je ook altijd lezen over schoften, smerige dingen, nare levenslopen, omdat het in het echt niet is geaccepteerd.’
‘Ja, als schrijver ben je natuurlijk ooit betoverd door boeken en niet door tv-programma’s. Die ben je al kijkend weer vergeten, laat staan een dag later..... Over het algemeen is de tv een vergeetmachine.’
‘Boeken hadden en hebben over mij een heel grote macht. Niet zozeer dat er kennis in ligt opgeslagen, maar meer dat boeken je laten zien hoe je kunt nadenken. Het zijn aanzetten voor je eigen denken. Kijk, domheid is besmettelijker dan kennis, domheid verspreidt zich sneller en daar is dus altijd meer van. Voor verstandigheid moet je inspanning verrichten. Maar ik geloof niks van die scenario’s die somber stellen dat het boek aan zijn einde is.’

9/03/2007

Schoonheid

De jubileum-uitzending van ‘Zomergasten’ had een hoog ‘Lieve Mona’ gehalte. Al die persoonlijke ontboezemingen van vrouwen die zo’n dominante vader hadden of die hun schoolvriendinnetje op vijftienjarige leeftijd waren kwijt geraakt interesseerde me echt helemaal niets. Hoe oprecht de emoties ongetwijfeld waren, het blijft plat en lelijk ze zo op televisie uitgestald te zien. Dat lag trouwens niet aan Paul de Leeuw, die ik weldadig rustig vond, maar aan het 'format' (klinkt als vloeken in de VPRO kerk).
Gelukkig wel weer een fragment uit de prachtige documentaire ‘Nauwgezet en wanhopig’ (Wim Kayzer), waarin Jorge Semprun (schrijver en als ik me niet vergis ook ooit minister van cultuur in Spanje) vertelt hoe hij in een Duits concentratiekamp schoonheid ervaart als hij tijdens een wandeling een prachtige met sneeuw bedekte eik ziet. Ook de SS-officier die hem begeleidt wordt er door geraakt en valt even uit zijn rol als SS-er: hij is er stil van. Even maar, want daarna begint hij weer in het Duits te schreeuwen.
De zomergast die het fragment had aangevraagd concludeerde hieruit dat schoonheid alles overwint, wat me een vrij bizarre gevolgtrekking lijkt, want het moment duurde alles bij elkaar misschien tien seconden. De conclusie is eerder dat het kwade het schone overwint, behalve dan in die paar gewijde seconden.
Twee weken geleden ging het ook al over schoonheid in een door Rinnooy Kan uitgezocht fragment uit dezelfde documentaire: George Steiner (schrijver, filosoof) die zijn leven lang worstelt met de vraag hoe het kan dat een kampbeul die overdag mensen de dood in jaagt, s’ avonds zo prachtig Schubert kan spelen.
Gaat het bij het fragment van Semprun over de vraag hoe het kan dat de gevangene en de beul, door schoonheid overmand, even een moment van gemeenschappelijkheid hebben; Steiner’s vraag is hoe de duivel en het schone in een persoon verenigd kunnen worden.
In die zin was het fragment over San Santen ook interessant. Santen was een idealist die zich had aangesloten bij een Trotskistische beweging. Hij sloot een innige vriendschap met de leider van de groep, maar kreeg twijfels en verliet de beweging. Daarmee was de vriendschap van de ene op de andere dag over. Santen bleef daarover zijn leven lang teleurgesteld.
Afgezien van het feit dat het vrij naief is om idealisten op menselijk gebied te vertrouwen is de onderliggende vraag van alledrie de fragmenten: in hoeverre valt de mens te doorgronden?
Als er iets uit alle zomergast fragmenten blijkt, dan is het wel dat de menselijke ziel een kluwen emoties, instincten, overlevingsmechanismen en rationele overwegingen is, bij elkaar gehouden door een dun draadje beschaving. Als het draadje breekt (en dat gebeurt bij mij al in de file als er weer eens iemand op het laatste moment invoegt) wordt het gedrag van de mens onvoorspelbaar en gevaarlijk.
Gelukkig komt uit alle ellende ook altijd wel weer iets moois naar boven, wat vooral geillustreerd wordt door Semprun en Steiner zelf. De manier waarop zij in ‘Nauwgezet en wanhopig’ hun ervaringen in het kamp analyseren en beschrijven vind ik van een ongelofelijke schoonheid.
In die zin moet ik bovengenoemde zomergast wel een beetje gelijk geven: het schone overwint weliswaar niet, maar het komt wel altijd even bovendrijven. Vaak daar waar je het niet verwacht.

8/27/2007

Linda

Net als Joris Luyendijk in verwarring over wat ik van de zomergastavond met Linda de Mol moest denken.
Eerst dacht ik dat het de grote Linda show zou worden: fragment van haar vader, fragment van haarzelf, fragment van haar huis.
Daarna kwamen er andere, betere fragmenten, maar ook toen leek het me allemaal erg doelbewust geproduceerd: fragment Michael More (ik ben ook kritisch); fragment dementie (ik ben betrokken); fragment documentaire plastische chirurgie (mijn botox valt in het niet bij wat ze in Amerika doen).
Eigenlijk is Linda de archetypische Nederlandse ster: ze raakt alles even aan. Een vleugje humor, een snufje leed, een beetje maatschappijkritiek. Het is allemaal goed, aan alles is gedacht, alles wordt even aangeroerd en als het te diep gaat komt het volgende onderwerp.
Zoals in de Amerikaanse ziekenhuisserie ER: zodra er een pijnlijk gesprek plaatsvindt tussen twee mensen en het hoge woord is er uit wordt er weer een gewonde binnengereden en rent iedereen weg. Nooit zie je hoe iemand onhandig wegloopt, nooit kijk je naar een te lange pijnijke stilte, nooit zie je een onbeholpen einde van een gesprek.
Alleen toen het over haar broer ging kreeg je een glimp te zien van wat zich onder het oppervlak bevond. Dat was interessant.
Verder liet Linda zich niet kennen en speelde ze het gewone meisje nextdoor.
Vind het altijd zo’n rare gewaarwording om intelligente mensen te zien die bewust doen of ze niet slim zijn. Die geforceerd gewoon zijn.
Overigens denk ik wel dat ze gelijk heeft met de constatering dat ze niet meer weet hoe het is om het achterste van haar tong te laten zien; ze is al zolang publiek bezit. Op een moment zei dat een voordeel van beroemd zijn was dat er voor haar deuren geopend worden die voor anderen gesloten blijven. Dat moet ook het geval geweest zijn bij Zomergasten. Een goede redacteur had na twee voorbesprekingen toch moeten zeggen: ‘Dit is geen geschikte gast voor ons programma.’
Maar ook de VPRO zal verlekkerd hebben gedacht aan de kijkcijfers.
Wat was de lijn van de fragmenten? Waarom koos ze deze uit? Wat wilde ze ermee zeggen? Het bleef allemaal onduidelijk.
Al met al is mijn conclusie dat ze het heel goed deed, alleen in het verkeerde programma zat.
Overigens sloot ze de avond prachtig af met John Mayor’s ‘Daughters’. Wat een geweldig nummer is dat toch: sober, eerlijk, echt.

8/24/2007

Zon

Er zijn dagen dat ik overal een complot vermoed.
Nu lees ik weer dat zon juist goed is en bepaalde vormen van kanker (zoals darm-, baarmoederhals-, prostaat en borstkanker) helpt voorkomen. Verbranden blijft slecht, zeker als het kinderen betreft, maar verder is het devies: zoveel mogelijk in de zon! Het Kanker bestrijdings fonds heeft ons jaren verkeerd voorgelicht.
Eigenlijk worden alle gezondheidsadviezen die ik meekreeg van mijn ouders in de loop der jaren onderuit gehaald.
Jarenlang heb ik tegen heug en meug appels gegeten (“Snoep verstandig eet een appel”), inmiddels is gebleken dat de zuren die in appels zitten juist slecht zijn voor je tanden.
Mijn hele leven heb ik maar 1 ei per week gegeten omdat er zoveel cholesterol in eieren zit. Tot ontdekt werd dat in eigeel weliswaar veel cholesterol zit, maar in het eiwit juist weer een stof die het cholesterol neutraliseert.
Tientallen jaren heb ik met ijzeren discipline drie glazen melk gedronken (Joris Driepinter), tot het niet meer mocht omdat het slecht was voor hart en bloedvaten.
En nu moet ik weer in de zon.
Waar ik me vooral over opwind is het feit dat de kennis gewoon voorhanden was. Er bestonden allang onderzoeken die aantoonden dat de zon de aanmaak van vitamine D bevordert en daarmee de kans op kanker doet afnemen.
Net zoals men volgens mij in de jaren zeventig ook wist dat mensen in Japan geen hart en vaatziekten kregen omdat ze geen zuivelprodukten gebruikten.
En was het dertig jaar geleden niet bekend dat in alle vruchten zuren bevatten die slecht zijn voor je tanden?
Waarom hoorde ik dat niet eerder? Wie houdt die informatie tegen? Wie heeft daar belang bij?
Van bedrijven wist ik allang dat ze de waarheid inkleuren zoals ze dat het beste uitkomt. Deze week nog heb ik een half uur met een verkoper gesproken over een LG stoomwasmachine die kreukvrij zou wassen. Er stond zelfs een vitrine met een smetteloos wit, kreukvrij overhemd ter voorbeeld. Achterdochtig als ik ben zocht ik thuis op internet en las een onderzoek van de consumentenbond (maar daaraan begin ik langzamerhand ook te twijfelen) waaruit blijkt dat een stoomwasmachine het overwegend slechter doet dan een gewone.
Van de overheid wist ik ook allang dat ze liegt als het haar uitkomt. De eerste keer dat ik dat helder zag was toen bleek dat de autoloze zondagen in de jaren zeventig (volgens de overheid noodzakelijk omdat onze olievoorraad opraakte) volstrekt onzinnig waren. Het was een egotripje van Den Uyl: hij vond het zo’n fijne uiting van solidariteit als we met z’n allen een dag geen auto zouden rijden.
Ik was zo naief om te denken dat idieele instellingen vrij waren van politieke of commerciele motieven. Tot ik in het NRC las ik dat het Kanker bestrijdings fonds wordt gesponsord door cosmeticamerken als Vichy en Zwitsal......
Vooralsnog houd ik me vast aan wat mijn ouders me leerden. Ik pers een sinasappel uit en drink het sap meteen op omdat anders de vitamines eruit gaan; ik eet bruin brood, ik zorg dat ik elke dag minstens een half uur beweeg en ik doe een sjaal om als het koud is.

8/13/2007

Vakantie 1

Ik loop met mijn gezin over de drooggevallen bodem van de Seine, bij het plaatsje Villerville, iets ten Noorden van Deauville (de badplaats waar de sjieke Parijzenaars komen). Het plaatsje ligt tegenover Le Havre aan de monding van de rivier, in feite precies daar waar de Seine in zee stroomt.
We zijn een uur geleden aangekomen na een week regen op een camping in de Bourgonge. Het was mijn eerste kampeerervaring en het moet raar lopen als het niet mijn laatste was. Gelukkig bestaat het tweede deel van onze vakantie uit het verblijf in een prachtige Chambre d’Hotes van de Nederlandse familie Tutein Nolthenius: een negentiende eeuws Pippi langkous huis met uitzicht op de zee en de Seine.
We genieten van het idee dat we vannacht zullen slapen in slaapkamers waar het niet stinkt naar koeienstal en waar ’s ochtends je kleren droog zijn; van een eigen badkamer waar je niet op een warme WC bril van je voorganger hoeft te zitten en van de luxe van een bed met een echt matras en een lattenbodem.
De gastvrouw heeft ons verwelkomt met een wijntje in haar prachtige tuin met uitzicht op zee waardoor het contrast met de plastic bekertjes onder de te kleine luifel van onze door regen geteisterde tent nog groter wordt.
Voor het eten maken we een wandeling over het strand dat, nu het eb is, ongeveer vijftig meter breed is. Bij hoog water komt de zee tot aan de kade. Ik heb me net laten vertellen dat het hoogteverschil tussen hoog en laag water gemiddeld meer dan vijf meter is.
De kinderen zoeken schelpen en doen die in een emmer. Ik verbaas me er weer eens over aan hoe weinig kinderen genoeg hebben: een emmertje, zand, water, schelpen. Gelukkiger krijg je ze niet.
Ik bespreek met mijn vriendin de optie om hier te gaan wonen. Waarom niet? We verkopen ons huis; voor dat bedrag koop je hier een villa en we beginnen een Chambre d’Hotes. Ik kan alle dagen schrijven, mijn vriendin maakt ontbijt voor de gasten, de kinderen gaan naar een leuke Franse dorpsschool en in hun vrije tijd lopen ze langs het strand.
Als we bij de rand van het water zijn gekomen vraagt mijn zoontje of straks de zee weer hoog wordt. ‘Ja’, zeg ik, ‘dat gaat altijd door. Steeds komt de zee op en gaat hij weer af.’ Ik twijfel nog even of ik hem zal vertellen over de aantrekkingskracht van de maan, maar ik besluit het niet te doen. Ook al omdat ik niet helemaal precies weet hoe het zit.
We staan met onze opgestroopte broekspijpen in de zee en kijken naar de boten die voorbij varen. Genieten we nu extra omdat we het de vorige week regende of is het hier echt zo mooi?
Als het tegen achten is moeten we terug omdat onze gastvrouw voor ons heeft gekookt. De kinderen rennen voor ons uit. Ik adem de zeelucht in en wil dat alles altijd zo zal blijven.
Ineens blijft mijn zoontje staan. Hij kijkt naar de grond. Dan roept hij: ‘Pappa!’
Hij is duidelijk opgewonden.
Ik loop naar hem toe.
‘Pappa’, roept hij nog een keer omdat ik niet snel genoeg loop naar zijn zin.
Als ik er ben zegt hij: ‘Hier’ en hij wijst op een rond gat tussen de stenen en het zand.
Ik zie aan zijn houding dat hij ontzettend trots is op z’n vondst, maar begijpt niet wat hij bedoelt.
‘Wat is dat?’, vraag ik.
‘Daar’, zegt hij nog een keer triomfantelijk.
‘Ja’, zeg ik, ‘ik zie het. Maar wat is dat?’
‘Dat’, zegt hij terwijl hij zijn handen in z’n zij zet, ‘is de stop van de rivier.’
Het moet raar lopen willen we hier niet gaan wonen.

6/10/2007

Moortje

Katten kwamen er bij ons thuis niet in. Wij hadden konijnen, cavia’s en kippen die achter in onze tuin in een enorme ren zaten, die mijn ouders daar een keer in een weekend hadden neergezet. Het mooie van de ren was dat het gaas tot een meter onder de grond doorliep zodat de konijnen holen konden graven, hetgeen ze gretig deden. Zo gretig dat er af en toe eentje onder het grondgaas doorglipte en ontsnapte. Pas na een urenlange tuinen en brandgangen guerilla konden wij het dier dan weer vangen.
Af en toe kregen ze gezelschap van een eend of waterhoen. Wij woonden namelijk aan een drukke straat tegenover een park waarin een grote vijver lag, wat geen gelukkige combinatie is. Er werd regelmatig een eend of waterhoen aangereden die dan half kreupel bij ons voor op de stoep zat en die door mijn moeder liefdevol in een doos in de garage werd gezet om verzorgd te worden. Als het beter ging werd het dier om aan te sterken in de ren gezet waar hij zonder enig probleem gedoogd werd door de andere dieren. Van enige territoriumdrift hadden ze geen last (Vroeger was alles beter). Was de eend eenmaal hersteld dan werd ie door mijn moeder weer terug in de vijver van het park gezet, waarbij hij meestal een beet in haar hand naliet als dank.
Zo liefdevol als wij waren voor onze dieren, zo weinig moesten wij hebben van katten.
Katten werden vol overgave uit de tuin geweerd. Zag ik er een bij de ren scharrelen dan rende ik de tuin in en smeet alles wat voor handen was (sinasappels, bananen, plastic kopjes, messen, vorken) naar de kop van het beest. Een keer lukte het me om er een een trap te geven.
Waar deze haat vandaan kwam weet ik niet; het was meer een soort collectief familiegeheugen: wij houden niet van katten.
Dertig jaar later was er dan ook een maanden durend charmeoffensief van mijn vriendin en mijn dochter voor nodig om mij over te halen een kat te nemen. Eerlijk gezegd stemde ik vooral toe om van het gezeur af te zijn. Er werd namelijk door mijn dochter onbedoeld (of hebben meisjes die vaardigheid als ze vier zijn al onder de knie?) danig op mijn schuldgevoel ingespeeld. Elk plaatje van een kat werd uitgeknipt en zuchtend bekeken; elke kat die we op straat tegenkwamen werd smachtend aangehaald; elke avond voor het slapen gaan werd mij gesuggereerd hoe ik haar echt gelukkig zou kunnen maken (‘Weet je wat ik het allerliefst zou willen? Wat ik echt, echt, echt, heel, heel, heel fijn zou vinden? ..... Een katje’)
En dus reden wij drie jaar geleden naar het asiel en zochten een klein zwart katje uit dat, samen met zijn broertjes en zusjes, in een doos in het bos was gevonden.
Moortje werd hij genoemd.
Het beest veroverde als snel zijn plaats in ons huis: het klauterde op de bank, sprong van de tafel, rende door de gang, gleed over de gladde tegels in de keuken, vrat de garnalen die op het aanrecht stonden op, likte aan de kaas, krabte aan de stoel, kotste over het kleed, maar deed alles met zo’n ontwapenende charme dat ik maar moeilijk kwaad op hem kon worden, hoezeer ik m’n best ook deed. Ik maakte een kattenluik waardoor ook de andere verwende, brutale Amsterdamse buurtkatten naar binnen kwamen en het bakje van onze kat leegvraten. Moortje ontdekte de tuin, de tuin van de buren, alle tuinen van de buurt. Hij leerde andere katten kennen die hem ’s avonds kwamen ophalen om uit te gaan. Ik raakte gewend aan het geklepper van het luik en maakte me ’s ochtends zorgen als hij niet binnen was. Ik bracht Moortje in de zomervakantie naar een opvang en was oprecht blij hem weer te zien als ik hem na de vakantie ophaalde, al had ik sterk de indruk dat dat niet wederzijds was.
Ook toen we verhuisden paste Moortje zich moeiteloos aan de nieuwe omgeving aan. Hij maakte vrienden met de kat van de buren; hij wist ook hier weer feilloos de nestjes met jonge vogeltjes te vinden; sleepte af en toe een muis mee en ging er op het terras mee spelen. Hij was helemaal in zijn element.
Tot hij op een ochtend thuis kwam en nauwelijks meer kon lopen. Hij mauwde, bleef uren liggen, ging ’s nachts niet meer naar buiten. Bij de dierenarts bleek dat hij z’n staart gebroken had. Waarschijnlijk aangereden door een auto of getrapt door een kattenhater.
De staart heelde weer, maar hij werd nooit meer de oude. De afgelopen maanden liepen we de deur plat bij dierenartsen die pilletjes voorschreven, katheteriseerden, drankjes en dieten adviseerden, zeiden dat we over twee dagen terug moesten komen, ons op het hart drukten dat we hem twee weken binnen moesten houden. Het mocht niet baten. Vierhonderd euro verder ging het helemaal mis; Moortje kon niet meer plassen en moest worden afgemaakt.
‘Krijg ik nu een cavia?’, vroeg mijn dochtertje.

5/22/2007

7 juli

7 juli a.s. is de grote dag van Al Gore. Dan vinden op verschillende podia over de hele wereld concerten plaats onder de naam: Live Earth. In Nederland wordt ook een concert georganiseerd en de publieke omroep doet in een 24 uurs uitzending verslag van alle hoogtepunten op de diverse podia.
De vaste lezer van mijn log weet dat ik de film van Al Gore slecht vond: te Amerikaans, te eendimensionaal, te prekerig. Daarbij werd ik gek van alle paternalistische doemgrafieken met stijgende lijnen.
Alhoewel het kan zijn, ben ik er niet zeker van dat de aarde opwarmt door toedoen van de mens. Voor een overzicht van de argumenten daarvoor verwijs ik naar mijn weblog van 30 november 2006: ‘Wat Gore unconvenient vindt’. Vooral geologen hebben het over een ritme van de aarde (van opwarming en afkoeling) waarop de mens geen enkele invloed heeft.
Dat betekent niet dat ik de zorg rond het klimaat niet deel en ik ben dan ook voorstander van het nemen van maatregelen die de uitstoot van Co2 kunnen beperken. Al was het maar omdat we het risico gewoon niet moeten nemen. Want veranderingen in de natuur zijn vaak lastig terug te draaien. Mijn buurman die bioloog is, legt het altijd zo uit: ‘Processen in de natuur werken als een wip. Je kan heel lang een zware bal de wip oprollen zonder dat er iets gebeurt, maar als de bal eenmaal over het middelpunt heen is, slaat de wip om. En probeer dan de bal maar eens terug te rollen.’
Oftewel, de natuur heeft een hang naar evenwicht en doet er alles aan om dat evenwicht te behouden. Maar als het eenmaal is omgeslagen doet het er alles aan om dat nieuwe evenwicht te behouden en dan kan je niet meer terug.
Nou ja, ik ben dus voor maatregelen maar volg de lijn van de meeste milieu-activisten niet.
Wie schetste dan ook mijn verbazing toen mij een paar weken geleden werd gevraagd of ik voor 7 juli het ‘Klimaatlied’ van Nederland zou willen schrijven. Soort ‘We are the world’ maar dan over de aarde in plaats van over hongerende kinderen. Het is de bedoeling dat het gezongen wordt door bekende Nederlandse artiesten; dat het makkelijk mee te zingen is; dat het niet prekerig is; dat het optimistisch is; dat iedere partij zich er in moet kunnen herkennen; etc.
Vrij makkelijk werkje dus.
Ik moet zeggen dat ik, na enige twijfel, zeer vereerd was met dit aanbod. Zeker ook omdat de organisatie, Coolclimate, een zeer breed en, voorzover ik het nu kan overzien, ruimdenkend platform is. Niet alleen Femke Halsema of Roel van Duin types, maar ook Beau van Erven Dorens en Wubbo Ockels werken mee. Voor ieder die zich er in wil verdiepen: www.coolclimate.nl.
Zit dus nu te zwoegen op een lied over klimaatverandering zonder dat het pathetisch wordt. Dat is behoorlijk zweten, zeker nu het dezer dagen weer veel te warm is voor de tijd van het jaar.

5/10/2007

Maastricht

Een aantal dagen in een hotel in Maastricht in verband met onderzoek voor mijn nieuwe boek. Al is het gevaarlijk al te veel prijs te geven over iets dat, op twaalf bladzijdes na, nog helemaal geschreven moet worden (‘Verzoek ik de goden niet?’; ‘Leg ik mezelf niet teveel druk op?’): een van de romanpersonages in het boek lijkt verdacht veel op mijn ‘andere’ grootvader. Niet die van MODWZHM dus.
Aangezien hij is geboren en getogen in Limburg ging ik op zoek naar zijn geboortehuis in Valkenburg; de huizen waar hij woonde in Maastricht en zijn voormalige school. Verder wilde ik de stad ondergaan.
Maastricht voelt goed. Heel goed eigenlijk. Ik weet niet of het komt omdat ik eindelijk weer eens tot acht uur ‘uit kan slapen’ of omdat ik me voor het eerst sinds tijden weer helemaal kan wijden aan mijn boek, maar het lijkt er op dat mensen hier vriendelijker en zachter zijn dan in de rest van Nederland.
Misschien heeft het ook te maken met de onhollandse sfeer die de stad ademt.
Huizen worden gebouwd met het materiaal dat voorhanden is en aangezien de Pietersberg om de hoek ligt zijn de meeste huizen opgetrokken uit zachte mergelsteen die daar wordt gewonnen. Verder zijn kozijnen en stoepranden van Belgisch hardsteen en zijn de straten en stoepen gemaakt van kasseien in plaats van bakstenen en grijze tegels met kauwgom. Het geeft de stad een buitenlands karakter en maakt dat het voelt alsof ik met vakantie ben, wat - ik benadruk dit maar even voor ieder die denkt dat schrijven gelijk staat aan in hotels zitten, in whirpools hangen, uren aan tafels van sterrenrestaurants zitten en af en toe op een verloren moment wat op een papiertje krabbelen - beslist niet het geval is. Mijn hotelkamer heeft niet eens een bad.
Het lijkt er ook op dat er hier veel meer bijzondere winkels zijn. Natuurlijk hebben ze hier ook een H&M en een Blokker en een Free Record shop (waar ze mijn CD niet hadden) maar ook allerlei winkels die ik ergens anders nog nooit ben tegen gekomen.
Het gebrek aan een goede platenwinkel word trouwens ruimschoots gecompenseerd door zonder twijfel de mooiste boekwinkel van Nederland: boekhandel Dominicanen. Die bevindt zich namelijk in een oude kathedraal, vlakbij het Vrijthof. In het schip staan tien meter hoge boekenkasten met loopbruggen en achterin op de plaats van het koor is een lunchroom die vergelijkbaar is met een vestiging van de Coffeecompany. Vanaf je stoel aan de leestafel die op een verhoging staat heb je een schitterend uitzicht op de verlichte, mergelstenen beuken en muren van de kerk. Het word je hier wel erg moeilijk gemaakt geen boek te kopen. Ik drink er elke dag koffie.
Een niet helemaal te verwaarlozen verklaring voor mijn enthousiasme is overigens dat mijn boek er in stapels middenin de winkel ligt. Dit in het kader van de nominatie voor de Selexyz-debuutsprijs die ik overigens niet won. Maar daarover meer over een paar jaar, als ik het allemaal verwerkt heb. Maastricht is in ieder geval een goed medicijn.

4/24/2007

Cruyff en Kruize

Ik moest gisteravond tijdens de marathon uitzending over Johan Cruyff die zestig wordt, denken aan Ties Kruize: mijn Cruyff.
Mijn gedachten dwaalden overigens niet alleen af omdat het een onzinnige avond vol pathetiek was (Tom Egberts: ‘We zeiden het al in de vooraankondiging; we hebben vanavond beelden die u nog nooit gezien hebt. [vage zwart wit beelden met een digitaal rondje rond een voetballer; kennelijk Cruyff]. Dit zijn de eerste beelden van Cruyff als voetballer bij Ajax! Kijk, hij wil de bal hebben. Je hoort hem nu wat zeggen... luister goed naar wat hij zegt [‘Hee Piet, ik sta vrij’]..... Dit zijn de eerste beelden van een voetballende Johan Cruyff bij Ajax!!!
We kijken nog een keer. Kijk goed naar de eerste beelden van Cruyff bij Ajax. Luister.... [‘Hee Piet, ik sta vrij’]. De eerste woorden op band van Cruyff!! Fantastische beelden. Het zat er toen al in. We kijken nog een keer ..... Luister....”), maar ook omdat Ties Kruize in alles een groter sporter was dan Cruyff. Hij won als hockyer acht keer de landstitel met HCKZ, won tweemaal de Europa Cup 1; werd met het Nederlands elftal Europees en wereldkampioen en won de Champions Trophy tweemaal. Kruize was gevreesd om zijn strafcorners die hij over het algemeen snoeihard in de bovenhoek joeg. Hij was een imposante verschijning: groot, gespierd, vorsende blik in de ogen, met een ongekende snelheid voor zo’n stevig lichaam.
Ik herinner me dat hij een keer meedeed aan ‘Sterrenslag’; een programma waarin topsporters uit alle takken van sport tegen elkaar streden: hij won het glansrijk van alle duurbetaalde voetballers, wielrenners en tennissers.
Ik googelde op zijn naam en zag tot mijn schrik dat hij tegenwoordig makelaar in assurantien en pensioenadviseur is. “Kruize B.V. geniet het vertrouwen van zo’n enige duizenden clienten”, staat er op de website.
De meeste mythes blijken na verloop van tijd toch niet zo groots als wij dachten. Ruud Gullit lijkt in niets meer op die politiek correcte voetballer die zijn prijs opdroeg aan Mandela; Van Basten blijkt niet zo succesvol als hij was toen hij nog voetbalde; Ties Kruize heeft het over “zo’n enige duizenden clienten”.
Eigenlijk moet een mythe zich terug trekken op een eiland en zich niet meer laten zien. Of hij moet consekwent blijven in het in stand houden van de mythe
Dat moet ik Cruyff nageven; hij blijft een mirakel: of hij nou voetballer is, coach of commentator.
Het is dat mediagenieke dat hem zo groot maakt, niet het feit dat hij zo goed kon voetballen. Overigens viel me op dat er een aantal mooie acties van hem meerdere keren herhaald werden gedurende de avond. Misschien was hij wel niet zo heel goed, schoot er even voor mijn hoofd.
In ieder geval niet zo goed als Ties Kruize was. Ties wordt over vier jaar vijftig. Ben benieuwd of Tom Egberts er melding van gaat maken.

4/17/2007

Vlak voordat

Sinds vrijdag is mijn nieuwe CD, Vlak voordat, uit. Wat zoveel wil zeggen dat hij vanaf afgelopen vrijdag verkrijgbaar is.
Voor het eerst heb ik geen officiele presentatie (met concert en toespraak) georganiseerd, omdat ik een beetje organiseer-moe ben. Uiteindelijk speel ik mijn eigen platenbaas, dus de afgelopen maanden ben ik vooral bezig geweest met het organiseren van vanalles: een oefenruimte; een studio; een masterstudio; een perspromotor; een plugger; een distributeur. Het is een soort jongleren met zeven ballen om alles op tijd rond te hebben en iedereen gemotiveerd te houden.
Maar ik heb er spijt van, want een presentatie is een belangrijk ritueel.
Je moet een punaise op een landkaart prikken en afspreken: als ik er ben, vier ik feest.
Net zoals je aan het eind van de vierdaagse een medaille krijgt.
Helaas zijn de meeste eindes rafelig.
Zo dreigde het vorig jaar bij MODWZHM ook te gaan.
Toen ik het idee van het schrijven van een boek over mijn grootvader hardop had uitgesproken –of eigenlijk: toen mijn vriendin hardop had uitgesproken dat ik nu eindelijk dat boek eens moest schrijven – dacht ik: als ik een uitgever bereid vind het uit te geven, dan spring ik een gat in de lucht. Via via kwam ik bij mijn huidige redacteur terecht. Ik vertelde het verhaal dat ik in mijn hoofd had zitten, maar ik kreeg – uiteraard - niet meteen uitsluitsel. Ze moest er over nadenken en het eens overleggen. Een paar weken later belde ze me op tijdens onze vakantie in Zwitserland, juist op het moment dat we met drie huilende kinderen in een stervenshete file van Montreux naar Lausanne zaten. Toen we die avond uitgeput op het terras zaten waren we te moe om het nog te vieren.
Gaandeweg het schrijven dacht ik meermalen: als ik het manuscript ingeleverd heb, gaat de champagne open. Ik stelde het me, op dagen dat ik wezenloos naar het beeldscherm zat te turen, ook regelmatig voor: op een dag leg ik mijn pen neer (belachelijk, want ik doe alles op de computer), ik doe het manuscript in een grote enveloppe; ik lik de enveloppe dicht, loop naar de brievenbus, doe het op de bus en steek een pijp op.
Maar toen ik twee jaar later mijn manuscript per e-mail inleverde bij de corrector, begon het pas: ik kreeg het een paar weken later rood terug: elke bladzijde stond vol met strepen, vraagtekens, bijschriften en vragen als: ‘Hoe kan dat nou, op pagina 104 beweer je juist dat het regent?’
Uiteindelijk was het einde van het schrijven een telefoontje van de corrector met de vraag of ik het er mee eens was dat er een witregel kwam na de zin:“Er zitten woorden in de weg” op pagina 254. Geen groots moment dus.
Toen dacht ik: als ik eenmaal het boek in handen heb, dan huren we een kamer in het Amstel hotel. Maar het eerste exemplaar kreeg ik per post toegestuurd op de dag dat wij verhuisden.
Ik was dus blij dat ik een paar weken later een officiele boekpresentatie had. Met toespraak, met vrienden en met drank.
Ik heb het echt gemist bij ‘Vlak voordat’.

4/04/2007

Jan

Jan heeft me dit keer echt teleurgesteld. Ik was altijd onder de indruk van zijn welsprekendheid; van zijn goed geformuleerde gedachten; van zijn grammaticaal correcte zinnen. Jan was helder; nooit wollig; Jan gebruikte geen modewoorden, maar degelijke, Hollandse woorden die al decennia lang meegaan; woorden die de tand des tijds hebben doorstaan.
Het Telegraaf-interview viel dan ook rauw op m’n dak:
‘Een dikke, extra plus.’
Dat valt in de categorie: ‘helemaal top’; ‘Je bent een kanjer’; ‘Ga maar lekker zitten’.
‘Een dikke, extra plus’, schurkt aan tegen: ‘Het was een superavond’; ‘Een stukje beleving’ en ‘Het verzekeringsgebeuren.’
Je hoort het Rene Froger zeggen. Je ziet Henk Jan Smits achter een jurytafel zitten. Je ruikt Gordon.
‘Een dikke, extra plus’ hoort bij een Opel Vectra of een Hyundai Santa Fe. Het hoort bij kleine, zweterige kamertjes in grote glazen gebouwen. Het hoort bij systeemplafonds; bij witte koltruien met gouden kettingen. Het hoort bij opdekdeurtjes; gipswandjes; Rob Verlinden; Jaccuzi’s in een achtertuintjes van drie bij drie meter; bij ‘luxe vijf sterren vakantiewoning’; bij ‘Vitamust’ van Conny van Breukhoven.
Niet bij Jan.
Het resultaat is ernaar. Voor het eerst in zijn loopbaan als SP voorman wordt Marijnissen aangevallen door zijn eigen partijgenoten. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege zijn taalgebruik.
‘Een dikke, extra plus’?? Is dat onze Jan? Is dat ons toonbeeld van degelijkheid, is dat onze oud-lasser? Is dat de taal van een socialistische leider die terug wil naar de jaren vijftig?
Jacques Tichelaar wist ook niet wat hij hoorde. Hij schrok zich rot en opende onmiddelijk de aanval. Dit is geen taal voor een oud vakbondsman.
Ik deel de teleurstelling volledig.
Aan de inhoud van Jan’s uitspraak kan het niet gelegen hebben. Hij heeft dit al vaker beweerd, daarbij doet hij in het bewuste interview in de Telegraaf een heel genuanceerde uitspraak over deze kwestie: niemand is er toe verplicht, maar het zou mooi zijn als.... Niks bijzonders.
Ik raad al die verontwaardigde SP-stemmers (nogmaals) aan het partijprogramma van de partij eens goed te lezen. Daar staan veel schokkender dingen in. Gelukkig wel degelijk geformuleerd.

3/26/2007

Wouter 2 en verkopers

Vanavond deel 2 van de Wouter tapes. Begrijp niets van alle kritiek die Bos over zich heen heeft gekregen de afgelopen week. Ten eerste is het moedig een camera toe te laten; ten tweede levert het prachtige televisie op, zeker omdat je de uitkomst al weet (soort 'Titanic'); ten derde herhaal ik nog maar eens dat ik het juist goed vind dat je hem zo ziet twijfelen. Meer mensen zouden hun twijfel moeten laten zien.
Overigens zou ik als ik Bos was dat campagne team halveren. Het zijn een soort vliegen die steeds hinderlijk om z'n hoofd zoemen. Zoals hij ergens ook constateert: onvoorbereid is hij het beste.
Fascinerend ook hoe de fractieleiders voor een debat heel vriendschappelijk met elkaar omgaan. Alsof het debat een spel is en ze daarna weer met elkaar de bar ingaan om na te lachen over wie nu weer iets stoms heeft gezegd.
Vorige week mocht dan eindelijk mijn nominatie voor de Selexyz debuutsprijs bekend worden gemaakt. Uiteraard denk ik daar nu elke dag even aan. Irritant, maar gelukkig genoeg andere dingen aan mijn hoofd zoals de nieuwe CD die 13 april uitkomt en waarvoor ik deze en volgende week een aantal interviews doe en de aanschaf van een nieuwe auto voor mijn hardwerkende vriendin. Aangezien ik redelijk thuis ben op het gebied van auto's (kennis is onmacht) en ik moeilijk tot besluiten kom, kost me dat veel tijd. Overigens wel weer helemaal bij als het om autoverkopersjargon gaat. Een kleine bloemlezing: 'Deze auto lijkt duurder, maar de volgende eigenaar betaalt viervijfde terug, dus in feite betaalt u maar twintig procent'; 'Dit is een hele leuke kleur voor een vrouw'; 'Ja, dan kan u beter een Daihatsu kopen'; 'Deze auto's schrijven in feite niets af'; 'Daar maak ik me helemaal geen zorgen over, daar komen we altijd uit'; 'Het is niet aardig om te zeggen, maar ik werkte vroeger bij Volkswagen en die auto's hadden nog wel eens wat, maar deze heb ik nog nooit terug gezien in de garage'; 'Als u het niet doet, even goeie vrienden'; 'Verder kan ik echt niet gaan, hier verdien ik al niets meer op'.
Van schrijven komt derhalve helemaal niets.

3/19/2007

Wouter

Mooie documentaire in Tegenlicht: De Wouter tapes, waarin Wouter Bos gevolgd wordt gedurende zijn anderhalf jaar durende op en neergang.
Moet zeggen dat ik onder de indruk ben: hij komt naar voren als een sympathiek leider, die blijft luisteren naar zijn adviseurs en die, voor zover ik het op basis van deze 50 minuten TV (deel 2 volgt volgende week) kan beoordelen, iedereen in zijn waarde laat.
Dat is bij concurent Marijnissen wel anders. Enkele jaren geleden volgde een cameraploeg gedurende enige tijd een aantal politieke partijen, waaronder de SP. Het beeld van Marijnissen dat daaruit naar voren kwam was zo ongeveer tegenovergesteld aan dat van Bos: hij luisterde nauwelijks naar zijn partijgenoten en pakte mensen die het in zijn ogen mis hadden of niet hard genoeg gewerkt hadden keihard aan. De wijze waarop hij Agnes Kant ten overstaan van andere partijgenoten (en de camera) een schrobbering gaf was echt van voor de Eerste Wereldoorlog. Daaruit sprak een leider-arbeider verhouding die in Nederland, meende ik, al anderhalve eeuw niet meer bestond. Ze werd ten overstaan van iedereen echt volledig de grond ingeboord. Zegt ook wel wat over haar vermeende zelfstandigheid.
Maar goed, Bos blijft dus wel luisteren. Het lijkt af en toe vrij eenzaam: zo’n leider omringd door adviseurs die aan de lopende band kritische vragen stellen; adviezen geven (vlak voordat hij een belangrijke speech moet houden voor het partijcongres: ‘Op dat punt even gas terug nemen, niet gaan hollen’) en suggesties doen.
Je ziet hem twijfelen. Hij hoort het aan, werpt dingen tegen en neemt dan een beslissing.
Ik hou van mensen die twijfelen. Uit twijfel spreekt menselijkheid, maar ook realisme (ik begin ook al als een politicus te schrijven, merk ik). Iemand die niet twijfelt is nauwelijks mens. Daarbij liegt ie: er is veel te weinig houvast om alles zeker te weten.
Dus ik ben voor de twijfel en Bos twijfelt.
Ik vroeg me af of het houten huis, waar hij met zijn team steeds vergadert, zijn eigen huis (of tuinhuis) is. Als dat zo is woont ie mooi. Gelukkig heeft hij niet de behoefte, zoals nogal wat oudere socialisten, om voortdurend blijk te geven van het feit dat hij aan de goede (lees, linkse) kant staat. Want dan valt het zo tegen als blijkt dat iemand in een onbetaalbaar duur huis woont. Zo werd het huis van VARA voorzitter, Vera Keur, een tijdje geleden te koop aangeboden voor 1,4 miljoen euro; het huis van Spijkerman stond onlangs voor 2,2 miljoen te koop en wat zou het 13 hectare grote landgoed van Marcel van Dam opleveren? Allemaal mensen die zo vreselijk aan de goede kant staan en geen twijfel lijken te kennen als het om hun politieke voorkeur gaat. Nee, doe mij Wouter maar.

3/16/2007

LIBRA

Afgelopen zondag mijn eerste literaire prijs gekregen in het Chasse theater in Breda. Het ging nog bijna mis omdat de oppas haar trein gemist had en we bijna te laat waren voor de uitreiking.
We zaten met een man of zestig (genomineerden, uitgevers en onbekenden) in de kleine zaal waar een programma werd gepresenteerd door Frank van Pamelen (voormalig 'Vroege Vogels' presentator). Arie Storm las namens de jury het rapport voor waar en ik mocht naar voren komen om de prijs, een cheque van 2500,= in ontvangst te nemen. Op zich was het een koud kunstje om van de eerste rij het gelijkvloerse podium op te lopen, maar ik had bedacht dat ik mijn redacteur, die schuin achter me op de tweede rij zat, eerst zou feliciteren. Omdat ik in zeer korte tijd twee witte wijn naar binnen had geslagen en ik eerst nog om A.F.Th. van der Heiden, die naast me zat, heen moest en we op een verhoging bleken te zitten, viel ik bijkans het podium op.
Ik had geen toespraak voorbereid (toch bijgelovig. Ik bereid de laatste tijd trouwens sowieso veel minder voor en dat bevalt goed) dus ik dankte een paar mensen en zei dat ik niet van jury's en prijzen hield omdat het zo arbitrair was, maar dat ik daar sinds een minuut heel anders over dacht (mager lachje uit de zaal). De anderhalf uur erna (er werden nog twee prijzen uitgereikt en de organisatie had filmpjes van de genomineerden gemaakt die leuk maar erg lang waren) heb ik gelukzalig voor me uitgekeken.
Een fijne middag derhalve. Sowieso was alles veel beter georganiseerd dan toen ik genomineerd was voor de Anton Wachter prijs. Daar hoorde ik tijdens een bibliotheekoptreden, enkele weken voor de uitreiking, van de interviewer dat ik hem niet gewonnen had. Hij had het in de krant gelezen. Ben ook nooit uitgenodigd voor de uitreiking. Onbeschoft, vooral omdat je als genomineerde (zeker als er lange tijd zit tussen nominatie en uitreiking) toch gaat hopen dat je wint.
Dan het boekenbal. Om eerlijk te zijn vond ik er niet veel aan. Ten eerste is het ontzettend druk en massaal: je kan er niemand vinden. Ten tweede is elk gesprek vluchtig omdat iedereen om zich heen aan het kijken is of er nog een belangrijke schrijver in de buurt is en ten derde was ik met de auto en kon dus niet drinken. Zoals dat hoort hebben we nog wel enkele decorstukken meegenomen, zijnde twee uit triplex gezaagde rennende mannetjes. Leuk voor de kinderen, dachten we, maar die keken alleen maar even op van hun 'Little Ponies' en speelden verder. Inmiddels missen de mannetjes hun voeten (of delen ervan), een arm en een neus.

3/08/2007

Vechten tegen de lucht

Ik voetbal met mijn zoontje. Dat wil zeggen, we hebben de bal een tijdje overgetrapt, maar hij vindt het saai worden en heeft iets nieuws bedacht.
‘Nu doe ik de bal zo en dan gooi ik de bal daar’. Hij wijst op het stukje van het grasveld aan de andere kant van het pad. ‘En als ie daar is’ vervolgt hij, ‘dan heb je gewonnen’.
‘OK’, zeg ik.
Hij gooit de bal –al best goed voor een kind van net vijf. Eigenlijk heel goed, hij heeft een buitengewoon goed ontwikkeld balgevoel, vind ik – die rolt net over het pad.
‘Nou, heb ik gewonnen’, zegt hij triomfantelijk. Ik applaudiseer.
Als ik aanstalten maak om de bal op te pakken zegt hij: ‘Nee, jij moet nu die tak gooien’.
Omdat ik mijn zoon inmiddels ken, ben ik niet verbaasd dat er weer een regel bijkomt.
‘Tak?’, vraag ik.
‘Ja, jij moet die tak pakken en dan daar gooien’, hij wijst naar de bal, ‘en dan moet je de bal pakken en dan die tak en dan zo lopen’. Met zijn vinger beschrijft hij een cirkel.
Hij vindt het allemaal volkomen logisch. Alsof het om een eeuwenoud spel gaat.
Ik heb inmiddels geleerd om niet teveel vragen te stellen want dat maakt het er over het algemeen niet duidelijker op.
Ik loop naar hem toe om de grote tak te pakken. Als ik vlakbij hem ben zegt hij, ‘nee, niet die tak, maar die’ en hij wijst op een klein wilgentakje. Ik pak het op en gooi het in de richting van de bal.
‘Ja, nou heb jij gewonnen’, zegt hij even blij als hij bij zijn eigen overwinning was.
‘Maar ik moet toch nog die bal pakken en zo lopen?’, vraag ik. Dat heb ik nog wel onthouden.
‘Nee’, lacht hij, ‘dat was een grapje. Nou ben ik weer.’
Zo spelen we een tijdje: we gooien takken, trappen tegen de bal, wisselen van kant, vallen op onze knieen, vangen ballen op met onze trui, springen over het pad.
Dan heeft hij er genoeg van. ‘We hebben allebei gewonnen’, besluit hij en gaat zitten.
We drinken onze pakjes sap leeg en kijken naar de andere vaders die met hun zoontjes spelen. Het is warm, het lijkt voorjaar.
‘Wanneer gaan we naar huis?’, vraagt hij.
‘Wil je al naar huis?’, vraag ik verbaasd.
‘Ja’, antwoordt hij, ‘want ik moet nog naar Supermannenland’.
Sinds hij een trui met Superman erop heeft gekregen, gaat hij elke dag even naar Supermannenland.
‘Moet je nog tegen de lucht vechten?’, vraag ik.
‘Ja’, zegt hij, ‘met m’n zwaard en dan doe ik zo en zo’. Hij zwaait wild met zijn armen om het voor te doen.
‘En dan pak ik m’n krachten en dan doe ik zo’, legt hij uit.
Hij heeft onder z’n bed een doos met krachten staan die hij op elk moment kan gebruiken. Voor alles.
‘OK’, zeg ik, ‘dan moeten we maar gaan’.
We staan op, pakken de deken en de bal en lopen terug naar huis.